Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1056

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201204988/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:1148, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 2 augustus 2010 heeft [wederpartij] verzocht om verstrekking van een aantal documenten behorende bij een zogeheten Mulderbeschikking met nummer 143566572.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204988/1/A3.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Veere,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 april 2012 in zaak nr. 11/5954 in het geding tussen:

[wederpartij], wonende te [woonplaats]

en

het college.

Procesverloop

Bij brief van 2 augustus 2010 heeft [wederpartij] verzocht om verstrekking van een aantal documenten behorende bij een zogeheten Mulderbeschikking met nummer 143566572.

Bij besluit van 11 augustus 2010 (besluit I) heeft het college het verzoek doorgezonden aan de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie te Utrecht, onder gelijktijdige mededeling dat het niet bevoegd is op het verzoek te beslissen.

Bij brief van 1 september 2010 heeft [wederpartij] hiertegen bezwaar gemaakt en het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek.

Bij besluit van 8 september 2010 (besluit II) heeft het college medegedeeld dat het niet is gehouden om op het verzoek te beslissen en dat het verzoek wordt doorgezonden aan de officier van justitie te Middelburg.

Bij besluit van 13 september 2010 (besluit III) heeft het college de ingebrekestelling vanwege het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 1 december 2010 heeft het college de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren voor zover gericht tegen besluit I en besluit II ongegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit III niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep, voor zover het verzoek de voor- en de achterzijde van de aankondiging van de parkeerbeschikking betreft, zijnde het zogeheten "mini-pv", niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor het overige gegrond verklaard, het besluit van 1 december 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat partijen bij brieven van 24 en 28 augustus 2012 daartoe toestemming hadden verleend, heeft de Afdeling bepaald dat de behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor zover het hoger beroep zich richt tegen de vernietiging van het besluit op bezwaar voor zover dat ziet op de besluiten I en II wordt overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 14 januari 2009 in zaak nr. 200803416/1), een bestuursorgaan in de regel geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep indien de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit in stand zijn gelaten. Nu de rechtbank het besluit op bezwaar voor zover dat ziet op de besluiten I en II inhoudelijk juist heeft geacht en daarom de rechtsgevolgen ervan in stand heeft gelaten, heeft het college in zoverre geen belang bij een inhoudelijke beoordeling. Het hoger beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bezwaar, voor zover gericht tegen besluit III, terecht niet-ontvankelijk is verklaard, daar reeds besluiten waren genomen op het verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur van [wederpartij]. De gegrondverklaring van het beroep tegen dit besluit betekent volgens het college dat het genoodzaakt zou zijn om een dwangsom te betalen aan [wederpartij]. De rechtbank heeft hierover echter geen uitspraak gedaan, aldus het college.

2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat besluit III een weigering betreft om dwangsommen aan [wederpartij] te betalen wegens het niet binnen de daartoe gestelde termijn beslissen op het verzoek. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht besluit III aangemerkt als de weigering om toepassing te geven aan artikel 4:17 en 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en daarmee als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college heeft bij het besluit op bezwaar besluit III ten onrechte niet als besluit aangemerkt en het daartegen gerichte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Nu de rechtbank terecht het bezwaar tegen besluit III ontvankelijk achtte, heeft zij ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar voor zover dat ziet op besluit III in stand gelaten.

3. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover het besluit III betreft in stand blijven. Nu het college bij de besluiten I en II op het verzoek van [wederpartij] van 2 augustus 2010 heeft beslist, ziet de Afdeling aanleiding om zelf voorziend het bezwaar tegen besluit III ongegrond te verklaren. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen de uitspraak op het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 1 december 2010 op het bezwaar tegen de besluiten I en II;

II. verklaart het hoger beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van besluit III in stand blijven;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 april 2012 in zaak nr. 11/5954 voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van besluit III in stand blijven;

IV. verklaart het bezwaar tegen besluit III ongegrond;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

97-782.