Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201209264/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 5 maart 2012 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209264/1/V1.

Datum uitspraak: 4 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 24 augustus 2012 in zaken nrs. 12/10916 en 12/10918 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]; tezamen hierna: de vreemdelingen

en

de minister.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 5 maart 2012 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 24 augustus 2012 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het in de rede had gelegen dat hij de vreemdelingen een taalanalyse had aangeboden, nu de jonge leeftijd van de vreemdelingen, de posttraumatische stressstoornis (hierna: ptss) van vreemdeling 2 en het analfabetisme van vreemdeling 1 hun verklaringen kunnen hebben beïnvloed. De staatssecretaris voert daartoe aan dat van de verklaringen van de vreemdelingen over hun herkomst geen positieve overtuigingskracht uitgaat en dat een taalanalyse derhalve niet aan de orde is. De staatssecretaris voert voorts aan dat uit de overgelegde brief van 1 juni 2012 van de psychiater van vreemdeling 2 niet blijkt dat de ptss haar vermogen adequaat te verklaren, heeft beïnvloed. Uit de omstandigheid dat de Nidos-vertegenwoordiger gedurende het nader gehoor heeft opgemerkt dat vreemdeling 2 bij haar de indruk wekt een verstandelijke achterstand te hebben, blijkt dat evenmin, reeds omdat niet is gebleken dat die vertegenwoordiger een medisch deskundige is, aldus de staatssecretaris. Ten slotte doen de leeftijd van de vreemdelingen en het analfabetisme van vreemdeling 1 er volgens hem niet aan af dat zij gedetailleerd en consistent hadden kunnen verklaren over hun directe woonomgeving en dat niet hebben gedaan.

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is het aan een vreemdeling om zijn gestelde herkomst aannemelijk te maken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2012 in zaak nr. 201101307/1/V3 volgt dat de staatssecretaris hem daarin weliswaar tegemoet kan komen door een taalanalyse te laten verrichten indien bij hem twijfel is gerezen over de door die vreemdeling gestelde herkomst en als gevolg daarvan over diens gestelde identiteit en nationaliteit, doch daartoe niet is gehouden en daarvan in redelijkheid kan afzien indien hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van die vreemdeling positieve overtuigingskracht mist.

2.2. In de besluiten van 5 maart 2012 en de daarin ingelaste voornemens van 12 januari 2012 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij uit Eelasha Biyaha en Mogadishu komen, dat hun asielrelazen daardoor positieve overtuigingskracht missen en derhalve ongeloofwaardig zijn. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat het bevreemdingwekkend is dat vreemdeling 1 geen bijzonderheden kan noemen over Eelasha Biyaha en heeft verklaard dat de lokale bevolking geen last had van de zon, terwijl in 2011 sprake was van grote droogte en een daardoor veroorzaakte hongersnood. Voorts acht de staatssecretaris het opvallend dat vreemdeling 2 over haar gestelde geboorteplaats Usili geen informatie kan verstrekken en niet weet wanneer zij in Mogadishu in de wijk Hamarweyne is komen wonen. De staatssecretaris heeft het daarnaast bevreemdingwekkend geacht dat de vreemdelingen geen namen kunnen noemen van aan Hamarweyne grenzende wijken. Bovendien hebben de vreemdelingen volgens de staatssecretaris onderling tegenstrijdig verklaard, nu vreemdeling 2 heeft verklaard dat zij een groot deel van haar leven in Hamarweyne heeft gewoond met vreemdeling 1, terwijl vreemdeling 1 in eerste instantie heeft verklaard dat zij sinds hij een kleine jongen was in Eelasha Biyaha hebben gewoond, later dat hij voor een periode van meer dan een jaar en tot een jaar geleden in Hamarweyne heeft gewoond en weer later dat hij op verschillende plaatsen buiten Mogadishu heeft gewoond.

2.3. In de brief van de psychiater is vermeld dat bij vreemdeling 2 een ptss is gediagnosticeerd. Hieruit volgt echter niet dat de ptss haar vermogen adequaat te verklaren heeft beïnvloed. Dit volgt evenmin uit voormelde opmerking van de Nidos-vertegenwoordiger gedurende het nader gehoor, te minder nu niet is gebleken dat de vertegenwoordiger medisch deskundig is.

De rapporten van de gehoren bieden voorts geen aanknopingspunten voor de conclusie dat tijdens deze gehoren geen rekening is gehouden met de jeugdige leeftijd van de vreemdelingen. De vreemdelingen, die, naar gesteld, twintig en zeventien jaar oud waren ten tijde van hun inreis, hebben volgens de rapporten van eerste gehoor en van nader gehoor te kennen gegeven dat zij zich geestelijk en lichamelijk in staat voelen om het gehoor te laten plaatsvinden. Voorts is in de rapporten van nader gehoor vermeld dat de vreemdelingen hebben verklaard dat zij tevreden zijn over de manier waarop de gesprekken zijn verlopen.

De staatssecretaris is in het besluit van 5 maart 2012 betreffende vreemdeling 1 ingegaan op het analfabetisme door te overwegen dat in het advies van MediFirst van 17 juli 2011 weliswaar is vermeld dat vreemdeling 1 analfabeet is en niet exact alle data weet, maar dat daaruit niet volgt dat vreemdeling 1 niet kan worden tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard met vreemdeling 2 over hun gestelde levensloop en dat vreemdeling 1 zelf ook tegenstrijdig is in zijn verklaringen. Ook heeft de staatssecretaris vermeld dat met het analfabetisme in het voornemen rekening is gehouden, maar dat is gebleken dat vreemdeling 1 basale dingen over zijn directe woonomgeving niet weet.

2.4. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de leeftijd van de vreemdelingen, de ptss van vreemdeling 2 en het analfabetisme van vreemdeling 1 er niet aan in de weg staan dat hen de onder 2.2 weergegeven tegenstrijdigheden en ongerijmdheden kunnen worden tegengeworpen. De rechtbank heeft evenmin onderkend dat de staatssecretaris zich derhalve in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van de vreemdelingen over hun gestelde herkomst positieve overtuigingskracht missen en daarom in redelijkheid van het verrichten van een taalanalyse heeft kunnen afzien.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 5 maart 2012 toetsen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. Vreemdeling 2 heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte haar gehele asielrelaas ongeloofwaardig heeft geacht, door bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas geen rekening te houden met de aspecten die niet zien op haar herkomst.

4.1. Nu de staatssecretaris zich, zoals onder 2.4 overwogen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van vreemdeling 2 over haar gestelde herkomst positieve overtuigingskracht missen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van de verklaringen van vreemdeling 2 over de daar door haar ondervonden problemen evenmin positieve overtuigingskracht uitgaat.

De beroepsgrond faalt.

5. De inleidende beroepen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 24 augustus 2012 in zaken nrs. 12/10916 en 12/10918;

III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013

488-790