Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1052

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201200385/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2011, kenmerk 15428-5, heeft de raad het bestemmingsplan "Emmeloord - De Deel, Stadshart" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/411
BR 2013/30 met annotatie van A.D.L. Knook
Gst. 2013/13 met annotatie van J.C. van Oosten en C.N.J. Kortmann
Module Ruimtelijke ordening 2013/1498 met annotatie van D. Meloni
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200385/1/R2.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

2. Astore CIT, gevestigd te De Wolden, en anderen,

3. de vereniging Vereniging van Eigenaars van Residence de Deel, gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, en anderen,

4. de vereniging Vereniging Bedrijven Actief Noordoostpolder, gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Hoge Dennen Holding B.V., gevestigd te Laren, en TOP Vastgoed Planontwikkeling B.V., gevestigd te Zeist,

appellanten,

en

1. de raad van de gemeente Noordoostpolder,

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2011, kenmerk 15428-5, heeft de raad het bestemmingsplan "Emmeloord - De Deel, Stadshart" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Bij besluit van 17 november 2011 heeft het college aan de gemeente Noordoostpolder een omgevingsvergunning verleend voor het slopen van een kantoor en het aanleggen van een inrit ter plaatse van de Deel 22 te Emmeloord.

Bij besluit van 17 november 2011 heeft het college aan Emmeloord Centrum C.V. omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van nieuwe centrumvoorzieningen en het brandveilig gebruiken van een hotel ter plaatse van de Deel te Emmeloord.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen, de VvE en anderen, de vereniging BAN en De Hoge Dennen en Top Vastgoed, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, in de persoon van [appellant sub 1], Astore CIT en anderen, vertegenwoordigd door drs. G.J.A. Sluiskes, de VvE en anderen, vertegenwoordigd door A. Eggens, en de vereniging BAN, vertegenwoordigd door mr. M.H.P. Bullens, advocaat te Enschede, bijgestaan door H. Buch en B. Hoekstra, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door J. Cnossen, I. Valk, en mr. G. Folmer, en Emmeloord Centrum C.V., vertegenwoordigd door ir. J.L. de Jong, als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Een stuk dat is ontvangen van de raad is aan de andere partijen toegezonden. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben partijen daarop een reactie ingediend. Vervolgens heeft de raad op deze reacties gereageerd. Met toestemming van partijen is afgezien van verdere behandeling van de zaak ter zitting, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Bij tussenuitspraak van 5 december 2012, in zaak nr. 201200385/1/T1/R2, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 10 november 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 25 maart 2013 heeft de raad het besluit van 10 november 2011 gewijzigd en heeft de raad aan het ongewijzigde deel voor zover nodig een nadere motivering ten grondslag gelegd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen, de VvE en anderen, de vereniging BAN en De Hoge Dennen een zienswijze naar voren gebracht.

De VvE en anderen, [appellant sub 1] en anderen, Emmeloord Centrum C.V. en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De besluiten van 10 november 2011 en 17 november 2011 zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, onder b, en artikel 3.32 van de Wro gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

Het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen

2. Gelet op 3.1 van de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en De Hoge Dennen en Top Vastgoed in zoverre niet-ontvankelijk.

Het plan

Ontvankelijkheid

3. Gelet op 5.2 en 5.3 van de tussenuitspraak is het beroep van De Hoge Dennen en Top Vastgoed, voor zover ingediend door Top Vastgoed, niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

5. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het beroep dat tegen het oorspronkelijke besluit is ingediend van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Evenementen

6. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak overwogen dat de extra geluidsoverlast die het evenemententerrein teweeg zal brengen (voor de bewoners van Résidence De Deel) niet is onderzocht. Gelet op het aantal dagen dat evenementen mogelijk wordt gemaakt, het toegestaan aantal bezoekers, het type evenementen dat in planregels mogelijk wordt gemaakt en de afstand tussen Résidence De Deel en het evenemententerrein, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling niet inzichtelijk gemaakt of de bestreden aanduiding uit het oogpunt van geluidsbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak alsnog door middel van een uit te voeren geluidsonderzoek inzichtelijk te maken en deugdelijk te motiveren of de aanduiding "evenemententerrein" met inachtneming van de daarvoor vastgelegde planregeling uit het oogpunt van geluidsbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, dan wel indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft een gewijzigde planregeling vast te stellen.

6.1. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen en straten;

b. voet- en rijwielpaden;

c. …

d. …

e. …

f. ter plaatse van de aanduiding "evenemententerrein" tevens voor het houden van evenementen.

Op grond van artikel 1, lid 1.24, van de planregels wordt onder evenement verstaan: een gebeurtenis die verplaatsbaar is en waarbij muziek, kunst, cultuur, sport, religie, wetenschap of een combinatie hiervan centraal staat. Een evenement wordt gekenmerkt door publieke toegankelijkheid. Onder een evenement wordt in dezen verstaan een kermis, een jaarmarkt, een festival dan wel een andere hiermee vergelijkbare activiteit.

Ingevolge artikel 10, lid 10.5.1, van de planregels wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval gerekend:

a. het gedurende meer dan 50 dagen per kalenderjaar houden van evenementen. Onder het houden van evenementen wordt tevens verstaan het opbouwen en afbreken van voorzieningen.

b. het tegelijkertijd toestaan van meer dan 4.000 bezoekers.

6.2. De raad heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak het besluit van 10 november 2011 gewijzigd door een gewijzigde planregeling vast te stellen door het schrappen van de artikelen 10, lid 10.1, aanhef en onder f, en 10, lid 10.5.1, van de planregels. Dit besluit van 25 maart 2013 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, mede onderwerp van het geding.

7. De VvE en anderen betogen in hun beroep samengevat dat het besluit van 25 maart 2013 op het punt van het evenemententerrein voor vernietiging in aanmerking komt omdat de motivering onvoldoende, gebrekkig en misleidend is. Zij vrezen dat het parkeerterrein in gebruik blijft als evenemententerrein en in het woord voorlopig dat de raad bezigt, zien zij aanknopingspunten dat het terrein er in een later stadium alsnog officieel komt.

7.1. Hoewel de aanduiding "evenemententerrein" op de desbetreffende gronden niet is verwijderd uit de verbeelding, is de Afdeling van oordeel dat gelet op de plansystematiek met de onderliggende verkeersbestemming, de aanduiding geen betekenis meer toekomt nu de desbetreffende planregels zijn geschrapt. De vrees dat op grond van de in het besluit van 25 maart 2013 opgenomen gewijzigde planregeling het parkeerterrein in gebruik blijft als evenemententerrein is dan ook ongegrond. Daarbij tekent de Afdeling nog aan dat hetgeen in diverse stukken is vermeld, namelijk dat het schrappen van de mogelijkheid om de gronden als evenemententerrein te gaan gebruiken slechts een voorlopig karakter heeft, wat daar ook van zij, aan het voorgaande niet afdoet.

7.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het beroep van de VvE en anderen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de gewijzigde planregeling heeft kunnen vaststellen.

8. [appellant sub 1] en anderen hebben in beroep tegen het besluit van 10 november 2011 geen gronden aangevoerd met betrekking tot het onderwerp van de in de tussenuitspraak gegeven opdracht met betrekking tot het evenemententerrein. In hun zienswijze tegen het besluit van 25 maart 2013 voeren zij gronden aan over de wijze waarop in dat besluit uitvoering is gegeven aan dit onderdeel van de opdracht. Hiermee hebben [appellant sub 1] en anderen hun beroepsgronden uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Nu [appellant sub 1] en anderen door het besluit van 25 maart 2013 niet in een nadeliger positie zijn komen te verkeren kan, gelet op het belang van een efficiënte geschillenbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen in dit opzicht aanvoeren, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

Centrumbestemming - detailhandel

9. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak overwogen dat de raad bij het besluit van 10 november 2011 voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Centrum - 1"en "Centrum - 2" onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de in het kader van een goede ruimtelijke ordening af te wegen belangen. Daartoe heeft de Afdeling, kort weergegeven, overwogen dat niet is gebleken dat de raad zich rekenschap heeft gegeven van de mogelijk negatieve gevolgen voor de omgeving door leegstand in verband met de voorziene overcapaciteit aan vloeroppervlakte detailhandel. Bovendien was in de onderzoeksrapporten geen rekening gehouden met recente ontwikkelingen in de sector en een stagnatie van het aantal inwoners.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak alsnog onderzoek op basis van actuele gegevens te doen naar de behoefte aan uitbreidingsruimte voor detailhandel en te bezien of het besluit van 10 november 2011 in het licht van de uitkomsten van dit onderzoek in stand kan blijven. Voorts dient de raad op basis van het voornoemde onderzoek toereikend te motiveren dat de te verwachten leegstand in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is, dan wel een gewijzigde planregeling vast te stellen.

9.1. De raad heeft ter uitvoering van de opdracht in de tussenuitspraak een nieuw onderzoek laten uitvoeren door Seinpost Adviesbureau B.V. en heeft de conclusies van dat onderzoek als nadere onderbouwing van het besluit van 10 november 2011 overgenomen. De raad heeft zich hiermee op het standpunt gesteld dat het woon- en leefklimaat en het ondernemingsklimaat niet worden aangetast.

10. [appellant sub 1] en anderen en Astore CIT en anderen voeren aan dat de nadere onderbouwing van het plan onzorgvuldig is, omdat de raad hen ten onrechte niet heeft betrokken bij het nieuw uit te voeren onderzoek.

10.1. De Afdeling overweegt dat uit de Wro noch uit enig ander voorschrift de plicht voortvloeit voor de raad om [appellant sub 1] en anderen en Astore CIT en anderen te betrekken bij het uit te voeren onderzoek over de mogelijk uitbreidingsruimte voor detailhandel. Dit betoog treft dan ook geen doel.

11. [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen, De Hoge Dennen, de VvE en anderen en de vereniging BAN betogen dat het rapport "DPO centrumplan Emmeloord, Onderzoek naar uitbreidingsmogelijkheden ‘De Deel’ en gevolgen voor bestaand centrumgebied" van Seinpost Adviesbureau B.V. uit februari 2013 (hierna: het rapport Seinpost) niet voldoet als onderbouwing van het plan. [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen en De Hoge Dennen voeren onder meer aan dat ten onrechte alleen de uitbreidingsruimte voor niet-dagelijkse detailhandel is onderzocht. Astore CIT en anderen en De Hoge Dennen betwisten voorts de juistheid van de bij het onderzoek gebruikte gegevens, met name de cijfers over de bevolkingsomvang, de bestedingen en de kooporiëntatie, en de gebruikte referentiekaders. Het plan is alleen aanvaardbaar als het gehele pakket aan aanbevolen flankerend beleid daadwerkelijk wordt uitgevoerd, aldus Astore CIT en anderen, De Hoge Dennen en de vereniging BAN. De VvE en anderen en de vereniging BAN betogen dat het onderzoek ten onrechte op onzekere uitgangspunten is gebaseerd. De vereniging BAN wijst hierbij met name op het percentage internetaankopen en de verwachte koopkrachtbinding en koopkrachttoevloeiing.

11.1. De raad heeft zich op grond van het rapport Seinpost op het standpunt gesteld dat door de ontwikkeling van het plan weliswaar leegstand zal ontstaan die groter is dan een gezond leegstandspercentage, maar dat dit op korte en middellange termijn een beheersbare ontwikkeling is en voor de ontwikkelingen op lange termijn zelfs wenselijk. De verwachte leegstand zal ook niet ontstaan in het kernwinkelgebied, maar aan de randen van het winkelgebied waar de panden minder geschikt zijn voor winkels. Hierdoor ontstaat op die locaties de mogelijkheid voor de ontwikkeling van andere functies. Dit proces zal wel met aanvullend beleid moeten worden begeleid. Bovendien zal ook leegstand ontstaan als De Deel niet wordt ontwikkeld, terwijl in dat geval het centrum steeds minder aantrekkelijk zal worden, aldus de raad.

11.2. Het plan voorziet in maximaal 8.100+2.100=10.200 m² brutovloeroppervlak (hierna: bvo) detailhandel. Dit komt overeen met ongeveer 8.200 m² winkelvloeroppervlak (hierna: wvo). Na de geplande verplaatsing van een supermarkt resteert daarvan nog ongeveer 6.500 m² wvo voor niet-dagelijkse detailhandel.

11.3. In het rapport Seinpost is vermeld dat voor het berekende jaar 2023 is uitgegaan van een lichte groei tot 46.845 inwoners ten opzichte van 46.342 inwoners in 2013. Voorts is daarin vermeld dat in de bestedingscijfers is rekening gehouden met een correctie van het besteedbaar inkomen van -6% ten opzichte van het landelijk gemiddelde, een afname van het besteedbaar inkomen van 5% vanwege de economische recessie en een toename van de internetbestedingen tot 9,8%. Voorts is uitgegaan van een koopkrachtbinding van 63 tot 65% en een koopkrachttoevloeiing van 30%. Op basis hiervan is een uitbreidingsruimte berekend van 3.402 tot 4.110 m² wvo voor niet-dagelijkse detailhandel in 2023.

Voorts vermeldt het rapport Seinpost dat voor horeca een uitbreidingsruimte van 500 tot 750 m² wvo is berekend en dat voor consumentgerichte bedrijvigheid een uitbreidingsruimte van 100 tot 200 m² wvo is berekend. Voor de mogelijke consumentgerichte functies op de eerste bouwlaag binnen de bestemming "Centrum - 1" en "Centrum - 2" is derhalve een totale uitbreidingsruimte van ongeveer 4.000 tot 5.000 m² wvo in 2023 berekend.

Tevens is in het rapport Seinpost vermeld dat de berekende toekomstige leegstand in het centrum, rekening houdend met de bestaande leegstand, ongeveer 3.350 tot 4.350 m² wvo zal betreffen. Dit is ongeveer 10 tot 13% van het totale wvo in het centrum van Emmeloord. In het deelwinkelgebied Achterom/Noordzijde staat nu 730 m² wvo leeg en daar komt op korte termijn de oude locatie van de supermarkt bij (780 m² wvo). Omdat dit deelgebied geen onderdeel is van de gewenste winkelstructuur zullen deze panden met andere functies worden opgevuld. De te verwachtend leegstand kan derhalve worden gecorrigeerd met -1.510 m² wvo tot 1.840 - 2.840 m² wvo. Dit komt overeen met ongeveer 5,5 tot 9% van het totale wvo in het centrum, zo vermeldt het rapport Seinpost.

De conclusie van het rapport Seinpost is dat de toevoeging van nieuw winkelaanbod noodzakelijk is om de gewenste doorstroming van winkelfuncties van kansarme naar kansrijke locaties op gang te brengen. Wel is het verstandig om door middel van flankerend beleid ongewenste neveneffecten van functiewijzigingen op kansarme winkellocaties te voorkomen.

11.4. Vast staat dat het binnen het plangebied mogelijke vloeroppervlak voor een supermarkt geheel zal worden gebruikt voor de verplaatsing van een bestaande supermarkt. Gelet hierop en op het feit dat de oppervlakte van de huidige locatie van die supermarkt in de berekeningen is meegenomen bij de te verwachten leegstand, is de Afdeling van oordeel dat in het rapport Seinpost voldoende rekening is gehouden met de toekomstige ontwikkelingen in de dagelijkse detailhandel. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen en De Hoge Dennen faalt derhalve.

Over het betoog dat aan het onderzoek onzekere uitgangspunten ten grondslag zijn gelegd, overweegt de Afdeling dat de raad zich, mede gezien de ‘Memo reactie Seinpost Adviesbureau BV op zienswijzen zaak 201200385/1/R2’, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een marktruimteberekening naar zijn aard een inschatting op grond van een aantal in meer of mindere mate onzekere aannames is. De VvE en anderen en de vereniging BAN hebben niet aannemelijk gemaakt dat het rapport Seinpost zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet in redelijkheid op dit rapport heeft kunnen baseren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het besluit van de raad van 25 maart 2013 blijkt dat de raad het advies uit het rapport Seinpost opvolgt en flankerend beleid zal gaan voeren om leegstand tegen te gaan. Voor de vrees van Astore CIT en anderen, De Hoge Hennen en de vereniging BAN dat het voorgestelde flankerend beleid niet daadwerkelijk zal worden uitgevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen grond. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de nieuwe marktruimteberekening niet voldoende representatief en betrouwbaar is om te worden gebruikt als nadere onderbouwing van het plan. Voor zover Astore CIT en anderen en De Hoge Dennen hierbij nog aanvoeren dat het rapport Seinpost is gebaseerd op onjuiste gegevens, overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat de door hen naar voren gebrachte andere invoergegevens zouden leiden tot een dermate afwijkende uitkomst in die zin, dat in die situatie de door de raad gemaakte afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening daarop niet had kunnen worden gebaseerd. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het plan wat leegstand betreft voor het centrum van Emmeloord niet onaanvaardbaar zijn.

Centrumbestemming - overig

12. De vereniging BAN voert voorts nog aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in een voetgangersuitgang van de nieuwe parkeerdekken aan de zijde van de Lange Nering. In het kader van een evenwichtige verdeling van de parkeerruimte over het centrum en het belang van de bestaande winkels aan de Lange Nering bij het behoud van een directe aanlooproute zou het plan wel in een dergelijke voetgangersuitgang moeten voorzien.

12.1. Aan de zijde van De Deel zullen 506 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Aan de oostzijde van het centrum zijn in totaal 575 parkeerplaatsen beschikbaar. Voorts heeft de raad het niet nodig geacht om in het plan vast te leggen op welke plaatsen de voetgangersuitgangen moeten worden gerealiseerd.

12.2. Niet in geschil is dat binnen de plandelen met de bestemming "Centrum - 1" geen specifieke regeling is voorzien voor de geplande voetgangersuitgangen. Gezien de locaties van de bestaande en voorziene parkeerplaatsen aan weerszijden van het centrum, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de parkeerplaatsen ten behoeve van het winkelgebied evenwichtig over het centrum zijn verdeeld. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van het plan geen doorslaggevend gewicht heeft behoeven toekennen aan het belang van de bestaande winkeliers aan de Lange Nering bij het behoud van een directe aanlooproute vanaf de parkeervoorziening naar hun winkels en de vastlegging daarvan in het plan.

De betogen van de vereniging BAN falen.

Eindconclusie

13. Gelet op hetgeen onder 18.6 en 18.7 van de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van de VvE en anderen, in zoverre gegrond. Het besluit van 10 november 2011 voor zover het betreft de aanduiding "evenemententerrein" ter plaatse van de gronden ten oosten van Résidence De Deel, dient te worden vernietigd.

13.1. Gelet op hetgeen onder 7.1 en 7.2 van deze einduitspraak is overwogen, is het van rechtswege ontstane beroep van de VvE en anderen tegen het besluit van 25 maart 2013 ongegrond.

14. Gelet op hetgeen onder 17.8 en 17.9 van de tussenuitspraak is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen, de VvE en anderen, de vereniging BAN en de Hoge Dennen voor zover ontvankelijk, in zoverre gegrond. Het besluit van 10 november 2011 voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Centrum - 1"en "Centrum - 2", dient te worden vernietigd.

14.1. Gelet op hetgeen onder 10.1, 11.4 en 12.2 van deze einduitspraak is overwogen, heeft de raad het besluit van 10 november 2011 toereikend gemotiveerd. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 10 november 2011, voor zover onder 14 van deze uitspraak vernietigd, in stand blijven.

De omgevingsvergunningen

15. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

15.1. De VvE en anderen hebben ter zitting nog aangevoerd dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van nieuwe centrumvoorzieningen en het brandveilig gebruiken van een hotel ten onrechte niet tevens ziet op de activiteit milieu. De VvE en anderen hebben geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor hen redelijkerwijs niet mogelijk was deze grond eerder in te dienen. In aanmerking genomen dat de raad hierop niet op passende wijze kon reageren, is het ter zitting indienen van deze beroepsgrond in strijd met de goede procesorde, zodat de Afdeling deze grond buiten beschouwing zal laten bij de beoordeling van het desbetreffende besluit.

16. [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen, de vereniging BAN en de VvE en anderen hebben ter onderbouwing van hun beroep tegen de verleende omgevingsvergunning verwezen naar de beroepsgronden die zijn ingediend tegen het plan.

16.1. Het beroep van de VvE en anderen gericht tegen het besluit van 25 maart 2013 is ongegrond. Ook de overige betogen tegen het bestemmingsplan en de nadere motivering falen. Gelet hierop falen tevens de betogen van [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen, de vereniging BAN en de VvE en anderen voor zover daarmee is beoogd te komen tot een vernietiging van de omgevingsvergunningen omdat het plan niet in stand kan blijven.

16.2. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen, de vereniging BAN en de VvE en anderen zijn in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

17. Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen, de vereniging BAN en de VvE en anderen dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van De Hoge Dennen is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

17.1. Ten aanzien van het verzoek van [appellant sub 1] en anderen om vergoeding van alle gemaakte kosten overweegt de Afdeling dat kosten die zijn gemaakt voor andere procedures dan deze procedure, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft de verzochte vergoeding van de gemaakte kosten voor een rechtsbijstandverlener, komen alleen in aanmerking de kosten die gemaakt zijn voor proceshandelingen door een rechtsbijstandverlener, zoals het indienen van een beroepschrift of het vertegenwoordigen op de zitting. In dit geval is niet gebleken dat de vermelde rechtsbijstandverlener proceshandelingen heeft verricht. Voorts komen normale kantoorkosten als kopieer- en verzendkosten in het algemeen niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Hoge Dennen Holding B.V. en TOP Vastgoed Planontwikkeling B.V., voor zover gericht tegen het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Hoge Dennen Holding B.V. en TOP Vastgoed Planontwikkeling B.V., voor zover gericht tegen het besluit van 10 november 2011 en voor zover ingediend door TOP Vastgoed Planontwikkeling B.V. niet-ontvankelijk;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen, de vereniging Vereniging van Eigenaars van Residence de Deel en anderen, de vereniging Vereniging Bedrijven Actief Noordoostpolder en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Hoge Dennen Holding B.V. voor zover gericht tegen het besluit van 10 november 2011 en voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Noordoostpolder van 10 november 2011, kenmerk 15428-5, voor zover het betreft

a. de plandelen met de bestemmingen "Centrum-1" en "Centrum-2"; en

b. de aanduiding "evenemententerrein" ter plaatse van de gronden ten oosten van Résidence De Deel;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Centrum-1" en "Centrum-2";

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, Astore CIT en anderen, de vereniging Vereniging van Eigenaars van Residence de Deel en anderen , de vereniging Vereniging Bedrijven Actief Noordoostpolder en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Hoge Dennen Holding B.V. voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Noordoostpolder tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van

a. € 95,24 (zegge: vijfennegentig euro vierentwintig cent) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. € 2391,00 (zegge: tweeduizend driehonderdeenennegentig euro) voor Astore CIT en anderen, waarvan € 1.180,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. € 49,92 (zegge: negenveertig euro en tweeënnegentig cent) voor de vereniging Vereniging van Eigenaars van Residence de Deel en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

d. € 1226,72 (zegge: twaalfhonderdzesentwintig euro en tweeënzeventig cent) voor de vereniging Vereniging Bedrijven Actief Noordoostpolder, waarvan € 1.180,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Noordoostpolder aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor Astore CIT en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de vereniging Vereniging van Eigenaars van Residence de Deel en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

d. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de vereniging Vereniging Bedrijven Actief Noordoostpolder, en

e. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Hoge Dennen Holding B.V. en TOP Vastgoed Planontwikkeling B.V., met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

224-545.