Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1060

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201206768/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college geweigerd een projectbesluit te nemen en bouwvergunning te verlenen aan [appellante] voor het veranderen van een bergruimte in woonruimte met bergruimte op het perceel gelegen tussen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2013/152 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206768/1/A1.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Den Haag,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 februari 2012 en de uitspraak van die rechtbank van 27 juni 2012 in zaak nr. 11/1057 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vianen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college geweigerd een projectbesluit te nemen en bouwvergunning te verlenen aan [appellante] voor het veranderen van een bergruimte in woonruimte met bergruimte op het perceel gelegen tussen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats].

Bij besluit van 1 maart 2011 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 2 februari 2012 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 1 maart 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen en iedere verdere beslissing aangehouden. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 22 maart 2012 heeft de raad van de gemeente Vianen geweigerd een projectbesluit te nemen voor het veranderen van een bergruimte in een woonruimte met bergruimte op het perceel.

Het college heeft bij brief van 2 april 2012 een nadere motivering gegeven van het besluit van 1 maart 2011. [appellante] heeft hierop gereageerd.

Bij uitspraak van 27 juni 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 1 maart 2011 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, en het college, vertegenwoordigd door J. Ariaans en W. Bosse, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een woning met een oppervlakte van ongeveer 80 m² op het perceel.

2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels:

a. het college binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen;

b. het college het plan moet uitwerken;

c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels;

d. het college ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kan stellen.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, kan de raad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Ingevolge het vierde lid kan de raad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan het college.

Ingevolge het ten tijde van het besluit van 1 maart 2011 ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2009" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" en daarnaast de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterkering", "Leiding - Brandstof" en "Waarde - Archeologie 2" met de aanduiding "geluidzone - weg".

Ingevolge artikel 4, onderdeel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschap" aangewezen gronden bestemd voor het uitoefenen van agrarische bedrijven.

Ingevolge onderdeel 4.2 mogen gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd ten behoeve van één agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 17, onderdeel 17.2, mogen op de voor "Leiding - Brandstof" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht.

Ingevolge onderdeel 17.3 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in onderdeel 17.2 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de bestemming, waarmee de onderhavige dubbelbestemming samenvalt, mits hiertegen uit hoofde van de bescherming van de leidingen geen bezwaar bestaat; daartoe dient vooraf advies te zijn verkregen van de betrokken leidingbeheerder.

Ingevolge artikel 23, onderdeel 23.2, mogen op de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Ingevolge onderdeel 23.4 is het college bevoegd de bestemming te wijzigen in die zin dat deze bestemming komt te vervallen, indien als gevolg van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 24, onderdeel 24.2, mogen op de voor "Waterstaat - Waterkering" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Ingevolge onderdeel 24.3, aanhef en onder a, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in onderdeel 24.1 voor het oprichten van gebouwen ten behoeve van de bestemming, waarmee de onderhavige dubbelbestemming samenvalt, mits het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad.

Ingevolge artikel 26 blijft grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 maart 2011 in stand heeft gelaten. Daartoe voert zij aan dat het bestemmingsplan ontheffings- en wijzigingsbevoegdheden bevat waarvan gebruik gemaakt had dienen te worden. Voorts stelt zij dat doelmatig agrarisch gebruik van het perceel niet mogelijk is en dat het perceel ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" heeft. Verder stelt zij dat het bouwplan in overeenstemming is met het Streekplan 2005-2015 van de provincie Utrecht van 13 december 2004 (hierna: het streekplan). Tevens wijst zij erop dat haar perceel is gelegen in de kernrandzone als bedoeld in het ontwerp van de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 van maart 2012 (hierna: de structuurvisie), waarbinnen onder voorwaarden gebouwd kan worden. [appellante] stelt dat haar belangen niet zorgvuldig zijn afgewogen.

3.1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het perceel niet is voorzien van een bouwvlak, zodat het bouwplan reeds daarom in strijd is met artikel 4, onderdeel 4.2, van de planregels. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro heeft verleend, faalt. Voor gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 4.9, van de planregels is vereist dat ter plaatse een nieuw agrarisch bedrijf wordt gevestigd, waarin het bouwplan niet voorziet. Het voorziet voorts niet in de verbouw van een voormalig agrarisch bedrijfscomplex en evenmin in de beëindiging van een agrarisch bedrijf. De stelling dat het college de bestemming "Waarde - Archeologie 2" ingevolge artikel 23, onderdeel 23.4, van de planregels kan laten vervallen, leidt niet tot het daarmee beoogde doel, nu daarmee de strijdigheid met het bepaalde in artikel 4, onderdeel 4.2, van de planregels niet wordt opgeheven. Dat laatste geldt eveneens voor het bepaalde in artikel 24, onderdeel 24.3, van de planregels, alsmede het bepaalde in artikel 17, onderdeel 17.3. Anders dan [appellante] stelt, biedt artikel 26 van de planregels geen ontheffingsmogelijkheid.

3.2. Uit het streekplan blijkt dat het deel van het perceel waarop de woning is voorzien, is gelegen buiten de rode contouren en derhalve in het landelijk gebied. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad, op voordracht van het college, in redelijkheid heeft kunnen weigeren om medewerking aan het bouwplan te verlenen. Daarbij heeft de rechtbank terecht het standpunt van de raad betrokken dat hij het bouwen van een woning buiten de begrenzing van het stedelijk gebied in strijd acht met het gemeentelijk en het provinciaal beleid. Geen grond is aanwezig voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad als uitgangspunt heeft kunnen nemen dat verdere verstening van het landelijk gebied dient te worden tegengegaan om de openheid van het landschap te behouden. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de raad de voorziene woning van [appellante] als verstening van het landelijk gebied kunnen aanmerken. Over de stelling van [appellante] dat voor kleine percelen die buiten de rode contour zijn gelegen van het provinciale beleid kan worden afgeweken, wordt overwogen dat de raad in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de bescherming van de openheid van het landschap dan aan de belangen van [appellante] bij realisering van het bouwplan. In dat verband heeft het college ter zitting van de rechtbank, hetgeen het ter zitting van de Afdeling heeft herhaald, toegelicht dat de raad alleen meewerkt aan nieuwe burgerwoningen in het plandeel indien agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt, hetgeen hier niet het geval is. Het betoog van [appellante] dat de raad medewerking aan het bouwplan niet heeft mogen weigeren omdat doelmatig agrarisch gebruik van het perceel niet mogelijk is, faalt. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 oktober 2012 in zaak nr. 201211356/1/R2 heeft de Afdeling het verzoek van [appellante] om herziening van die uitspraak afgewezen. Gelet op deze uitspraken en in aanmerking genomen dat er thans geen gewijzigde omstandigheden zijn, kon niet van de raad worden verwacht dat het zou meewerken aan de aanvraag van [appellante].

Over het betoog van [appellante] dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op haar stelling dat het perceel is gelegen in een "kernrandzone" als bedoeld in het ontwerp van de structuurvisie, heeft de rechtbank terecht overwogen dat dat beleid ten tijde van het besluit van 22 maart 2012 nog niet in werking was getreden, zodat de raad dat niet bij zijn besluit hoefde te betrekken.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

531-672.