Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201300338/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft het college het verzoek van [appellant] om van invordering van de verbeurde dwangsommen af te zien, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300338/1/A1.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 november 2012 in zaak nr. 12/2079 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van de Ronde Venen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft het college het verzoek van [appellant] om van invordering van de verbeurde dwangsommen af te zien, afgewezen.

Bij besluit van 1 mei 2012 heeft het college het verzoek van [appellant] aangemerkt als een verzoek om toepassing te geven aan artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het door hem tegen het besluit van 8 maart 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de weigering om toepassing te geven aan artikel 5:34, eerste lid, van de Awb gehandhaafd.

Bij uitspraak van 13 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.R. Jaarsma, advocaat te Vinkeveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.H.J. de Jonge en mr. E.G. Schuurman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 26 juli 2010 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 2.000,00 voor elke periode van vier weken dat de overtreding wordt voortgezet met een maximum van € 26.000,00, gelast om de permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [locatie] te Vinkeveen te beëindigen en beëindigd te houden. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. Niet in geschil is dat de overtreding niet binnen de begunstigingstermijn is beëindigd, zodat van rechtswege dwangsommen zijn verbeurd.

Bij besluit van 20 juni 2011 en van 10 oktober 2011 heeft het college besloten om tot invordering over te gaan van de door [appellant] verbeurde dwangsommen ten bedrage van onderscheidenlijk € 4.000,00 en € 12.000,00. Hiertegen heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt, zodat ook deze invorderingsbeschikkingen in rechte onaantastbaar zijn.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het voor hem onmogelijk was om aan de last te voldoen. Hij wijst in dit verband op een geschil met de belastingdienst, als gevolg waarvan hij niet voor een sociale huurwoning in aanmerking kwam. Verder wijst hij op emailberichten waaruit blijkt dat hij vanaf 2010 op zoek was naar andere huisvesting.

2.1. Ingevolge artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem onmogelijk was om aan de last te voldoen. [appellant] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn financiële situatie in 2010 ontoereikend was om met zijn gezin een andere woonruimte te betrekken. De door hem overgelegde stukken met betrekking tot een geschil met de belastingdienst hebben geen betrekking op die periode. Voorts is niet gebleken dat [appellant] bij aanvang van het handhavingstraject met de inspanning die van hem mocht worden verwacht op zoek is gegaan naar een andere woonruimte.

De klacht dat het college in strijd met de beleidsregels omtrent handhaving handelt door strikt te handhaven, richt zich tegen het besluit waarbij de last is opgelegd. De klacht dat de invordering hem in acute financiële problemen brengt, richt zich tegen de besluiten om tot invordering over te gaan. Deze klachten kunnen niet tot het oordeel leiden dat het voor [appellant] onmogelijk was om aan de last te voldoen.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

270-736.