Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201209644/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:5122, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2012 heeft de burgemeester [appellant] een huisverbod opgelegd voor een periode van tien dagen met betrekking tot de woning aan de [locatie] te Schiedam. Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft de burgemeester het opgelegde huisverbod met een aansluitende periode van achttien dagen verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209644/1/A3.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Schiedam,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2012 in zaken nrs. 408033/KG ZA 12-684 en 407850/F1 RK 12/2991 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Schiedam.

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2012 heeft de burgemeester [appellant] een huisverbod opgelegd voor een periode van tien dagen met betrekking tot de woning aan de [locatie] te Schiedam. Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft de burgemeester het opgelegde huisverbod met een aansluitende periode van achttien dagen verlengd.

Bij mondelinge uitspraak van 30 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] tegen die besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.J.M. Vélu, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S.C. Lap en E.J. van Zelm, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) wordt in deze wet onder huisverbod verstaan, een beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

2. De burgemeester heeft het besluit van 15 augustus 2012 tot oplegging van het huisverbod onder meer gebaseerd op een ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) van 15 augustus 2012. Directe aanleiding voor het opleggen van het huisverbod waren twee incidenten op 14 augustus 2012, waarbij [appellant] bedreigingen heeft geuit jegens zijn vrouw. De burgemeester heeft tevens aan het besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] in de voorafgaande periode twee keer eerder een huisverbod opgelegd heeft gekregen en dat de frequentie van geweld blijft toenemen. Het slachtoffer en haar dochter vrezen toekomstig geweld, aldus de burgemeester.

Aan het besluit van 23 augustus 2012 tot verlenging van het huisverbod heeft de burgemeester een beleidsadvies van die datum ten grondslag gelegd. Hieruit volgt volgens de burgemeester dat [appellant] en zijn vrouw lijnrecht tegenover elkaar staan. Indien zij weer zouden worden herenigd, bestaat een gerede kans dat het weer mis gaat. De kinderen in het gezin ondervinden hiervan schade. Daarbij komt dat voor de derde keer een huisverbod is afgegeven en het niet mogelijk is om tot goede en concrete afspraken met [appellant] te komen. De vrouw zal door toekenning van urgentie waarschijnlijk op korte termijn de woning verlaten. Tot dat moment blijft de situatie precair en bestaat grote kans op recidive, aldus de burgemeester.

3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de burgemeester niet in redelijkheid tot de besluiten van 15 augustus 2012 en 23 augustus 2012 heeft kunnen komen. Hij voert hiertoe aan dat geen ernstig en onmiddellijk gevaar bestond voor de veiligheid van zijn vrouw en kinderen, noch een vermoeden daarvan, ondanks de spanningen tussen hen. [appellant] ontkent dat hij zijn vrouw heeft bedreigd of heeft mishandeld en stelt dat zij valselijk aangifte tegen hem heeft gedaan. Het vermeende dreigende gevaar is niet objectief vastgesteld, nu dit uitsluitend op de stellingen van zijn vrouw is gebaseerd, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 april 2013 in zaak nr. 201209190/1/A3), is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, dient de burgemeester zorgvuldig te overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester terughoudend getoetst.

3.2. Volgens het proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond bestonden de incidenten, die de directe aanleiding voor het opleggen van het huisverbod vormden, uit bedreigingen met de dood door [appellant] aan het adres van zijn vrouw. Zijn vrouw heeft verklaard dat hij heeft gezegd: "Ik maak je dood, ik maak je af". Zij heeft ook verklaard dat hij haar wilde slaan, maar dat haar zwager er tussen is gesprongen. Hij heeft haar in de middag mishandeld en daar is politie bij geweest, aldus de verklaring van de vrouw. De kinderen waren hierbij aanwezig. Volgens de rapportage ‘situatie ter plaatse’ van 14 augustus 2012 is [appellant] die middag na een eerder huisverbod bij de woning langs geweest om zijn kinderen te zien dan wel om spullen uit de woning te halen. Na het bezoek heeft hij buiten zijn vrouw hard bij haar bovenarm vastgepakt en gezegd: "Je hebt geluk dat de kinderen er zijn, anders had ik je vermoord. Je gaat toch wel een keer dood", aldus de rapportage. Ook hierbij waren de kinderen aanwezig.

Met een enkele ontkenning heeft [appellant] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn vrouw niet heeft bedreigd. Gelet op de hiervoor genoemde stukken, het RiHG en de omstandigheden dat de vrouw meermalen aangifte heeft gedaan bij de politie en zo snel na een eerder opgelegd huisverbod weer een confrontatie heeft plaatsgevonden, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de burgemeester heeft mogen aannemen dat gevaar dan wel een vermoeden daarvan bestond in de zin van artikel 2 van de Wth. De burgemeester was derhalve bevoegd [appellant] een tijdelijk huisverbod op te leggen. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd vormt geen grond om te oordelen dat de burgemeester van deze bevoegdheid geen gebruik heeft mogen maken.

3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201113352/1/A3), is bij de beoordeling of de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.

3.4. Uit het zorgadvies van het Steunpunt Huiselijk Geweld en het beleidsadvies van de gemeente, beide van 23 augustus 2012, volgt dat [appellant] een intake heeft gehad bij het DOK, een instelling die zich op ambulante forensische psychiatrie richt, maar dat de behandeling nog niet is begonnen. Tevens is het niet mogelijk met [appellant] tot afspraken te komen over het betreden van de woning en de omgang met de kinderen. De vrouw heeft urgentie gekregen voor een andere woning en zal op korte termijn de woning verlaten. Een verlenging van het huisverbod is derhalve geïndiceerd, zodat de vrouw zonder verdere escalatie de woning kan verlaten, aldus de adviezen.

[appellant] heeft in hoger beroep niet bestreden dat hij ten tijde van het besluit tot verlenging van het huisverbod nog niet met de behandeling bij het DOK was begonnen, zoals gesteld in het zorgadvies. Voorts heeft [appellant] ter zitting bij de Afdeling gesteld dat hij in behandeling was bij GGZ Delftlanden, maar niet dat hij dat ten tijde van het betreffende besluit al was. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat niet kan worden gezegd dat de hulpverlening in voldoende mate op gang was gekomen.

Daarbij komt dat met [appellant] bij zijn vorige huisverbod de afspraak was gemaakt dat hij ook na afloop van het huisverbod de woning niet zou betreden. Hier heeft hij zich niet aan gehouden. De burgemeester heeft daarom geen vertrouwen in nieuwe afspraken met [appellant] over het niet betreden van de woning totdat diens vrouw die heeft verlaten. Gelet op de toegekende urgentie wordt verwacht dat de vrouw spoedig een nieuwe woning zal vinden. De burgemeester heeft met de verlenging van het huisverbod een nieuwe confrontatie willen voorkomen.

Gelet op de bovenstaande omstandigheden, dat nog geen reële aanvang met de hulpverlening is gemaakt en naar het oordeel van de burgemeester geen nadere afspraken met [appellant] over zijn verblijf kunnen worden gemaakt tot het moment dat de vrouw de woning heeft verlaten, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat de burgemeester heeft mogen aannemen dat het ernstige vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar, dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning oplevert voor de veiligheid van zijn vrouw en kinderen, zich ten tijde van de verlenging van het huisverbod voortzette. Derhalve heeft de burgemeester in redelijkheid het aan [appellant] opgelegde huisverbod kunnen verlengen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

176-773.