Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1121

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201303780/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303780/1/V3.

Datum uitspraak: 3 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 april 2013 in zaak nr. 12/35579 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 8 november 2012 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris dient tevens te worden verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de toelichting op de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte niet ambtshalve heeft beoordeeld of de vreemdeling aan haar aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. De staatssecretaris betoogt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank niet heeft onderkend dat hij bij besluit van 7 april 2010 een eerdere aanvraag van de vreemdeling om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 heeft afgewezen.

2.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.3. De vreemdeling heeft eerder, op 10 juli 2009, een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 ingediend. Die aanvraag is bij besluit van 7 april 2010 afgewezen. Bij besluit van 8 april 2011 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 juni 2011 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, het door de vreemdeling tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Bij uitspraak van 17 april 2012 in zaak nr. 201107896/1/V3 heeft de Afdeling die uitspraak vernietigd en het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaard. Het besluit van 8 april 2011 is van gelijke strekking als het besluit van 8 november 2012, zodat op het tegen dit laatste besluit ingestelde beroep het hiervoor onder 2.1 en 2.2 weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

2.4. Bij haar aanvraag van 7 juni 2012 heeft de vreemdeling een verklaring van haar behandelaars bij Stichting Centrum'45 van 4 juni 2012 overgelegd waaruit volgt dat de dagbehandeling in maart 2012 is afgerond en dat door dreigende terugkeer meer psychische klachten zijn ontstaan, hetgeen reden is voor een intensivering van de (poliklinische) behandeling naar een frequentie van wekelijks.

2.5. Uit hetgeen de vreemdeling bij haar aanvraag van 7 juni 2012 naar voren heeft gebracht - waaronder de in 2.4 genoemde verklaring -, noch uit het advies van het Bureau Medische Advisering van 21 mei 2012 volgt dat sprake is van een relevante verslechtering van de medische toestand van de vreemdeling sinds haar vorige aanvraag. Derhalve is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in evenbedoelde zin.

Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 8 november 2012 geen plaats. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3. Het hoger beroep van de staatssecretaris is reeds hierom kennelijk gegrond. De grieven van de staatssecretaris behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het hoger beroep van de vreemdeling is reeds hierom eveneens kennelijk gegrond. Nu gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voor rechterlijke toetsing van het besluit van 8 november 2012 geen plaats is, zal de Afdeling - doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 april 2013 in zaak nr. 12/35579;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Roosmalen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2013

53.