Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1105

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201301175/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:1430, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2012 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een op- en overslag en het gedeeltelijk kappen van een windsingel op het perceel [locatie] te Lelystad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301175/1/A1.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Lelystad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 december 2012 in zaak nr. 12/1747 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2012 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een op- en overslag en het gedeeltelijk kappen van een windsingel op het perceel [locatie] te Lelystad.

Bij uitspraak van 27 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2013, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Bos, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Daar is voorts [belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan, voor zover hier van belang, voorziet in de realisering van een bewaarloods op het perceel met een oppervlakte van 1580 m² en een hoogte van ongeveer 12,5 m. De bewaarloods is vanaf de Zeeasterweg bezien gesitueerd vóór een bestaande loods en de bedrijfswoning. De bewaarloods is op een afstand van ongeveer 27 m van de Zeeasterweg gelegen en de bedrijfswoning is op een afstand van ongeveer 95 m van de Zeeasterweg gelegen.

Het college heeft omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, nu de loods de voorgevelrooilijn overschrijdt.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2009" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch".

Ingevolge artikel 3, onderdeel 3.1, onder a, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijvigheid in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Ingevolge onderdeel 3.2, onder 3.2.3, mogen bedrijfsgebouwen uitsluitend worden gebouwd 5 m achter het verlengde van de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning.

3. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning kon verlenen. Daartoe voeren zij aan dat het college het bouwplan aan een niet bestaande verbeelding heeft getoetst en dat de loods niet binnen het bouwvlak is gesitueerd, zodat sprake is van een grotere afwijking van het bestemmingsplan. Voorts voeren zij aan dat de functie op- en overslag niet past binnen de bestemming. Tevens voeren zij aan dat de ruimtelijke onderbouwing ontoereikend is. In dat verband stellen zij dat de bouw van de loods afbreuk doet aan de openheid van het landschap en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de loods voor de voorgevelrooilijn is gesitueerd. Verder voeren zij aan dat hun belangen onvoldoende zijn afgewogen.

3.1. De rechtbank heeft [appellanten] terecht niet gevolgd in hun betoog dat het college het bouwplan heeft getoetst aan een niet bestaande verbeelding. Ter zitting van de Afdeling is de gewaarmerkte analoge verbeelding bestudeerd en voorts is ter zitting vastgesteld dat het bouwvlak van het perceel overeenkomt met het bouwvlak op de digitale verbeelding. Geen grond is aanwezig voor het oordeel dat de analoge verbeelding niet door de raad van de gemeente Lelystad is vastgesteld en dat die niet behoort bij het bestemmingsplan. De Afdeling heeft ter zitting verder vastgesteld dat het bouwplan binnen het bouwvlak is gesitueerd.

Geen grond is voorts aanwezig voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beoogde functie van de bewaarloods niet in overeenstemming is met de bestemming van het perceel. Volgens de aanvraag voorziet het bouwplan in op- en overslag voor agrarische activiteiten. In een akoestisch onderzoek van LBP Sight van 3 november 2011, dat onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan van 11 november 2011, is vermeld dat de bewaarloods vanaf september wordt gebruikt voor de opslag van uien en aardappels. Deze worden in de loods gedroogd en gekoeld en vanaf februari tot en met mei worden de uien aardappels via vrachtwagens bij de afnemers afgeleverd. Anders dan [appellanten] betogen, voorziet het bouwplan daarmee niet in industriële overslag. Voorts heeft het college ter zitting van de Afdeling toegelicht dat de opslag alleen ziet op eigen gewassen van [belanghebbende].

3.2. De rechtbank heeft verder terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. In de ruimtelijke onderbouwing heeft het college uiteengezet dat het de huidige situering van de bewaarloods, bezien vanuit de Zeeasterweg vóór de bestaande loods, het meest wenselijk acht. Daarbij heeft het van belang mogen achten dat, indien de bewaarloods bezien vanuit de Zeeasterweg naast de bestaande loods zou worden opgericht, het doorzicht naar het achterliggende landschap verder wordt beperkt dan bij realisering van de bewaarloods op de thans gekozen locatie. Voorts heeft het college van belang mogen achten dat die situering bedrijfstechnisch onhandig is en dat daarmee het bouwvlak zou worden overschreden. Voorts heeft het daarbij kunnen betrekken dat het bedrijfstechnisch niet mogelijk is om de loods, bezien vanuit de Zeeasterweg, achter de bestaande loods te plaatsen omdat er onvoldoende ruimte is tussen de bedrijfswoning en de bestaande loods, en dat dit zou leiden tot een onoverzichtelijke indeling van het erf. Het college heeft zich in het besluit van 13 juli 2012 aanvullend op het standpunt gesteld dat het een afwijking van het bepaalde in artikel 3, onderdeel 3.2, onder 3.2.3, van de planregels gerechtvaardigd acht omdat geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen die deze regel beoogt te beschermen. In dat verband heeft het college toegelicht dat bedrijfswoningen in de omgeving gemiddeld genomen op een afstand van ongeveer 25 m van de Zeeasterweg zijn gelegen en dat de bewaarloods op een afstand van ongeveer 27 m van de Zeeasterweg is gelegen. De stelling van [appellanten] dat het bouwplan de openheid van het landschap in onevenredige mate verstoort, kan niet worden gevolgd. Enige aantasting van het landschap ligt immers besloten in het bestemmingsplan, waarin het perceel van een ruim bouwvlak is voorzien waarbinnen bedrijfsgebouwen mogen worden opgericht.

3.3. De rechtbank heeft verder terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van [belanghebbende] bij oprichting van de opslagloods, dan aan de belangen van [appellanten] die zijn gebaat bij weigering van de omgevingsvergunning. Daarbij wordt betrokken dat het college als voorwaarde aan de omgevingsvergunning heeft verbonden dat bomen rondom de bewaarloods en de overige bebouwing worden herplant. Voorts maakt een akoestisch onderzoek onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing, waarin wordt geconcludeerd dat het maximale geluidsniveau van de ventilatoren in de bewaarloods de maximale waarde onderschrijdt.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

531-672.