Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1091

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201210486/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "1e partiële herziening bestemmingsplan Kleine Kernen, [locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210486/1/R1.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Nuth,

2. de vereniging Vereniging voor Natuur- en milieueducatie, afdeling Nuth (hierna: IVN), gevestigd te Hulsberg, gemeente Nuth,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nuth,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "1e partiële herziening bestemmingsplan Kleine Kernen, [locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en IVN beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2013, waar [appellant sub 1] en anderen, bij monde van [appellant sub 1], IVN, vertegenwoordigd door [bestuurslid] van de vereniging, en de raad, vertegenwoordigd door R.T.J. Stevens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door ing. H.N.J.M. Steins, werkzaam bij Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V., als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet op verzoek van [belanghebbende] in de realisering van vier woningen op de percelen kadastraal bekend als sectie […], perceelnummers […] en […], gemeente Nuth (hierna: [locatie]) met een voormalige agrarische bestemming. Hiervan worden drie woningen gerealiseerd in het kader van de provinciale Ruimte-voor-Ruimte-regeling (hierna: RvR-regeling) zoals neergelegd in de aanvulling "Ruimte voor Ruimte Zuid-Limburg" op het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: POL-aanvulling). De [locatie] ligt in de kern Grijzegrubben.

Ter plaatse exploiteerde [belanghebbende] tot enkele jaren geleden een vleeskalvermesterij, die werd aangemerkt als een intensieve veehouderij. De aanwezige bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken, bedrijfsgebouwen, mestsilo’s en erfverhardingen zullen ten behoeve van de realisering van het plan in het kader van de RvR-regeling worden gesloopt.

Belanghebbendheid en ontvankelijkheid

3. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover het is ingesteld door personen die op een afstand van meer dan 100 m van het plangebied wonen, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat die personen geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang hebben.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 1 A], niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze persoon geen zienswijze heeft ingediend.

3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

3.2. [appellant sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellant sub 1 D], [appellant sub 1 E], [appellant sub 1 F], [appellante sub 1 G], [appellant sub 1 H], [appellant sub 1 I], [appellant sub 1 J], [appellant sub 1 K], [appellant sub 1 L], [appellante sub 1 M], [appellant sub 1 N], [appellante sub 1 O], [appellant sub 1 P], [appellante sub 1 Q], [appellant sub 1 R], [appellant sub 1 S], [appellant sub 1 T], [appellante sub 1 U], [appellant sub 1 V], [appellant sub 1 W], [appellant sub 1 X], [appellant sub 1 Y], [appellant sub 1 Z], [appellant sub 1 Aa], [appellant sub 1 Ba], [appellant sub 1 Ca], [appellante sub 1 Da], [appellant sub 1 Ea], [appellant sub 1 Fa], [appellant sub 1 Ga], [appellant sub 1 Ha], [appellant sub 1 Ia], [appellant sub 1 Ja], [appellant sub 1 Ka], [appellant sub 1 La], [appellant sub 1 Ma], [appellant sub 1 Na] en [appellante sub 1 Oa] wonen op een afstand van meer dan 100 m van het plangebied. Vanuit hun woning hebben zij, onder meer gelet op de hoogteverschillen in het plangebied, geen zicht op de ontwikkelingen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op de door hen bestreden plandelen mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat voormelde personen geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, geen beroep kunnen instellen.

Ten aanzien van [appellant sub 1 A] stelt de Afdeling vast dat [appellant sub 1 A] geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die over het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. [appellant sub 1 A] heeft de omstandigheid dat hij eerst na afloop van de zienswijzetermijn in de gemeente aan de [locatie], gelegen op een afstand van ongeveer 24 m van het plangebied, is komen wonen, hetgeen de raad niet heeft bestreden, als rechtvaardiging aangevoerd. [appellant sub 1 A] kan derhalve redelijkerwijs niet worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] en anderen ontvankelijk voor zover ingesteld door [appellant sub 1], [appellante sub 1 Pa], [appellant sub 1 Qa], [appellant sub 1 Ra], [appellant sub 1 Sa], [appellant sub 1 Ta], [appellant sub 1 Ua], [appellant sub 1 Va], [appellant sub 1 Wa], [appellant sub 1 Xa], [appellante sub 1 Ya], [appellant sub 1 Za], [appellante sub 1 Ab], [appellant sub 1 Bb], [appellant sub 1 Cb], [appellant sub 1 Db], [appellante sub 1 Eb], [appellant sub 1 Fb], [appellante sub 1 Gb], [appellant sub 1 Hb], [appellante sub 1 Ib] en [appellant sub 1 A] (hierna: [appellant sub 1] en anderen).

4. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van IVN gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij in haar beroepschrift voor een deel andere beroepsgronden aanvoert dan zij in haar zienswijze naar voren heeft gebracht.

4.1. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. IVN heeft in haar zienswijze gronden aangevoerd die zien op het gehele plan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep van IVN gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren.

De formele beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen en IVN

5. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat belanghebbenden in een te laat stadium bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken. De raad heeft hierdoor essentiële keuzes in het plan ten onrechte overgelaten aan [belanghebbende]

5.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing en kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerpplan bij de raad naar voren brengen.

5.2. Het voeren van overleg met omwonenden en het bieden van inspraak maken geen deel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het ontbreken van overleg dan wel het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. De omstandigheid dat essentiële keuzes in het plan zijn overgelaten aan [belanghebbende], wat daarvan ook zij, doet niet af aan het feit dat belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

6. Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat de raad in de Nota zienswijzen en in de publicatie van het bestreden besluit in het huis-aan-huis-blad een onjuiste beroepstermijn heeft vermeld, overweegt de Afdeling dat in de publicatie van de vaststelling van het bestemmingsplan, anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, wel de juiste beroepstermijn is genoemd. Niet is gebleken dat belanghebbenden door de onjuistheid in de Nota zienswijzen zijn benadeeld, nog daargelaten dat in de Wro, noch in enige andere wettelijke bepaling de verplichting is opgenomen de beroepstermijn in de Nota zienswijzen op te nemen.

7. [appellant sub 1] en anderen en IVN betogen dat de omstandigheid dat in een aantal (ontwerp)plannen en stukken verschillende benamingen worden gebruikt voor dezelfde ontwikkeling, verwarring schept.

7.1. Hoewel in een aantal plannen en stukken verschillende benamingen zijn gebruikt voor dezelfde ontwikkeling, wordt in iedere benaming de [locatie] genoemd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de verschillende benamingen zodanig verwarrend zijn dat niet duidelijk is op welke ontwikkeling gedoeld wordt. Het betoog faalt.

De planregeling

8. Aan gronden gelegen in het noordelijke en oostelijke deel van het plangebied is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. Aan gronden gelegen in het zuidelijke deel van het plangebied is de bestemming "Groen" toegekend. Aan gronden gelegen in het midden van het plangebied is de bestemming "Wonen" toegekend. Voorts is aan de gronden gelegen tussen de gronden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Wonen" de bestemming "Natuur" toegekend.

8.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. duurzaam agrarisch bedrijfsmatig gebruik;

b. behoud en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorisch en archeologische waarden;

c. oppervlaktewaterbeheersing en erosiebestrijding;

d. bescherming van aangrenzend natuurgebied, de zogenaamde buffering;

e. ter plaatse van de aanduiding "tuin" is het gebruik van de gronden als tuin toegestaan;

met daaraan ondergeschikt:

f. ontsluiting van de afzonderlijke percelen;

g. recreatief medegebruik en wandelpaden;

h. duurzaam, bodem- en waterbeheer, tevens wateropvang/buffering en infiltratie.

Ingevolge lid 3.3.1 moeten de landschappelijke inpassing en mitigerende maatregelen van de [locatie] op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" binnen een termijn van twee jaar na het onherroepelijk worden van onderhavig bestemmingsplan zijn aangelegd overeenkomstig het inrichtingsplan (lees: landschapsplan) en dient vervolgens aldus in stand te worden gehouden;

Ingevolge lid 3.3.2 wordt onder landschapsplan in deze planregels verstaan de ‘Landschappelijke inpassing en mitigerende maatregelen ‘Ruimte-voor-Ruimteplan [locatie]’, [locatie], […] Nuth - PNR 6361GM2-041011/030512’ gedateerd 4 oktober 2011/3 mei 2012, opgesteld door Ir. Guido Paumen, Tuin- en landschapsarchitect Bnt (bijlage 8 van de toelichting).

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. gebruik als weiland en openbare groenvoorzieningen, zoals plantsoenen, waterpartijen met de daarbij behorende voet-, fiets- en wandelpaden en andere voorzieningen;

b. voorzieningen ten behoeve van openbaar nut;

c. duurzaam, bodem- en waterbeheer, tevens wateropvang/buffering en infiltratie.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen dubbelbestemmingen of aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels zoals bepaald in dit plan.

Ingevolge lid 4.3.1 moeten de landschappelijke inpassing en mitigerende maatregelen van de [locatie] op de gronden met de bestemming "Groen" binnen een termijn van twee jaar na het onherroepelijk worden van onderhavig bestemmingsplan zijn aangelegd overeenkomstig het inrichtingsplan (lees: landschapsplan) en dient vervolgens aldus in stand te worden gehouden;

Ingevolge lid 4.3.2 wordt onder landschapsplan in deze planregels verstaan de ‘Landschappelijke inpassing en mitigerende maatregelen ‘Ruimte-voor-Ruimteplan [locatie]’, [locatie], […] Nuth - PNR 6361GM2-041011/030512’ gedateerd 4 oktober 2011/3 mei 2012, opgesteld door Ir. Guido Paumen, Tuin- en landschapsarchitect Bnt (bijlage 8 van de toelichting).

Ingevolge lid 4.4.1 wordt onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wro ten minste verstaan het gebruik van de grond anders dan voor standplaats voor de verkoop van goederen en diensten, promotie, markten, kermissen en evenementen, mits het geen belemmering voor de verkeersafwikkeling vormt en het geen onomkeerbare verandering van de onder 4.1 genoemde doeleinden tot gevolg heeft.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de ontwikkelingen van natuurlijke en landschappelijke waarden, de verbetering van het milieu en de natuurlijke levensgemeenschappen;

b. water en waterinfiltratie;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 5.3.1 moeten de landschappelijke inpassing en mitigerende maatregelen van de [locatie] op de gronden met de bestemming "Natuur" binnen een termijn van twee jaar na het onherroepelijk worden van onderhavig bestemmingsplan zijn aangelegd overeenkomstig het inrichtingsplan (lees: landschapsplan) en dient vervolgens aldus in stand te worden gehouden;

Ingevolge lid 5.3.2 wordt onder landschapsplan in deze planregels verstaan de ‘Landschappelijke inpassing en mitigerende maatregelen ‘Ruimte-voor-Ruimteplan [locatie]’, [locatie], 6361 GM Nuth - PNR 6361GM2-041011/030512’ gedateerd 4 oktober 2011/3 mei 2012, opgesteld door Ir. Guido Paumen, Tuin- en landschapsarchitect Bnt (bijlage 8 van de toelichting).

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. duurzaam bodem- en waterbeheer, tevens wateropvang/buffering en infiltratie;

c. met de daarbij behorende voorzieningen.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen dubbelbestemmingen of aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels zoals bepaald in dit plan.

Ingevolge lid 7.2.1 mogen op de voor "Wonen" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd vrijstaande woningen, bijgebouwen en de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen.

Ingevolge lid 7.3.1 moeten de landschappelijke inpassing en mitigerende maatregelen van de [locatie] op de gronden met de bestemming "Wonen" binnen een termijn van twee jaar na het onherroepelijk worden van onderhavig bestemmingsplan zijn aangelegd overeenkomstig het inrichtingsplan (lees: landschapsplan) en dient vervolgens aldus in stand te worden gehouden;

Ingevolge lid 7.3.2 wordt onder landschapsplan in deze planregels verstaan de ‘Landschappelijke inpassing en mitigerende maatregelen ‘Ruimte-voor-Ruimteplan [locatie]’, [locatie], 6361 GM Nuth - PNR 6361GM2-041011/030512’ gedateerd 4 oktober 2011/3 mei 2012, opgesteld door Ir. Guido Paumen, Tuin- en landschapsarchitect Bnt (bijlage 8 van de toelichting).

8.2. In het voorgaande bestemmingsplan "1e herziening Buitengebied", vastgesteld door de raad bij besluit van 16 mei 2000, en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Limburg bij besluit van 12 december 2000, golden voor de [locatie] de bestemming "Agrarisch bouwblok", voorzien van een aantal bouwvlakken, en de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden".

Ingevolge artikel 10, lid A, aanhef en onder a, b, en c, waren de op de plankaart met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" aangewezen gronden bestemd voor duurzaam agrarisch gebruik, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden en de bescherming van aangrenzend natuurgebied, de zogenaamde buffering.

Ingevolge artikel 11, lid A, van de voorschriften bij dat plan waren de op de plankaart met de bestemming "Agrarisch bouwblok" aangewezen gronden bestemd voor:

- agrarische bedrijven met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;

- bestaande agrarische bedrijven met een geheel of in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering,

met de daarbij behorende voorzieningen.

De materiële beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen

9. [appellant sub 1] en anderen betogen onder verwijzing naar een brief van het college van burgemeester en wethouders dat de raad het plan had moeten intrekken vanwege de grote tegenstand door omwonenden.

9.1. Niet in geschil is dat in een brief van het college van burgemeester en wethouders aan Aelmans Ruimtelijke Ontwikkeling & Milieu van 2 maart 2010 staat dat indien blijkt dat om welke reden dan ook te veel weerstand vanuit bewoners of anderszins belanghebbenden tegen het plan ontstaat, de raad altijd het recht heeft om het noodzakelijke bestemmingsplan niet vast te stellen, indien het algemeen belang hierdoor ernstig geschaad wordt.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat de raad het plan niet zou vaststellen indien te veel weerstand vanuit bewoners of anderszins belanghebbenden zou bestaan. Uit de brief aan Aelmans Ruimtelijke Ontwikkeling & Milieu volgt niet meer dan dat de raad de bevoegdheid heeft om een bestemmingsplan niet vast te stellen. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. De Afdeling overweegt voorts dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het maatschappelijk draagvlak voor het plan slechts een van de belangen is die wordt meegenomen in de belangenafweging. Gelet op het voorgaande faalt het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de raad het plan niet had moeten vaststellen vanwege de grote tegenstand door omwonenden.

10. [appellant sub 1] en anderen betogen dat, gelet op de structurele bevolkingskrimp in de regio, de economische crisis en de huidige woningmarkt in Nederland en in Zuid-Limburg in het bijzonder, geen behoefte bestaat aan de voorziene woningen. Volgens hen is het plan gelet op deze omstandigheden niet haalbaar en zij vrezen voor leegstand. Voorts wijzen zij erop dat het college van burgemeester en wethouders op 15 maart 2011 heeft besloten het Woningbouwprogramma Nuth 2011-2020 (hierna: het Woningbouwprogramma) te heroverwegen. In het nadere stuk benadrukken [appellant sub 1] en anderen, onder verwijzing naar verschillende bronnen, dat sprake is van bevolkingskrimp in Zuid-Limburg en in het bijzonder in Parkstad Limburg, waar Nuth deel van uitmaakt.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het kader van de Regionale Woonvisie 2006-2012 (hierna: Regionale Woonvisie) het Woningbouwprogramma is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 6 maart 2012. In het Woningbouwprogramma zijn volgens de raad, met inachtneming van de demografische ontwikkelingen in de regio, de vier voorziene woningen opgenomen met de hoogste prioritering. Voorts wijst de raad erop dat het gaat om vier vrije sector bouwkavels met een ruime omvang en dat in de omgeving geen soortgelijke kavels staan of zijn voorzien.

10.2. De Afdeling stelt voorop dat naar aanleiding van het betoog van [appellant sub 1] en anderen moet worden bezien of binnen de planperiode behoefte bestaat aan de realisering van de voorziene drie woningen. Immers, één van de vier voorziene woningen treedt in de plaats van de bestaande bedrijfswoning die als gevolg van het plan zal worden geamoveerd.

De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat in de Regionale Woonvisie en het Woningbouwprogramma rekening is gehouden met bevolkingskrimp en dat uit die stukken volgt dat, ondanks die krimp, behoefte bestaat aan de drie voorziene woningen. De Afdeling acht dat standpunt niet onredelijk, nu het feit dat sprake is van bevolkingskrimp niet met zich brengt dat in het geheel geen woningbouw meer aan de orde zou zijn. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat is gebleken dat stedelingen uit het nabijgelegen Maastricht belangstelling hebben voor woningen in het landelijk gebied. Voor zover [appellant sub 1] en anderen vrezen voor leegstand overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting erop heeft gewezen dat het om bouwkavels met een ruime omvang in de vrije sector gaat en dat in de omgeving geen soortgelijke kavels voor handen zijn, zodat in een specifieke behoefte wordt voorzien. Verder heeft de raad er ter zitting op gewezen dat het college van burgemeester en wethouders op 6 maart 2012 heeft besloten af te zien van de bouw van 16 woningen in het centrum van Schimmert en heeft [belanghebbende] ter zitting onweersproken gesteld dat in de directe omgeving van het plangebied geen omvangrijke nieuwbouw is voorzien. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van het plan geen onevenredige toename van het woningaanbod plaatsvindt. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen de planperiode behoefte bestaat aan de realisering van de drie voorziene woningen.

Het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat het college van burgemeester en wethouders eerder zou hebben besloten het Woningbouwprogramma te heroverwegen maakt dat oordeel niet anders. De Afdeling overweegt in dat verband dat het college van burgemeester en wethouders op 6 maart 2012 in het kader van de verlenging van het woonbeleid voor Parkstad Limburg en de daartoe behorende Regionale Woonvisie opnieuw heeft ingestemd met het Woningbouwprogramma. Gelet hierop heeft de raad het Woningbouwprogramma in redelijkheid ten grondslag kunnen leggen aan het bestreden besluit.

11. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de RvR-regeling niet kan worden toegepast, omdat het doel van die regeling, te weten vermindering van het versteende oppervlak, niet wordt behaald. Volgens hen kunnen immers de gronden binnen het gehele bestemmingsvlak "Wonen", dus ook de tuinen bij de voorziene woningen, worden verhard.

[appellant sub 1] en anderen betogen voorts dat de RvR-regeling onjuist is toegepast. Zij voeren in dat verband aan dat het voormalige bedrijf op de [locatie], anders dan de raad stelt, niet in een lint/cluster ligt. Volgens hen zijn daarom de voorwaarden uit de RvR-regeling van toepassing die gelden voor een bedrijf dat buiten het lint/cluster ligt. Verder betogen [appellant sub 1] en anderen dat de compensatiewoningen ten onrechte buiten de rode contour worden gerealiseerd.

Voorts dient de locatie voor de compensatiewoningen volgens de RvR-regeling passend te zijn, maar is daarvan met de [locatie] geen sprake. Zij wijzen op de Bekerbaan in Schimmert als een meer geschikte locatie. Het plan leidt volgens hen tot een onaanvaardbare aantasting van de open ruimte tussen de kernen Grijzegrubben en Nierhoven, waardoor die hun identiteit verliezen.

De omstandigheid dat de Stichting Kwaliteitscommissie Limburg (hierna: de Kwaliteitscommissie) positief heeft geadviseerd over de voorziene ontwikkeling doet naar de opvatting van [appellant sub 1] en anderen aan het voorgaande niet af, omdat in dat advies geen rekening is gehouden met de huidige economische omstandigheden, wateroverlast en nabijgelegen natuurgebieden.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de RvR-regeling in het onderhavige geval kan worden toegepast en dat aan de voorwaarden uit die regeling is voldaan.

11.2. Aan gronden gelegen in het midden van het plangebied is de bestemming "Wonen" toegekend. Zie overweging 8.1 voor artikel 7, leden 7.1 en 7.2.1 van de planregels.

11.3. In de POL-aanvulling, vastgesteld door provinciale staten in 2004, wordt aangegeven in welke situaties en onder welke randvoorwaarden gemeenten in Zuid-Limburg medewerking kunnen verlenen aan de RvR-regeling Zuid-Limburg.

In de POL-aanvulling staat dat het hoofddoel van de RvR-regeling is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Limburg door de sloop van (agrarische) bedrijfsgebouwen welke niet in het landschap passen en dit ontsieren, en daarmee een aantasting van het basiskapitaal vormen. Om dit doel te bereiken mogen in ruil voor het duurzaam en substantieel slopen van bedrijfsgebouwen, op passende locaties één of meerdere compensatiewoningen worden gebouwd. Ontstening staat in de RvR-regeling centraal. De RvR-regeling schrijft voor dat per 750 m² sloop van (bedrijfs)gebouwen de mogelijkheid bestaat om één (compensatie)woning te realiseren.

In de RvR-regeling staat een aantal algemene randvoorwaarden, waaronder de voorwaarde dat compensatiewoningen binnen de rode contour moeten worden gebouwd, dan wel, indien dit niet haalbaar blijkt, op de kavel dan wel in een lint/cluster. Bij het bouwen van de compensatiewoning hanteert de provincie ten aanzien van de locatiekeuze de onderstaande prioritering:

- voor (voormalige) bedrijven gelegen in linten/clusters

1. Compensatiewoningen dienen, met het oog op de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied van Zuid-Limburg, bij voorkeur binnen de rode contouren zoals deze zijn aangewezen in de Partiële streekplanherziening openruimte- en bufferzonebeleid Zuid-Limburg gebouwd te worden. De initiatiefnemer dient in overleg met de gemeente de mogelijkheden van woningbouw binnen de rode contour zorgvuldig te onderzoeken en het resultaat hiervan inzichtelijk te maken;

2. Indien terugbouw binnen de rode contour niet mogelijk is, komt de kavel waar gesloopt wordt in aanmerking voor een compensatiewoning. Indien het een reeds beëindigd bedrijf betreft, waarvan de bouwkavel niet meer is opgenomen in een vigerend bestemmingsplan, dan dient de (agrarische) bedrijfskavel te worden genomen zoals deze was vastgesteld vóór de bedrijfsbeëindiging;

3. Voor zover de compensatiewoning niet op planologisch verantwoorde wijze op de sloopkavel kan worden gerealiseerd, kan gezocht worden naar een andere locatie binnen hetzelfde lint/cluster. Hierbij komen alleen inbreidingslocaties binnen linten/clusters in aanmerking. De bouw van een compensatiewoning mag niet leiden tot uitbreiding van een lint/cluster;

4. Tenslotte kan voor compensatiewoningen gezocht worden naar verantwoorde woningbouwlocaties in andere linten of clusters binnen het gebied waar de RvR-regeling van toepassing is.

- voor (voormalige) bedrijven gelegen buiten linten/clusters

1. Ook voor deze bedrijven geldt dat in eerste instantie naar de mogelijkheid van een woning binnen de rode contour dient te worden gekeken. De initiatiefnemer dient in overleg met de gemeente de mogelijkheden van woningbouw binnen de rode contour zorgvuldig te onderzoeken en het resultaat hiervan inzichtelijk te maken.

2. Indien terugbouw van een woning binnen de rode contour niet mogelijk is, komt in tweede instantie een nabijgelegen lint/cluster in aanmerking voor een compensatiewoning.

3. Als dit niet mogelijk is, komen andere linten of clusters in aanmerking.

4. Tenslotte komt de kavel waar gesloopt wordt in aanmerking voor een compensatiewoning. Deze vierde mogelijkheid geldt niet voor bedrijven die in de POG gelegen zijn buiten linten/clusters.

Volgens de RvR-regeling wordt als een cluster of lint beschouwd een in het buitengebied gelegen verzameling gebouwen die op een geringe afstand van elkaar gelegen zijn, en die zich manifesteert als een bij elkaar horende eenheid van behoorlijke omvang in het landschap. Een cluster of lint kan hiermee gezien worden als een tussenvorm tussen verspreid liggende bebouwing enerzijds en een in het POL door contouren begrensde kern anderzijds. Een lint kenmerkt zich hierbij door een langgerekte vorm. Een cluster of lint van bebouwing kan alleen als zodanig aangemerkt worden als er sprake is van een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebieds-en niet-buitengebiedsfuncties.

11.4. De Afdeling overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad niet slechts rekening heeft willen houden met de provinciale RvR-regeling. De raad heeft dit beleid tot het zijne gemaakt en toegepast, zodat de bouw van drie van de vier voorziene woningen op de locatie [locatie] alleen mogelijk is indien aan de voorwaarden uit de RvR-regeling is voldaan. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat het plan in strijd is met de RvR-regeling, overweegt de Afdeling als volgt.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan geen ontstening als bedoeld in de RvR-regeling tot gevolg heeft omdat ook de tuinen binnen het bestemmingsvlak "Wonen" verhard kunnen worden, overweegt de Afdeling dat in de RvR-regeling is opgenomen dat indien een (voormalig) (agrarisch) bedrijf minimaal 750 m² aan bestaande bedrijfsgebouwen sloopt, het recht ontstaat om daarvoor één compensatiewoning te bouwen. Uit de RvR-regeling volgt niet dat onder ontstening niet alleen het beperken van agrarische bebouwing, maar ook het tegengaan van verharding van gronden wordt verstaan. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat het bedrijf op de [locatie] buiten het lint/cluster ligt, overweegt de Afdeling gelet op de definitie van een lint/cluster in de RvR-regeling, dat ten westen van het bedrijf een lint van bebouwing in de vorm van woningen ligt en dat die woningen op geringe afstand van elkaar gelegen zijn. Het perceel [locatie] sluit direct op dat lint aan. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het bedrijf in een lint/cluster ligt.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat de compensatiewoningen ten onrechte zijn voorzien buiten de rode contour, overweegt de Afdeling dat de raad in de stukken te kennen heeft gegeven dat eerder in overleggen met de gemeente en de provincie is bezien of binnen de rode contour mogelijkheden bestonden voor woningbouw, maar dat is gebleken dat die er niet waren. Zo beschikt [belanghebbende] niet over gronden binnen de rode contour en bestaat er ook geen reële mogelijkheid tot aankoop daarvan. [appellant sub 1] en anderen hebben dit niet bestreden. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat binnen de rode contour geen mogelijkheden waren voor de realisering van de compensatiewoningen. De stelling van [appellant sub 1] en anderen dat de compensatiewoningen op de locatie Bekerbaan te Schimmert moeten worden voorzien omdat die locatie in de RvR-regeling is aangewezen voor compensatiebouw, is gelet op de prioritering in die regeling voor (voormalige) bedrijven gelegen in linten/clusters onjuist, omdat ook die locatie buiten de rode contour ligt. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich, naar het oordeel van de Afdeling, overeenkomstig de RvR-regeling terecht op het standpunt gesteld dat de sloopkavel, zijnde de [locatie], is aangewezen als terugbouwlocatie. De Afdeling betrekt hierbij dat de Kwaliteitscommissie van de provincie Limburg ook een positief advies over die locatie heeft uitgebracht. Dat in dat advies geen rekening is gehouden met de door [appellant sub 1] en anderen genoemde omstandigheden doet aan het oordeel niet af, nu de Kwaliteitscommissie enkel beziet of het plan zich verdraagt met de RvR-regeling. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad, wat betreft de locatie, van de RvR-regeling had moeten afwijken.

11.5. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat de beoogde locatie in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat ter plaatse open ruimte verdwijnt waardoor de kernen Grijzegrubben en Nierhoven hun identiteit verliezen, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat om te bepalen of de locatie passend is niet de situatie ná sloop van de bedrijfsbebouwing als uitgangspunt moet worden genomen, maar de situatie vóór sloop van de bedrijfsbebouwing. De RvR-regeling ziet immers op een verbetering van, planologisch gezien, bestaande onwenselijke situaties. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat geen sprake is van een bestaand bedrijf dat verdwijnt en dus geen sprake is van een onwenselijke situatie, overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat [belanghebbende] op die locatie weliswaar feitelijk geen vleeskalvermesterij meer exploiteert, maar nog wel beschikt over een daarop betrekking hebbende milieuvergunning. Bovendien geldt, indien het voorliggende plan niet zou zijn vastgesteld, op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "1e herziening Buitengebied" voor de gronden op die locatie nog altijd een bestemming die een intensieve veehouderij mogelijk maakt. Gelet op voormelde omstandigheden verzet planologisch gezien zich niets er tegen dat zich ter plaatse een (andere) intensieve veehouderij vestigt in de directe nabijheid van een relatief gezien groot aantal burgerwoningen. Dat [appellant sub 1] en anderen de vestiging van een intensieve veehouderij ter plaatse feitelijk niet reëel achten, is gelet op het voorgaande niet van belang.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich onder voormelde omstandigheden in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een verbetering van een bestaande, planologisch gezien, onwenselijke situatie. De door [appellant sub 1] en anderen aangedragen omstandigheid dat de tuinen binnen de bestemming "Wonen" ten onrechte geheel verhard kunnen worden, doet aan het voorgaande niet af. Weliswaar staat het plan er niet aan in de weg dat tuinen binnen de bestemming "Wonen" geheel worden verhard, maar een algehele verharding van de tuinen is niet reëel te achten. De Afdeling acht van belang dat verhardingen ter plaatse slechts zijn toegestaan indien de verhardingen kunnen worden gerelateerd aan voormelde bestemming. Nog daargelaten dat een algehele verharding van de tuinen niet reëel is te achten, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ook geen aanleiding voor het oordeel dat een algehele verharding van de tuinen in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de [locatie] voor de bouw van de vier woningen in strijd zou zijn met de goede ruimtelijke ordening.

12. In de enkele stelling van [appellant sub 1] en anderen dat als gevolg van het plan de wateroverlast zal toenemen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat daarvoor moet worden gevreesd. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat in de huidige situatie sprake is van wateroverlast bij hun woningen. Voorts acht de Afdeling van belang dat het waterschap Roer en Overmaas naar aanleiding van de melding van de voorziene ontwikkeling een positief wateradvies heeft uitgebracht.

13. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de voorziene woningbouw tot een onaanvaardbare aantasting leidt van het groen ter plaatse. Verder leidt het plan tot een aantasting van de ontwikkeling van het nabijgelegen Platsbeekdal, hetgeen volgens hen in strijd is met de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg, vastgesteld door de raden van de gemeenten Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Onderbanken, Simpelveld en Voerendaal op 2 november 2009, die tevens geldt voor de gemeente Nuth, en de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg aanvulling Nuth. [appellant sub 1] en anderen voeren verder aan dat als gevolg van het plan ten onrechte de ecologische verbinding tussen de helling en het plateau in het plangebied wordt aangetast. Dat geldt volgens hen tevens voor verscheidene kwetsbare natuurgebieden rondom het plangebied, te weten de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS), de Provinciale Ontwikkelingszone Groen (hierna: POG), het Bodembeschermingsgebied Mergelland, een Natura 2000-gebied, een hamsterkernleefgebied en een ecologische verbindingszone.

Voorts wijzen zij op een uitspraak van de Afdeling van 10 december 1998, zaak nr. E01.97.0525 (aangehecht). Daarin had de Afdeling in de bezwaren tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg tot onthouding van goedkeuring aan een plan waarin woningbouw in Nuth mogelijk werd gemaakt, geen aanleiding gezien om te oordelen dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het belang bij instandhouding van natuur- en landschapswaarden had kunnen laten prevaleren boven het belang bij woningbouw.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor het desbetreffende perceel onder het voorgaande bestemmingsplan "1e herziening Buitengebied" een agrarische bestemming gold en een bouwvlak was toegekend waar het mogelijk was grootschalige agrarische bebouwing op te richten. Met het plan wordt het groene karakter in het plangebied juist aanzienlijk versterkt. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het plangebied niet in een te beschermen natuurgebied ligt en ook anderszins geen te beschermen natuurwaarden bevat. Voorts wordt het omliggende gebied niet aangetast door het plan.

13.2. In de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg staat dat een van de ontwikkelafspraken inhoudt het realiseren van een landschappelijke kwaliteitsimpuls door middel van de versterking van de landschappelijke hoofdstructuur onder meer gericht op beekdalen. Er wordt een project genoemd dat is gericht op de versterking van de Geleenbeek en haar zijbeken Platsbeek en Hulsbergerbeek.

In de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg aanvulling Nuth staat dat binnen de bestaande ontwikkelafspraak ten aanzien van het Platsbeekdal ook het behoud en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden hoort. Natuur en bos, water, recreatie en kleinschalig toerisme, landschap en cultuurhistorie zijn essentieel voor een sterk ruimtelijk profiel.

13.3. De Afdeling stelt vast dat, gelet op de kaart bij de POL-herziening op onderdelen EHS, vastgesteld door provinciale staten op 14 oktober 2005, zoals opgenomen op pagina 19 van de plantoelichting, het plangebied niet in een te beschermen natuurgebied ligt en geen te beschermen natuurwaarden bevat als bedoeld in de POL-aanvulling. Voorts overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat op het perceel thans groen aanwezig is, onverlet laat dat het voorgaande plan toestond dat een intensieve veehouderij met grootschalige agrarische bebouwing op het perceel kon worden opgericht en dat ter plaatse thans reeds ruim 2.000 m2 aan agrarische bebouwing aanwezig is. Het voorliggende plan voorziet op een relatief klein deel van het perceel [locatie] in vier woningen en voor het overige in overwegende mate in groen, gelet op de aan de overige gronden toegekende bestemmingen "Agrarisch met waarden", "Groen" en "Natuur" alsmede gelet op het landschapsplan "Landschappelijke inpassing en mitigerende maatregelen ‘Ruimte-voor-Ruimteplan [locatie]’, van 4 oktober 2011 en 3 mei 2012, van Paumen, Tuin- en landschapsarchitect Bnt (hierna: het landschapsplan) op grond waarvan het plangebied conform de planregels door [belanghebbende] moet worden ingericht. In het landschapsplan worden de helling en het plateau juist geaccentueerd door de aanleg van een doornstruweel aan het begin van de helling en de aanleg van een foerageergebied op het plateau, dat vrij komt te liggen door de sloop van agrarische bebouwing. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het groen en de ecologische verbinding tussen de helling en het plateau in het plangebied, maar juist een versterking vormt van het groene karakter. De Afdeling ziet in de uitspraak van de Afdeling van 10 december 1998, zaak nr. E01.97.0525, geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een gelijke situatie als de onderhavige. Weliswaar gaat het in die uitspraak om dezelfde helling, maar betreft het percelen die elders in Nuth gelegen zijn en bovendien maakt het voorliggende plan niet de toevoeging van zes woningen mogelijk, zoals in de genoemde uitspraak het geval was, maar slechts drie woningen.

In de enkele omstandigheid dat het plangebied in de nabijheid van het Platsbeekdal ligt, ziet de Afdeling onvoldoende grond voor het oordeel dat het Platsbeekdal als gevolg van het plan wordt aangetast. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd zou zijn met de Intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg en de aanvulling voor Nuth daarop. Voorts hebben [appellant sub 1] en anderen onvoldoende gemotiveerd waarom het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van nabijgelegen natuurgebieden, zodat ook dat betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige en het beroep van IVN

14. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat uit flora- en faunaonderzoek en eigen ervaringen blijkt dat verscheidene beschermde diersoorten zich in het plangebied bevinden, waaronder de das, vleermuizen, eekhoorns en vogelsoorten. In het onderzoek wordt nader onderzoek aanbevolen, zodat het eenmalige onderzoek ontoereikend is.

Ook IVN vreest als gevolg van het plan voor een aantasting van het leef- en foerageergebied van de das en de in het plangebied aanwezige dassenburcht. IVN betoogt in dat verband dat, gelet op het rapport "Nader onderzoek naar de aanwezigheid van dassen in plangebied [locatie] te Nuth" van juni 2011 van de stichting Stichting Das & Boom (hierna: het rapport van Das & Boom), aan een te klein oppervlak aan gronden de bestemming "Natuur" is toegekend en daarmee aan een te groot oppervlak de bestemming "Wonen". Volgens IVN is het leefgebied voor de dassen hierdoor te beperkt. Voorts betoogt IVN dat de gebruiksmogelijkheden binnen de bestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Groen" die aan gronden in het plangebied zijn toegekend te ruim zijn en geen recht doen aan de ter plaatse aanwezige te beschermen natuurwaarden. Volgens IVN had aan die gronden een natuurbestemming moeten worden toegekend.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit verschillende onderzoeken volgt dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) in beginsel niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de bestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Groen" zijn toegekend op basis van de inrichting zoals die is voorgeschreven in het landschapsplan, dat is opgenomen als bijlage bij de plantoelichting en waarnaar in de planregels wordt verwezen. In dit landschapsplan zijn de in het rapport van Das & Boom opgenomen mitigerende maatregelen overgenomen.

14.2. Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, derde lid, kan de minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a.

14.3. In de notitie "Natuurwaardenonderzoek [locatie] te Nuth, Quick Scan" van 4 januari 2010 van Peeters Econsult is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in het plangebied. In de quickscan wordt geconcludeerd dat nader onderzoek naar een aantal diersoorten noodzakelijk is om te bepalen of een ontheffing op grond van de Ffw nodig is.

In de notitie "Aanvullend faunaonderzoek [locatie] te Nuth" van 8 juli 2010 van Peeters Econsult (hierna: het aanvullend onderzoek) is naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan nader onderzoek verricht en is aandacht besteed aan de dassenburcht in het gebied. In het plangebied is de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en steenmarter vastgesteld. De eekhoorn, steenuil, ransuil, sperwer en het vliegend hert zijn niet aangetroffen, maar gezien de lage trefkans kan de aanwezigheid van het vliegend hert niet geheel worden uitgesloten in het hoogstgelegen deel van het plangebied dat echter niet door bouwactiviteiten of tuinaanleg wordt verstoord. Als gevolg van de voorziene ontwikkeling zijn geen nadelige effecten te verwachten voor de verschillende soorten vleermuizen, de eekhoorn, steenuil, ransuil en sperwer en het vliegend hert. Indien de bosschages op de eerste helling behouden blijven en indien aan de voet van de helling een dicht doornstruweel wordt aangebracht zijn eveneens geen nadelige effecten te verwachten voor de das. Indien de schuren buiten de werp- en zoogperiode van de steenmarters worden gesloopt is evenmin een ontheffing noodzakelijk voor de steenmarter.

In het rapport van Das & Boom is op verzoek van omwonenden in opdracht van de gemeente Nuth opnieuw onderzoek verricht naar de aanwezigheid van dassen in het plangebied en de omgeving daarvan en is onderzocht of, en zo ja, onder welke voorwaarden, woningbouw in het beoogde plangebied toelaatbaar is. Volgens het rapport is de voorziene ontwikkeling toegestaan, nu de gunstige staat van instandhouding van de das door de afbraak van de stallen en de aanleg van vier woningen niet in geding komt. Een ontheffing op grond van de Ffw is volgens het rapport van Das & Boom wat betreft de das niet nodig indien de volgende mitigerende maatregelen worden uitgevoerd:

1. Om inloop vanuit tuinen in het bosgebied te ontmoedigen dient een voor mens en hond ondoordringbare haag aangebracht te worden met besdragende soorten die voornamelijk bestaat uit meidoorn en hondsroos. Naast de barrièrewerking die hiervan uitgaat heeft de das ook nog extra voedsel;

2. De overgebleven graslanden in het zuidelijk deel van het plangebied dienen begraasd of regelmatig gemaaid (niet verschralen) te worden zodat dassen makkelijk bij hun belangrijkste voedselbron, de regenworm, kunnen komen;

3. Voor verbetering van het voedselgebied dienen langs de nieuwe toegangsweg hagen met besdragende soorten te worden aangeplant;

4. Indien een wandelpad vanuit de weg Grijzegrubben naar het Geisbergervoetpad wordt aangelegd dient aan weerszijden van dit pad ten noorden van het plangebied een dassenvriendelijke haag te worden aangelegd. De aanwezige (voormalige) graft tussen grasland en akkergebied (foto 3) dient weer in ere hersteld te worden;

5. De afbraak van de stallen dient overdag plaats te vinden in de voor de das minst kwetsbare tijd tussen augustus en december. Dit geldt zeker voor de twee stallen op het plateautje nabij de dassenburcht;

6. Bij de afbraak van de stallen dient de aanwezige vegetatie zo min mogelijk te worden aangetast. Vooral de aanwezige dekking nabij de dassenburcht is van belang;

7. Om het verlies aan foerageergebied te compenseren dient het plateautje ingericht te worden als dassenvriendelijk weiland (in het bestemmingsplan wordt dit gebied aangeduid met "Agrarisch met waarden"). Aangezien de ondergrond hier uit zand bestaat zal vóór het inzaaien van het gras een vruchtbare toplaag moeten worden aangebracht. Dit grasland dient zo te worden beheerd dat een gezonde wormenpopulatie kan ontstaan. De voorkeur gaat uit naar beweiding door koeien of schapen. Naast de bemesting wordt het gras dan ook kort gehouden door het vee, waardoor dassen de aanwezige wormen kunnen bemachtigen;

8. De aanleg van hoogstamfruitbomen in het grasland in het zuidelijke deel van het plangebied en direct ten noorden van het plangebied biedt de dassen nog een extra voedselbron (valfruit).

14.4. In het landschapsplan is opgenomen op welke wijze het plangebied moet worden ingericht. In het landschapsplan zijn de mitigerende maatregelen uit het rapport van Das & Boom opgenomen.

De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Over het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat in verband met de aanwezigheid van beschermde diersoorten en over de vrees van IVN voor aantasting van de dassenburcht, overweegt de Afdeling dat naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten in het plangebied onderzoek is gedaan. Uit de verschillende onderzoeken en in het bijzonder uit het rapport van Das & Boom volgt dat voor de aangetroffen diersoorten geen ontheffing op grond van de Ffw hoeft te worden aangevraagd, maar dat wel mitigerende maatregelen moeten worden getroffen zodat geen overtreding plaatsvindt van de verbodsbepalingen artikel 10 en 11 van de Ffw. [appellant sub 1] en anderen en IVN hebben niet gesteld dat voormelde onderzoeken zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevatten dat de raad zich hierop niet had mogen baseren. Over het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat het plan is vastgesteld in strijd met de Ffw in verband met de aanwezigheid van diersoorten overweegt de Afdeling dat zij geen gegevens hebben overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse te beschermen diersoorten bevinden. De enkele stelling dat zij ter plaatse geregeld beschermde diersoorten waarnemen acht de Afdeling in dit verband onvoldoende.

Ten aanzien van het betoog van IVN dat het plan en het landschapsplan in strijd zijn met het rapport van Das & Boom omdat in het plan aan een te klein oppervlak de bestemming "Natuur" is toegekend en omdat het doornstruweel in het landschapsplan te noordelijk in het plangebied is voorzien, overweegt de Afdeling dat in het rapport van Das & Boom enkel staat dat om inloop vanuit tuinen in het bosgebied, zijnde de natuur, te ontmoedigen een ondoordringbare haag met onder meer meidoorn aangebracht moet worden. Uit de tekeningen bij het landschapsplan volgt dat die haag ook tussen de tuinen en het bos is voorzien. In het rapport van Das & Boom is niets opgenomen over de grootte van het gebied met de bestemming "Natuur". IVN heeft niet aannemelijk gemaakt dat het leefgebied voor de dassen te klein wordt en dat het doornstruweel op een andere, meer zuidelijke, plek zou moeten worden aangelegd. Gelet op het voorgaande faalt het betoog.

Voorts moet in het kader van de uitvoerbaarheid worden bezien of het plan niet aan de uitvoering van de mitigerende maatregelen in de weg staat. De Afdeling overweegt dat de mitigerende maatregelen zijn opgenomen in het landschapsplan. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat, zoals IVN betoogt, de planregels te algemeen geformuleerd zijn waardoor onzeker zou zijn of de mitigerende maatregelen worden uitgevoerd, omdat in artikel 3, leden 3.3.1 en 3.3.2, artikel 4, leden 4.3.1 en 4.3.2, artikel 5, leden 5.3.1 en 5.3.2 en artikel 7, leden 7.3.1 en 7.3.2, van de planregels is opgenomen dat de gronden in het plangebied met de bestemmingen "Agrarisch met waarden", "Groen", "Natuur" en "Wonen" overeenkomstig het landschapsplan moeten worden ingericht en in stand moeten worden gehouden. Voor zover IVN betoogt dat aan de gronden met de bestemmingen "Groen" en "Agrarisch met waarden" te ruime gebruiksmogelijkheden zijn toegekend, overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling overweegt dat IVN niet aannemelijk heeft gemaakt dat ter plaatse van die gronden natuurwaarden aanwezig zijn die een zodanige bescherming behoeven dat voor die gronden enkel de bestemming "Natuur" passend zou zijn. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat de raad ter zitting te kennen heeft gegeven dat de bestemming "Natuur" aan de gronden gelegen in het midden van het plangebied is toegekend vanwege de aanwezigheid van de das ter plaatse. Voorts staan de in artikel 3, lid 3.1 en artikel 4, lid 4.1, van de planregels beschreven bestemmingsomschrijvingen niet in de weg aan de uitvoering van de mitigerende maatregelen. Wel overweegt de Afdeling dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een standplaats voor de verkoop van goederen en diensten, promotie, markten, kermissen en evenementen, die op grond van artikel 4, lid 4.4.1 van de planregels op gronden met de bestemming "Groen" zijn toegestaan, verenigbaar zijn met de te treffen mitigerende maatregelen. Het standpunt van de raad ter zitting dat die bepaling in het plan kan worden opgenomen, omdat die aansluit op de planregeling bij het bestemmingsplan "Kleine kernen", dat voor nabijgelegen gronden is vastgesteld, maakt het voorgaande niet anders.

Voor zover IVN aanvoert dat onduidelijk is hoe het beheer van de gronden in het plangebied zal geschieden en dat gelet op de inhoud van de overeenkomst tussen de gemeente en [belanghebbende] en het feit dat de mitigerende maatregelen ook zien op gronden die niet in het plangebied zijn opgenomen, onvoldoende zeker is of de mitigerende maatregelen wel worden uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat in deze procedure enkel de vraag voor ligt of de raad zich al dan niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Gelet op onder meer de overeenkomst tussen de gemeente en [belanghebbende] en de planregels ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat eraan moet worden getwijfeld dat de mitigerende maatregelen worden uitgevoerd.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich, behalve wat betreft artikel 4, lid 4.4.1, van de planregels, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Conclusie en proceskostenveroordeling

15. In hetgeen IVN heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 4, lid 4.4.1, van de planregels, is genomen in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd.

Voor het overige is het beroep van IVN ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Als gevolg van de vernietiging van artikel 4, lid 4.4.1, van de planregels mogen de gronden met de bestemming "Groen" niet worden gebruikt als standplaats voor de verkoop van goederen en diensten, promotie, markten, kermissen en evenementen.

16. De raad dient ten aanzien van IVN op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 1 B], [appellante sub 1 C], [appellant sub 1 D], [appellant sub 1 E], [appellant sub 1 F], [appellante sub 1 G], [appellant sub 1 H], [appellant sub 1 I], [appellant sub 1 J], [appellant sub 1 K], [appellant sub 1 L], [appellante sub 1 M], [appellant sub 1 N], [appellante sub 1 O], [appellant sub 1 P], [appellante sub 1 Q], [appellant sub 1 R], [appellant sub 1 S], [appellant sub 1 T], [appellante sub 1 U], [appellant sub 1 V], [appellant sub 1 W], [appellant sub 1 X], [appellant sub 1 Y], [appellant sub 1 Z], [appellant sub 1 Aa], [appellant sub 1 Ba], [appellant sub 1 Ca], [appellante sub 1 Da], [appellant sub 1 Ea], [appellant sub 1 Fa], [appellant sub 1 Ga], [appellant sub 1 Ha], [appellant sub 1 Ia], [appellant sub 1 Ja], [appellant sub 1 Ka], [appellant sub 1 La], [appellant sub 1 Ma], [appellant sub 1 Na] en [appellante sub 1 Oa], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de vereniging IVN, Vereniging voor Natuur- en milieueducatie, afdeling Nuth gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nuth van 18 september 2012 waarbij het bestemmingsplan "1e partiële herziening bestemmingsplan Kleine Kernen, [locatie]" is vastgesteld, voor zover het betreft artikel 4, lid 4.4.1, van de planregels;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en de vereniging IVN, Vereniging voor Natuur- en milieueducatie, afdeling Nuth voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Nuth tot vergoeding van bij de vereniging IVN, Vereniging voor Natuur- en milieueducatie, afdeling Nuth in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 52,68 (zegge: tweeënvijftig euro en achtenzestig cent);

VI. gelast dat de raad van de gemeente Nuth aan de vereniging IVN, Vereniging voor Natuur- en milieueducatie, afdeling Nuth het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Bošnjaković

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

410-668.