Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201301198/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2012:8115, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft het college geweigerd een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een botenhuis aan de voorzijde van het perceel Herenweg 66 te Kudelstaart (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301198/1/A1.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] h.o.d.n. Jachthaven "De Vlet", wonend te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2012 in zaak nr. 12/1392 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft het college geweigerd een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een botenhuis aan de voorzijde van het perceel Herenweg 66 te Kudelstaart (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 juli 2003 heeft het college geweigerd een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een botenhuis aan de achterzijde van het perceel.

Bij besluit van 1 mei 2012 heeft het college de door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren gegrond verklaard en opnieuw geweigerd bouwvergunningen te verlenen met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Bij uitspraak van 20 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar ingestelde beroep niet-ontvankelijk en tegen het besluit van 1 mei 2012 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2013, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door T. van Wissen, werkzaam bij Catch Legal, en E. van der Klis, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voor het botenhuis aan de voorzijde van het perceel voorziet in de bouw van een botenhuis met een oppervlakte van 12 bij 6,5 m en een hoogte van 6,5 m met een botenstalling met een afmeting van 6 m bij 1,5 m en een hoogte van 1,2 m naast de sloot aan de westzijde van het perceel. Het bouwplan voor het botenhuis aan de achterzijde van het perceel heeft een afmeting van 14 bij 8,5 m en een hoogte van 6 m.

2. Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, wordt indien het bezwaar- of beroepschrift bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar niet naar het college heeft doorgestuurd voor behandeling als bezwaarschrift, maar uitspraak heeft gedaan.

3.1. Bij brief van 19 maart 2012 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaarschriften tegen twee primaire besluiten. De rechtbank was bevoegd van het geschil kennis te nemen, zodat de rechtbank niet gehouden was het beroepschrift voor behandeling als bezwaarschrift aan het college door te sturen.

Het betoog faalt.

4. Bij besluit van 1 mei 2012 heeft het college opnieuw geweigerd bouwvergunningen te verlenen voor het bouwen van een botenhuis aan de voor- respectievelijk achterzijde van het perceel, omdat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan "Uiterweg Plasoevers 2005" (hierna: het bestemmingsplan). Het college heeft geweigerd op grond van artikel 19, derde lid van de WRO vrijstelling te verlenen, omdat de bouwplannen in strijd zijn met de goede ruimtelijke ordening.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bouwvergunning had moeten verlenen voor zowel het botenhuis aan de voorzijde als aan de achterzijde van het perceel. Hiertoe voert hij aan dat de bouwplannen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan, omdat hij bedrijfsmatig een jachthaven exploiteert.

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voormelde beroepsgrond niet aan een inhoudelijke beoordeling kan worden onderworpen, omdat bij haar uitspraak van 8 september 2010 reeds is overwogen dat de bouwplannen niet ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie van een jachthaven worden gebruikt en het hoger beroep van het college bij uitspraak van 14 december 2010 (in zaak nr. 201010077/2/H1) niet-ontvankelijk is verklaard, waardoor de uitspraak van 8 september 2010 gezag van gewijsde heeft verkregen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid de vrijstelling kon weigeren. In dit kader voert hij aan dat op de plaats van de botenhuizen op zijn perceel geen vista staat getekend op de kaart. Bovendien zullen het reeds gebouwde botenhuis aan de achterzijde van het perceel en het te vernieuwen botenhuis aan de voorzijde van het perceel het doorzicht van de openbare weg naar het meer niet onmogelijk maken. Daarnaast wordt het zicht op het meer reeds door bomen op het perceel belemmerd. Verder voert hij aan dat het Lintenbeleid in tegenstelling tot wat het college stelt wel op open plekken in het lint grote luxe woningen toelaat. Tevens is het botenhuis aan de voorzijde al sinds 1960 aanwezig en was vrijstelling op grond van het eerdere gemeentelijke en provinciale beleid wel mogelijk.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 augustus 2012, in zaak nr. 201203211/1/A1) dient de beslissing van het college om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om vrijstelling te verlenen terughoudend te worden getoetst, gelet op de beleidsvrijheid terzake van het college. Dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

6.2. Op 22 december 2011 is de Nota "Ruimtelijke beoordeling bouwen in de linten van de gemeente Aalsmeer" (hierna: Lintenbeleid) vastgesteld. In deze nota is de Herenweg aangewezen als beeldbepalend historisch lint, waardoor teneinde een grote uitstraling te versterken in de voortuinzone aan de Herenweg geen bebouwing is toegestaan. Daarnaast is de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken afhankelijk van de oppervlakte van het perceel maximaal 60 m² met een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 4,5 m. Hierbij geldt dat de oppervlakte van bestaande erfbebouwing hierop in mindering mag worden gebracht.

Op 8 december 2011 is het Masterplan Herenweg (hierna: Masterplan) vastgesteld. Dit plan vormt een stedenbouwkundig toetsingskader voor nieuwbouwinitiatieven aan de Herenweg en geeft inrichting aan de ontwikkeling van groen, water en recreatie in de omgeving van de Herenweg. Voor de ruimtelijke kwaliteit van de Herenweg is de openheid en zicht over de Westeinderplassen bepalend. In het Masterplan worden daartoe tien nieuwe zogenoemde vista’s in het vooruitzicht gesteld. Deze nieuwe doorzichten worden gepland bij nieuw te bouwen woningen.

6.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 maart 2010, zaaknr. 200906261/1/H2), geldt bij een heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, als uitgangspunt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen en het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt eveneens voor beleidsregels. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van de nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Wel kan in bijzondere gevallen van dit uitgangspunt worden afgeweken. Een zodanig bijzonder geval doet zich hier niet voor. De omstandigheid dat het botenhuis aan de voorzijde al sinds 1960 aanwezig is op het perceel geeft geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken, omdat dat botenhuis van geheel andere aard en omvang was. Bovendien staat niet vast dat op grond van het eerdere gemeentelijke en provinciale beleid het college gehouden was vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO te verlenen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bouwplannen in strijd zijn met het Lintenbeleid. De bouwplannen voldoen niet aan de in dit beleid genoemde voorwaarden betreffende de maximale goot- en bouwhoogte en de bebouwing van het erf buiten de reeds bestaande erfbebouwing in totaal niet meer dan 60 m² mag bevatten. De rechtbank heeft voorts terecht in aanmerking genomen dat het botenhuis aan de voorzijde van het perceel vanaf de openbare weg zichtbaar is, waardoor het zicht vanaf de openbare weg op de plas wordt verhinderd. De op het perceel aanwezige begroeiing ontneemt niet geheel het zicht vanaf de Herenweg op de plas. Het botenhuis aan de achterzijde van het perceel verhindert het zicht vanaf de plas op de Herenweg. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de bouwplannen eveneens in strijd zijn met het Masterplan, waardoor het college in redelijkheid de bouwvergunningen heeft kunnen weigeren.

Het betoog faalt

7. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door voor het botenhuis aan de Herenweg 82 wel vrijstelling te verlenen, terwijl dit botenhuis in dezelfde afmetingen voorziet als het bouwplan, overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat reeds geen sprake is van gelijke gevallen omdat er sprake is van een andere bestemming.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

270-789.