Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1098

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201211339/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A] Leende" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 110f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/130 met annotatie van F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211339/1/R3.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Leende, gemeente Heeze-Leende,

appellante,

en

de raad van de gemeente Heeze-Leende,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie A] Leende" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door T.J.M. Matheeuwsen, werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door ir. W.M. Siebesma is verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de wijziging van een bedrijfsbestemming in een woonbestemming voor het perceel [locatie A] te Leende. Op het perceel wordt de bouw van een burgerwoning mogelijk gemaakt.

3. [appellante], exploitante van een aannemersbedrijf met betoncentrale, een timmerwerkplaats en een groothandel in bouwmaterialen op het naast het plangebied gelegen perceel [locatie B], betoogt dat aan het perceel [locatie A] ten onrechte de bestemming "Wonen" is toegekend. Zij vreest dat zij door de voorziene woning, die dichter bij haar bedrijf zal komen te staan dan de te slopen bedrijfswoning, in haar bedrijfsvoering zal worden beperkt. Daarnaast stelt zij dat ter plaatse van de voorziene woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, vanwege de aspecten geluid, geur en gevaar. Volgens [appellante] is de raad bij de toepassing van de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) ten onrechte uitgegaan van een gemengd gebied in plaats van een rustige woonwijk. Daarmee heeft hij een onjuiste richtafstand gehanteerd. Bovendien wordt de richtafstand voor het omgevingstype gemengd gebied niet gehaald, nu niet is gemeten vanaf de grens van het perceel van [appellante] Het akoestisch rapport "Akoestisch onderzoek t.b.v. de realisatie van een woning nabij Firma Noten te Leende" van 29 februari 2012, opgesteld door onderzoeksbureau K+Adviesgroep B.V. (hierna: het akoestisch rapport van K+), dat aan het plan ten grondslag ligt, is volgens [appellante] niet zorgvuldig tot stand gekomen. Zo is het akoestisch rapport van K+ niet gebaseerd op concrete geluidmetingen, zijn de daarin gehanteerde kentallen niet realistisch en zijn de bedrijfsactiviteiten in de avond- en nachtperiode niet betrokken in de berekeningen.

[appellante] voert verder aan dat het bouwverbod voor geluidgevoelige ruimten op de begane grond ten onrechte niet tevens de bouw van geluidgevoelige ruimten op de verdieping uitsluit, terwijl uit het akoestisch rapport van K+ blijkt dat ter plaatse een overschrijding van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kan ontstaan. Voor zover het plan de bouw van geluidgevoelige ruimten op de verdieping mogelijk maakt aan de zijde van het perceel van [appellante], had de uitvoering daarvan met zogenoemde dove gevels moeten worden gewaarborgd. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [appellante] naar het tegenrapport "Beoordeling bestemmingsplan [locatie A] in relatie tot bedrijfsvoering [appellante]" van 4 december 2012 dat in haar opdracht is opgesteld door het adviesbureau Peutz.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellante] niet zal worden beperkt in haar bedrijfsvoering en dat bij de voorziene woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Wat betreft de aspecten geur en gevaar wordt voldaan aan de in de VNG-brochure genoemde richtafstanden. Ten aanzien van het aspect geluid stelt de raad zich op het standpunt dat op het perceel van [appellante] een maatbestemming rust en dat dat bedrijf ook bij de voorziene woning aan de geluidnormen van haar milieuvergunning kan voldoen. In het akoestisch onderzoek van K+ is een berekening gemaakt op grond van de bestaande, vergunde bedrijfssituatie. Daaruit blijkt dat bij de bestaande woning op het perceel [locatie A] wordt voldaan aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) in de dagperiode. In de avond- en nachtperiode worden er geen bedrijfsactiviteiten uitgevoerd op het perceel van [appellante], zodat alleen rekening hoeft te worden gehouden met de geluidbelasting in de dagperiode. Nu volgens de bouwtekeningen op de verdieping slaapvertrekken worden gerealiseerd die voornamelijk in de avond- en nachtperiode worden gebruik, hoefde daar volgens de raad in de dagperiode niet te worden gemeten. Omdat er in de avond- en nachtperiode geen bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd op het perceel van [appellante], is volgens de raad voorts geen dove gevel nodig aan de zijde van [appellante] op de verdiepingshoogte.

3.2. Het perceel [locatie A] heeft de bestemming "Wonen" en is voorzien van een bouwvlak. De oostzijde van het bouwvlak, dat aan de kant van het naastgelegen perceel van [appellante] ligt, heeft tevens de aanduiding "specifieke vorm van wonen uitgesloten - geluidsgevoelige ruimte". Ter plaatse van de aanduiding geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 3 en 7 m.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor woningen, al dan niet met inbegrip van een aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen uitgesloten - geluidsgevoelige ruimte" een geluidgevoelige ruimte op de begane grond niet is toegestaan.

3.3. Voor het perceel van [appellante] geldt het bestemmingsplan "Kom Leende-Leenderstrijp". Het perceel heeft in dat bestemmingsplan de bestemming "Bedrijf", de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf", op basis waarvan een aannemersbedrijf / betoncentrale / timmerbedrijfgroot- en detailhandel bouwmaterialen met opslag is toegestaan. Aan het perceel is een bouwvlak toegekend dat ligt op 27 m van de perceelsgrens met de voorziene woning op het perceel [locatie A]. Niet weerlegd is dat de huidige bedrijfsactiviteiten reeds worden beperkt door de bedrijfswoning op het perceel [locatie A] en de op kortere afstand van het perceel gelegen woning op het perceel [locatie C]. Voor de vrees van [appellante] dat zij door de bouw van de voorziene woning als zodanig in haar bedrijfsvoering zal worden belemmerd, bestaat derhalve geen aanleiding. Het betoog faalt.

3.4. Met betrekking tot het betoog over de richtafstanden uit de VNG-brochure is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Veestraat ter plaatse, gelet op de ligging van de voorziene woning aan een doorgaande weg met aan weerszijden woningen en bedrijven, is aan te merken als een gemengd gebied. Voor de aspecten geur en gevaar in een gemengd gebied hanteert de VNG-brochure met betrekking tot de ter plaatse toegelaten bedrijfsactiviteiten een richtafstand van 10 m tot gevoelige bestemmingen die met een stap naar 0 m mag worden verlaagd. Nu de afstand van de grens van het perceel van [appellante] tot de gevel van de voorziene woning ongeveer 8 m bedraagt, wordt aan deze richtafstand voldaan. Dat van een onjuiste richtafstandsbepaling is uitgegaan, zoals [appellante] stelt, is niet aannemelijk gemaakt.

3.5. Niet in geschil is dat ten aanzien van geluid niet wordt voldaan aan de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstand voor geluid in een gemengd gebied. Bij de beoordeling van de vraag of ter plaatse niettemin een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, heeft de raad gebruik gemaakt van het akoestisch rapport van K+. Uit het akoestisch onderzoek van K+ blijkt dat onderzoek is verricht naar de geluidbelasting van alle relevante bedrijfsactiviteiten, met inbegrip van de verkeersbewegingen op het perceel van [appellante]. De milieuvergunning van [appellante] van 6 juni 1994 is voor het onderzoek als uitgangspunt genomen. Mede in aanmerking genomen de maatbestemming en de ligging van het bouwvlak, is niet aannemelijk gemaakt dat deze invulling geen representatieve invulling is van de maximale planologische mogelijkheden.

Ten aanzien van het betoog dat de bedrijfsactiviteiten in de avond- en nachtperiode niet zijn betrokken in het akoestisch onderzoek van K+, overweegt de Afdeling dat in dat onderzoek de vergunde situatie als uitgangspunt is genomen. Uit de vergunningaanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, volgt dat de meeste activiteiten tussen 9.00 en 17.30 uur plaatsvinden. Het ontwikkelen van activiteiten in de nacht is niet voor alle activiteiten toegestaan. Zo is op grond van artikel 4.4 van de vergunning de aanvoer van goederen alleen in de dagperiode toegestaan. De raad heeft onweersproken gesteld dat ingevolge deze bepaling de betoncentrale in de avond- en nachtperiode niet in werking kan zijn. Voor zover activiteiten gedurende de avond- en nachtperiode niet zijn verboden, kan, zo stelt de raad, met die uitbreiding aan de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften niet worden voldaan. De raad wijst erop dat ingevolge artikel 4.3 van de vergunning in de avond- en nachtperiode - anders dan in de dagperiode - incidentele piekgeluiden als gevolg van laad- en losactiviteiten niet uitgesloten zijn van toetsing. Zonder aanvullende maatregelen kan, zo heeft de raad onweersproken gesteld, [appellante] de vergunde activiteiten niet uitvoeren buiten de dagperiode. Onder deze omstandigheden is in het akoestisch rapport van K+ bij de berekening van de geluidbelasting van de juiste uitgangspunten uitgegaan.

3.6. In de milieuvergunning zijn voorschriften opgenomen over de equivalente en maximale geluidniveaus ter plaatse van een niet tot de inrichting behorende woning of andere geluidgevoelige bestemmingen. De geluidimmissie ten gevolge van de inrichting dient te voldoen aan 50 dB(A) etmaalwaarde in de dagperiode. Berekend is of de geluidimmissie bij de voorziene woning hieraan voldoet. Daarbij is gebruik gemaakt van elders bij een vergelijkbare inrichting uitgevoerde geluidmetingen, omdat de betoncentrale ten tijde van de meting niet in werking was. De raad heeft toegelicht dat een feitelijke meting ter plaatse niet mogelijk was, omdat de betoncentrale, die een sterke bijdrage levert aan de hoogte van het totale geluidniveau, al geruime tijd niet in werking is. Het akoestisch onderzoek van K+ is daarom gebaseerd op de resultaten van geluidmetingen die zijn verricht bij een andere, vergelijkbare inrichting. Voor de aard, de bedrijfsduur en de locatie van de gehanteerde geluidbronnen is gebruikt gemaakt van door [appellante] verstrekte informatie. De Afdeling acht deze wijze van beoordelen niet onredelijk. De door [appellante] bedoelde geluidmetingen zijn niet vereist en het is niet ongebruikelijk om gebruik te maken van uitgevoerde berekeningen in een vergelijkbare situatie.

Het door [appellante] overgelegde tegenrapport geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de gehanteerde kentallen in het akoestisch rapport van K+ niet representatief zijn. Hierbij is van belang dat voor de berekening van de toelaatbare geluidniveaus in het akoestisch onderzoek van K+ de milieuvergunning als uitgangspunt is genomen. Daarnaast is de inventarisatie van de geluidbronnen in overleg met [appellante] tot stand gekomen.

3.7. Met betrekking tot het betoog dat het verbod voor geluidgevoelige ruimten op de begane grond, de bouw van geluidgevoelige ruimten op de verdieping niet uitsluit, is het volgende van belang. Uit het akoestisch onderzoek van K+ volgt dat in de dagperiode op de zij- en achtergevel van de voorziene woning een overschrijding van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau plaatsvindt. In het plan is daarom in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels gelezen in samenhang met de verbeelding bepaald dat aan de zijde van de voorziene woning die grenst aan het perceel van [appellante] geen geluidgevoelige ruimten op de begane grond zijn toegestaan. Het plan, dat ter plaatse een bouwhoogte van 7 m kent, sluit geluidgevoelige ruimten op de verdieping echter niet uit.

Uit het akoestisch onderzoek van K+ volgt dat indien bij de voorziene woning aan de zijde van het perceel van [appellante] wel geluidgevoelige ruimten mogelijk zijn, het plan slechts aanvaardbaar is, indien deze ruimten worden uitgevoerd met een dove gevel als bedoeld in artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder. Dit is planologisch echter niet verzekerd.

De raad heeft zich, gelet op het voorgaande, niet op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de voorziene woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd met betrekking tot het aspect geluid. De Afdeling is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

4. [appellante] betoogt voorts dat ten aanzien van de voorziene woning ten onrechte de gecumuleerde geluidbelasting van industrielawaai van omliggende bedrijven in samenhang met het wegverkeerslawaai niet is onderzocht. Voor zover de raad aanvullende berekeningen heeft uitgevoerd, zijn deze onjuist. Volgens [appellante] is daarbij voor het geluidniveau in de voorziene woning ten onrechte gerekend met een aftrek van 2 dB. Op de achtergevel van de voorziene woning zal een geluidbelasting optreden van 50 dB, waardoor de gecumuleerde geluidbelasting 55 dB bedraagt. In dat geval wordt met een isolatiewaarde van de gevel van 20 dB niet voldaan aan de vereiste binnenwaarde van 33 dB.

4.1. De raad stelt dat in het akoestisch onderzoek "Herbouw woonboerderij aan de [locatie A] te Leende (wegverkeerslawaai)" van 28 mei 2010, opgesteld door adviesbureau K&M (hierna: het akoestisch onderzoek van K&M), is ingegaan op gecumuleerde geluidbelasting vanwege de rijksweg A2 en de Strijperstraat. De gecumuleerde geluidbelasting van industrielawaai van omliggende bedrijven en verkeerslawaai zal volgens de raad niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woning.

4.2. Bij besluit van 17 september 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders voor de voorziene woning op het perceel [locatie A] hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het wegverkeer vastgesteld van 58 dB. In het akoestisch onderzoek van K&M dat aan het besluit ten grondslag ligt, is de gecumuleerde geluidbelasting vanwege het wegverkeer van de rijksweg A2 en de Strijperstraat berekend. In aanvulling op het akoestisch onderzoek van K&M heeft de raad, in het kader van de beoordeling of van een goede ruimtelijke ordening sprake is, een oordeel gegeven over de cumulatie van industrielawaai van omliggende bedrijven en wegverkeerslawaai. Volgens de raad zal de geluidbelasting op de achtergevel niet leiden tot een onredelijk geluidniveau, omdat nieuwe woningen volgens de eisen van artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 een gevelwering moeten hebben van ten minste 20 dB, zodat een binnenwaarde van 33 dB kan worden gehaald. Met betrekking tot de gecumuleerde geluidbelasting in de tuin is er volgens de raad sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie, omdat de voorziene woning, anders dan in de huidige situatie, zal worden afgeschermd door het zwembad en de garage.

Gelet op het voorgaande heeft de raad, anders dan [appellante] stelt, de gecumuleerde geluidbelasting van industrielawaai en wegverkeer onderzocht. De raad heeft erkend dat daarbij ten onrechte 2 dB in mindering is gebracht. Dat als gevolg hiervan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, acht de Afdeling evenwel niet aannemelijk. De Afdeling ziet geen grond voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de raad dat een binnenwaarde van 33 dB kan worden gehaald en dat er een verbetering zal optreden in de tuin. Dienaangaande heeft de raad ter zitting verklaard dat de gevel van de voorziene woning zodanig is ontworpen en zal worden uitgevoerd dat een hogere isolatiewaarde, dan 20 dB, gegarandeerd zal worden en dat hiermee de vereiste binnenwaarde van 33 dB zal worden gehaald. Het betoog faalt.

5. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels niet is verzekerd dat de bouw van geluidgevoelige ruimten op de verdieping is uitgesloten dan wel dat geluidgevoelige ruimten op de verdieping zullen worden uitgevoerd met een dove gevel, is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

6. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Voorts ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, een voorlopige voorziening te treffen om onomkeerbare ontwikkelingen te voorkomen.

7. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Heeze-Leende van 17 september 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie A] Leende", voor zover in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels niet is verzekerd dat de bouw van geluidgevoelige ruimten op de verdieping zijn uitgesloten dan wel dat geluidgevoelige ruimten op de verdieping zullen worden uitgevoerd met een dove gevel;

III. draagt de raad van de gemeente Heeze-Leende op om binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor het onder II genoemde onderdeel en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. treft de voorlopige voorziening dat totdat een nieuw besluit is genomen en in werking treedt als bedoeld onder III, bouwen van geluidgevoelige ruimten op de verdieping niet is toegestaan;

V. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Heeze-Leende tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Heeze-Leende aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdentien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

45-662.