Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1107

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201300893/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2012:3016, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2012 heeft het CBR het rijbewijs van [appellante] ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300893/1/A3.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 december 2012 in zaak nr. 12/686 in het geding tussen:

[appellante]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2012 heeft het CBR het rijbewijs van [appellante] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 12 juni 2012 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het CBR heeft ter zitting betoogd dat [appellante] geen belang heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep, nu zij weer beschikt over een geldig rijbewijs. De Afdeling overweegt dienaangaande dat [appellante] ter zitting tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk schade te hebben geleden ten gevolge van het bij de rechtbank bestreden besluit. Het belang van [appellante] bij een beoordeling van haar hoger beroep is hiermee gegeven.

2. Ingevolge artikel 130, eerste lid, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, eerste volzin, zoals dat luidde ten tijde van belang, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Ingevolge artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling), zoals deze regeling luidde ten tijde van belang, worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling, getiteld "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)", is het volgende bepaald: "Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid."

3. Naar aanleiding van een mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, heeft het CBR [appellante] verplicht zich aan een onderzoek, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994, te onderwerpen. Volgens die mededeling is [appellante] op 12 september 2011 als bestuurder van een motorrijtuig aangehouden met een ademalcoholgehalte van 1175 µg/l.

Het CBR heeft bij besluit van 25 januari 2012 het rijbewijs van [appellante] ongeldig verklaard, omdat uit het verslag van het onderzoek naar de geschiktheid van C.J.F. Kemperman, psychiater, van 16 december 2011 volgt dat hij bij [appellante] de diagnose alcoholmisbruik heeft gesteld.

4. De rechtbank heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het CBR zich niet op basis van het verslag van het onderzoek van de psychiater, overeenkomstig de Regeling, op het standpunt mocht stellen dat [appellante] ongeschikt is voor het besturen van motorrijtuigen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het verslag van het onderzoek naar de wijze van totstandkoming dan wel naar de inhoud ervan zodanige gebreken vertoont dat het CBR dit niet aan haar besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het verslag van het onderzoek geen specialistisch rapport als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling is. Daartoe wijst zij er op dat de onderzoeken, de vraagstelling, speciële anamnese en medische anamnese zijn uitgevoerd door een psycholoog en niet door een psychiater. Het CBR had het verslag niet aan het besluit van 12 juni 2012 ten grondslag mogen leggen, gelet op recente jurisprudentie van de Afdeling op dit punt, aldus [appellante].

5.1. [appellante] heeft deze grond en de daaraan ten grondslag liggende feiten voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Met de verwijzing naar recente jurisprudentie van de Afdeling doelt [appellante] kennelijk op de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 in zaak nr. 201205289/1/A3. Dat deze uitspraak dateert van na de uitspraak van de rechtbank, laat onverlet dat [appellante] reeds bij de rechtbank had kunnen aanvoeren dat het verslag van het onderzoek geen specialistisch rapport is omdat niet alle delen van het onderzoek door een psychiater zijn uitgevoerd, nu in het verslag kenbaar staat vermeld bij welk deel van het onderzoek de psycholoog betrokken is geweest. Nu het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom voormelde grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

434-797.