Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201303678/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:1228, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2012 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van een winkel tot een woning op het perceel [locatie 1] te Leeuwarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303678/1/A1.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leeuwarden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 maart 2013 in zaak nr. 12/2145 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2012 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van een winkel tot een woning op het perceel [locatie 1] te Leeuwarden.

Bij uitspraak van 12 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door H. Helbig, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Leeuwarden - Huizum-West" heeft het perceel de bestemming "Woondoeleinden 4" met de aanduiding "gemengde functies toegestaan".

Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming "Woondoeleinden 4" bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:

1. een aan huis verbonden beroep;

2. detailhandel, dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen, voor zover het de eerste bouwlaag betreft, indien de gronden zijn voorzien van de aanduiding "gemengde functies toegestaan".

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepalingen:

a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend de in artikel 6.1, aanhef en onder a, genoemde gebouwen worden gebouwd;

b. een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, zal de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen per hoofdgebouw ten hoogste 50 m² bedragen, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 50% van het erf zal bedragen.

Ingevolge artikel 36.3 mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van dit plan worden voorgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

Ingevolge artikel 1, wordt in deze voorschriften onder "bouwvlak" verstaan: een op de kaart aangegeven vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten.

Ingevolge dat artikel wordt onder "hoofdgebouw" verstaan: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 8, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. geen verandering van de draagconstructie,

b. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering,

c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en

d. geen uitbreiding van het bouwvolume.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 9, komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. binnen de bebouwde kom, en

b. de oppervlakte niet meer dan 1500 m².

Ingevolge artikel 5, eerste lid, blijft bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 het aantal woningen gelijk.

2. Bij besluit van 20 maart 2006 heeft het college aan [appellant] bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een woning tot twee appartementen op het perceel aan de [locatie 2] te Leeuwarden. Bij besluit van 3 april 2006 heeft het college dat huisnummer gesplitst in [locatie 2] en [locatie 3] en heeft het die nummers toegekend aan de twee nieuwe appartementen. Voorts heeft het aan het deel van het perceel [locatie 2] waarop een winkelpand aanwezig was, het adres [locatie 1] toegekend.

Het onderhavige bouwplan voorziet in de verbouwing van een winkel op het perceel in een woning van één bouwlaag met een oppervlakte van ongeveer 38 m². Het perceel grenst aan de achtergevel van het pand aan de [locatie 2].

3. Het college heeft geweigerd omgevingsvergunning te verlenen. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel niet is voorzien van een bouwvlak, zodat realisering van een woning op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan. Voorts is het niet bereid omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat voor de uitvoering van het bouwplan geen omgevingsvergunning is vereist. Daartoe voert hij aan dat het winkelpand een hoofdgebouw is, gelet op de bij besluit van 20 maart 2006 verleende bouwvergunning en de omvang van het pand in aanmerking genomen. Voorts stelt hij dat het bestemmingsplan geen maximum aantal woningen voorschrijft die binnen de bestemming "Woondoeleinden 4" opgericht mogen worden. Nu de aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan en er geen woning wordt toegevoegd, is realisering van het bouwplan vergunningvrij, aldus [appellant].

4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college met juistheid heeft vastgesteld dat het perceel geen bouwvlak heeft en dat het bouwvlak, behorend bij de bestemming "Woondoeleinden 4", op de gronden rust van de panden aan de [locatie 2] en [locatie 3]. Realisering van een woning buiten het bouwvlak is in strijd met artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

[appellant] stelt terecht dat het winkelpand na uitvoering van het besluit van 20 maart 2006 een zelfstandige eenheid is geworden, doordat het niet meer inpandig toegankelijk is vanuit de appartementen. Dat kan echter niet leiden tot het daarmee beoogde doel, nu het besluit van 20 maart 2006 het thans geldende bestemmingsplan niet opzij zet. Vast staat dat het college bij besluit van 20 maart 2006 geen woning op het perceel heeft vergund. Voor zover [appellant] een beroep doet op het overgangsrecht van het bestemmingsplan, wordt overwogen dat de wijziging van het gebruik van het pand als winkel in het gebruik als woning van dien aard is dat hem geen geslaagd beroep op artikel 36.3 van de planvoorschriften toekomt. Over de stelling van [appellant] dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan wel een woning op het perceel zou mogen worden opgericht, wat daar ook van zij, wordt overwogen dat de mogelijkheden van het vorige bestemmingsplan geen rol spelen bij de toetsing van de aanvraag aan het thans geldende bestemmingsplan.

Nu het bestemmingsplan de realisering van een woning op het perceel niet mogelijk maakt, heeft de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, in verbinding gelezen met artikel 3, aanhef en onder 8, en artikel 4, aanhef en onder 9, terecht overwogen dat het bouwplan niet zonder omgevingsvergunning gerealiseerd kan worden.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte omgevingsvergunning heeft geweigerd. Daartoe doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel. In dat verband voert hij aan dat het college bij besluit van 4 mei 2012 omgevingsvergunning heeft verleend voor het splitsen van een woning in twee woningen op het perceel Mesdagstraat 26.

5.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door hem bedoelde situatie niet vergelijkbaar is met zijn aanvraag. In dat verband is van belang dat op de Mesdagstraat reeds een bestaande woning buiten het bouwvlak aanwezig was en dat het gebruik van die woning naar aard en omvang niet wordt vergroot, zodat in die situatie een geslaagd beroep op het overgangsrecht kon worden gedaan. Voorts heeft het college zich ter zitting van de Afdeling op het standpunt gesteld dat de gesplitste woningen aan de Mesdagstraat groter zijn dan de door [appellant] voorziene woning. Het college heeft toegelicht dat het streeft naar de aanwezigheid van ruimere wooneenheden in de wijk dan het door [appellant] voorziene bouwplan.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

414-672.