Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201202218/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2012, no. C2059496/2876153, heeft het college aan de raad van de gemeente Loon op Zand een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 15 december 2011 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2011".

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/672
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202218/1/R3.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Loon op Zand (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te De Moer, gemeente Loon op Zand,

3. [appellant sub 3], wonend te Loon op Zand,

4. [appellant sub 4], wonend te Loon op Zand,

5. [appellant sub 5], wonend te De Moer, gemeente Loon op Zand,

6. [appellant sub 6], wonend te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

7. [appellant sub 7], wonend te Loon op Zand,

8. [appellante sub 8], gevestigd te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

9. de raad van de gemeente Loon op Zand,

10. [appellante sub 10], gevestigd te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

11. [appellant sub 11], wonend te Loon op Zand,

12. [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], beiden wonend te Loon op Zand (hierna in enkelvoud: [appellant sub 12]),

13. [appellante sub 13], gevestigd te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2012, no. C2059496/2876153, heeft het college aan de raad van de gemeente Loon op Zand een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 15 december 2011 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2011".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellante sub 8], de raad, [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12] en [appellante sub 13] beroep ingesteld.

Het college, de raad en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2013, waar [appellant sub 2], [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. B.M. Kocken, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 5], bijgestaan door H. de Jongh, werkzaam bij H. de Jongh Advies, [appellante sub 8], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. S.J.E. Loontjes, advocaat te Breda, de raad, vertegenwoordigd door E. van Daesdonk en E. Boonman, beiden werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 12], vertegenwoordigd door drs. B.L.J.M. Kobben, werkzaam bij Kobben Consultancy, [appellante sub 13], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.J.M. Danen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Intrekking

2. [appellant sub 12] heeft ter zitting zijn beroep voor zover gericht tegen aanwijzing 7 ingetrokken.

Ontvankelijkheid

3. Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het college de volgende reactieve aanwijzingen ingetrokken:

- aanwijzing 1 ten aanzien van de bestemming "Recreatie - Kampeerterrein 4" ter plaatse van het perceel Bernsehoef 9;

- aanwijzing 2 ten aanzien van de bestemming "Wonen - 1" ter plaatse van het perceel Blauwloop 2;

- aanwijzing 3 ten aanzien van de bestemming "Wonen - 1" ter plaatse van het perceel Loonse Molenstraat 10;

- aanwijzingen 8 tot en met 12 ten aanzien van de in artikel 10, lid 10.3.2, artikel 11, lid 11.3.2, artikel 13, lid 13.3.2, artikel 18, lid 18.3.2, en artikel 20, lid 20.3.2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid waarmee het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning kan afwijken van de bouwregels voor het uitbreiden van de bebouwde oppervlakte van een aantal bestemmingen.

3.1. Het college is in zoverre tegemoet gekomen aan de bezwaren van de raad en [appellant sub 12] en het bestemmingsplan kan, voor zover het voornoemde onderdelen betreft, alsnog bekend worden gemaakt en in werking treden. De raad en [appellant sub 12] hebben derhalve in zoverre geen belang meer bij een beoordeling van het besluit van 24 januari 2012. Het beroep van de raad, voor zover dit betrekking heeft op de ingetrokken reactieve aanwijzingen, en het beroep van [appellant sub 12] zijn niet-ontvankelijk.

Aanwijzing 4

4. Aanwijzing 4 betreft de aanduidingen "bouwvlak" en "functieaanduiding: intensieve kwekerij" ten zuiden van het perceel Zijstraat 20 te De Moer.

De beroepen van de raad en [appellant sub 5]

4.1. De raad en [appellant sub 5] betogen dat het college ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing. De raad voert hiertoe aan dat het college deze aanwijzing onzorgvuldig heeft voorbereid. Voorts voert de raad aan dat de rechtszekerheid van de eigenaar van het op het perceel voorziene agrarisch bedrijf dient te prevaleren boven het belang van het college bij de aanwijzing. [appellant sub 5] voert aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn bestaande recht op het realiseren van een agrarisch bedrijf op het perceel. Volgens [appellant sub 5] is reeds in 2007 een verzoek gedaan om het realiseren van een agrarisch bedrijf op het perceel mogelijk te maken, heeft het college van burgemeester en wethouders positief op dit verzoek gereageerd en wordt voldaan aan alle vereisten voor toepassing van de in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" opgenomen wijzigingsbevoegdheid.

4.2. Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 8.4 van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de verordening) in de weg staat aan de nieuwvestiging van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf in het plangebied.

4.3. Ingevolge artikel 8.4 van de verordening, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied dat nieuwvestiging van een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf niet is toegestaan.

4.4. Vast staat dat het perceel onder het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" de bestemming "Agrarisch gebied" heeft. Ingevolge artikel 2.7, onder a en 1, van de voorschriften van dit bestemmingsplan zijn deze gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering en agrarisch grondgebruik. Het bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid om op dit perceel gebouwen op te richten. Vast staat voorts dat het perceel in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" de bestemming "Agrarisch" heeft met onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "functieaanduiding: intensieve kwekerij".

4.5. Het betoog van de raad dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, nu hierin staat dat de aanwijzing ziet op het perceel aan de Zijstraat 20, terwijl bedoeld is het perceel ten zuiden hiervan, kan niet slagen. Het college stelt terecht dat bij het besluit tot het geven van de aanwijzingen een kaart zit en dat hierop duidelijk is aangegeven op welk perceel de aanwijzing ziet, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat onduidelijk is waarop de aanwijzing ziet.

4.6. Hoewel [appellant sub 5] reeds in 2007 heeft verzocht om met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" het vestigen van een agrarisch bedrijf op zijn perceel mogelijk te maken, heeft het college van burgemeester en wethouders van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" door het toekennen van een bouwvlak aan het perceel nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf mogelijk maakt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet in overeenstemming is met artikel 8.4 van de verordening. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid een aanwijzing kunnen geven ten aanzien het perceel. Reeds omdat [appellant sub 5] voorafgaand aan het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" nimmer planologische toestemming is verleend om op het perceel agrarisch bedrijfsbebouwing op te richten, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtszekerheid of bestaande rechten aan het geven van de aanwijzing in de weg staan.

4.7. Dat, zoals [appellant sub 5] betoogt, wordt voldaan aan vereisten voor toepassing van de in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" opgenomen wijzigingsbevoegdheid, betekent evenmin dat het college niet tot het geven van de aanwijzing had kunnen overgaan. De verordening is ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder a, eveneens van toepassing op wijzigingsplannen. Dat zou zijn voldaan aan de vereisten voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid laat derhalve onverlet dat dient te worden voldaan aan de verordening. [appellant sub 5] heeft aan de omstandigheid dat aan de vereisten voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is voldaan dan ook niet de verwachting kunnen ontlenen dat hieraan geen provinciale belangen in de weg zouden staan en het college geen aanwijzing zou geven.

4.8. Het beroep van de raad, voor zover gericht tegen aanwijzing 4, en het beroep van [appellant sub 5] zijn ongegrond.

Aanwijzing 6

5. Aanwijzing 6 betreft alle percelen met de bestemming "Wonen - 1" met een omvang groter dan 1.500 m² en zonder de aanduiding "specifieke vorm van wonen - woonboerderij".

Het beroep van de raad

5.1. De raad betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing. De raad voert hiertoe aan dat het college op dit punt geen zienswijze heeft ingediend. De raad voert verder aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bestemmingsvlakken onnodig groot zijn en dat door het vergroten van de bestemmingsvlakken ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" geen sprake meer is van een directe relatie met het daadwerkelijke gebruik van de gronden. Volgens de raad zijn de bestemmingsvlakken zorgvuldig vastgesteld, waarbij is gekeken naar de feitelijke situatie en het bestaande gebruik. Ten slotte voert de raad aan dat het college niet heeft onderkend dat de aanwijzing niet bijdraagt aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en kwaliteitsverbetering.

5.1.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011", voor zover dit voorziet in bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen - 1" die een omvang hebben groter dan 1.500 m² en die niet de aanduiding "specifieke vorm van wonen - woonboerderij" hebben, een verruiming van bouw- en gebruiksmogelijkheden biedt ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997". Volgens het college is hierbij niet voldaan aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en is geen sprake van kwaliteitsverbetering. Het college betoogt verder dat vanwege de verruimde bestemmingsvlakken gronden die tot de ecologische hoofdstructuur behoren nu binnen de bestemming "Wonen - 1" vallen.

5.1.2. Ingevolge artikel 1.1, onder 71, van de verordening wordt onder ruimtelijke ontwikkeling verstaan bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De toelichting bij dat plan bevat daaromtrent een verantwoording.

Ingevolge het tweede lid houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, in ieder geval in dat:

a. ingeval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken toestaat, behoudens ingeval in deze verordening anders is bepaald;

b. uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in de hoofdlijnen heeft beschreven (hierna: kwaliteitsverbetering).

Ingevolge het tweede lid past de in het eerste lid bedoelde verbetering binnen de hoofdlijnen van de door de gemeente voorgenomen ontwikkeling van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft en is onderwerp van regionale afstemming in het regionaal ruimtelijk overleg, bedoeld in artikel 12.4, waaronder mede begrepen de planologische voorbereiding van landschapsontwikkeling.

Ingevolge het derde lid kan de in het eerste lid bedoelde verbetering kan mede betreffen:

a. de landschappelijke inpassing van bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij, voor zover vereist op grond van deze verordening;

b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;

c. activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen;

d. het wegnemen van verharding;

e. het slopen van bebouwing;

f. een fysieke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones.

Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 24.2.1 gelden de volgende bouwregels:

a. per bestemmingsvlak mag het aantal woningen niet meer bedragen dan 1, met uitzondering van bestemmingsvlakken ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden", waar het aantal woningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven;

b. ter plaatse van de aanduiding "twee-aaneen" en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - woonboerderij" met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" mogen uitsluitend twee-aaneen gebouwde woningen worden gebouwd;

c. nieuwbouw van woningen is niet toegestaan, met uitzondering van vervangende nieuwbouw;

d. bij vervangende nieuwbouw mogen de woningen uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande funderingen of de bestaande locatie en, in geval van uitbreiding, daar direct op aansluitend.

Ingevolge lid 24.2.3 gelden voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen de volgende voorwaarden:

a. vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van de woning te gebouwd, waarbij de afstand tot de woning niet minder bedraagt dan 3 m;

b. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen binnen het bestemmingsvlak bedraagt per woning voor bestemmingsvlakken die groter zijn dan 1.500 m² niet meer dan 200 m², mits het betreffende bestemmingsvlak voor niet meer dan 50% is bebouwd.

5.1.3. Vast staat dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" de gronden met de bestemming "Wonen" een verbaal bestemmingsvlak hebben. Op de plankaart is deze bestemming met een stip aangeduid. Ingevolge artikel 2.23, onder A, van de voorschriften bij dit bestemmingsplan zijn deze gronden bestemd voor woondoeleinden ter plaatse van de woning met bijbehorend erf. Als erf bij een woning mag maximaal 1.500 m² rondom een woning worden gerekend en als zodanig worden gebruikt voor woondoeleinden. Vast staat voorts dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" op de gronden met de bestemming "Wonen - 1" per bestemmingsvlak een woning met bijgebouwen en bouwwerken mag worden gerealiseerd.

5.1.4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 19 oktober 2011, in zaak nr. 200907617/1/R3, dient het college in de zienswijze duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het bestemmingsplan bij de vaststelling dient te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen.

In de door het college ingediende zienswijze staat dat is geconstateerd dat in een aantal gevallen de bestemmingsgrenzen erg ruim zijn gelegd in relatie tot de bestaande bebouwing. Dit betreft een groot aantal agrarische bouwblokken met relatief weinig bebouwing in relatie tot de omvang van het bouwblok. Verder betreft het een groot aantal woonpercelen en enkele niet-agrarische functies. Dergelijke bestemmingsvlakken bieden de mogelijkheid om bebouwing over het hele perceel te spreiden in plaats van te concentreren. Concentratie van bebouwing is een van de basisprincipes van het provinciaal beleid en vastgelegd in artikel 2.1 van de verordening. Daarnaast bieden ruime bouwblokken ook ruimere bebouwingsmogelijkheden. Het provinciaal beleid gaat uit van bouwblokken op maat. Vanuit het oogpunt van zuinig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit dient het plan hierop te worden aangepast, aldus de zienswijze.

Anders dan de raad betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de aanwijzing geen grondslag heeft in de door het college ingediende zienswijze. In de zienswijze staat dat de raad onder meer de bestemmingsvlakken van agrarische- en woonpercelen dient aan te passen, omdat deze ruim zijn gelegd in relatie tot de bestaande bebouwing. De Afdeling is van oordeel dat op deze wijze voldoende duidelijk was aangeduid dat het college zich niet kon verenigen met de gegeven bestemmingsvlakken bij agrarische- en woonbestemmingen.

5.1.5. Het college betoogt terecht dat het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" ter plaatse van de bestemming "Wonen" ingevolge artikel 2.23, onder A, van de voorschriften, voorziet in een verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m² waarbinnen de bebouwing dient te worden gerealiseerd. Het college betoogt verder terecht dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" niet voorziet in bouwvlakken waarbinnen de bebouwing dient te worden geconcentreerd, zodat in beginsel binnen het gehele bestemmingsvlak bebouwing kan worden gerealiseerd. Zoals het college eveneens terecht betoogt, betekent dit een verruiming van bouwmogelijkheden op de percelen met de bestemming "Wonen - 1", zonder de aanduiding "specifieke vorm van wonen - woonboerderij", met een bestemmingsvlak groter dan 1.500 m².

De raad betoogt terecht dat feitelijk slechts sprake is van een geringe toename aan bouwmogelijkheden, nu de planregels beperkingen stellen aan de mogelijkheden om bebouwing op het perceel op te richten. De raad wijst hierbij op artikel 24, lid 24.2.1, van de planregels, op grond waarvan op de percelen slechts een woning is toegestaan, nieuwbouw van de woning niet is toegestaan en vervangende nieuwbouw uitsluitend is toegestaan op de bestaande locatie. De raad heeft evenwel niet onderkend dat in de planregels dergelijke beperkingen niet zijn opgenomen ten aanzien van bijgebouwen, waarvan de gezamenlijke oppervlakte 200 m² mag bedragen en die in beginsel binnen het gehele bestemmingsvlak kunnen worden opgericht.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een dergelijke verruiming van bouwmogelijkheden niet in overeenstemming is met het in artikel 2.1 van de verordening opgenomen principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de raad niet heeft gemotiveerd welke kwaliteitsverbetering, als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening, met deze verruiming aan bouwmogelijkheden gepaard gaat. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid tot het geven van de aanwijzing kunnen besluiten. Dat de raad de bestemmingsvlakken zorgvuldig zou hebben vastgesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Dit laat immers onverlet dat waar sprake is van een verruiming van bouwmogelijkheden voldaan moet worden aan voormelde artikelen uit de verordening.

5.1.6. Voor zover de raad betoogt dat het college niet tot het geven van de aanwijzing had kunnen overgaan, omdat als gevolg hiervan binnen het plangebied verschillende bestemmingsplannen gelden, kan dit niet slagen. Dat als gevolg van het niet in werking treden van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011", het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" voor een aantal percelen blijft gelden is een onlosmakelijk gevolg van het geven van de reactieve aanwijzing. Het betoog van de raad dat de reactieve aanwijzing niet proportioneel is, nu het college had kunnen volstaan met een aanwijzing ten aanzien van de bestemmingsvlakken voor zover deze groter zijn dan 1.500 m² slaagt evenmin. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het feitelijk niet mogelijk is om een dergelijke aanwijzing te geven, nu het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" voorziet in verbale bouwvlakken die op elk perceel op een andere wijze zijn ingevuld. Het college heeft zich terecht op het standspunt gesteld dat het bovendien voor de getroffen percelen geen verschil maakt of de aanwijzing het gehele perceel betreft of slechts het deel van het bestemmingsvlak dat groter is dan 1.500 m², nu in beide gevallen een bestemmingsvlak van 1.500 m² zal gelden.

5.1.7. Het betoog van de raad dat het college ten onrechte heeft nagelaten om een afweging op perceelsniveau te maken kan evenmin slagen. Een aanwijzing hoeft niet noodzakelijkerwijs een concreet plandeel te betreffen, maar kan ook zien op een planregeling. De raad betoogt terecht dat als gevolg hiervan op een aantal percelen ongewenste bouw- en gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" blijven gelden. De raad wijst hierbij onder meer op het perceel Duiksehoef 1A waar als gevolg van de aanwijzing op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" een intensieve veehouderij mag komen. Dit is eveneens een onlosmakelijk gevolg van het geven van een reactieve aanwijzing en deze omstandigheid kan niet leiden tot het oordeel dat het college niet tot het geven van de aanwijzing heeft kunnen overgaan.

5.1.8. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

5.2. Het beroep richt zich tegen de door het college gegeven aanwijzing 6 ten aanzien van het perceel Kloosterstraat 111. [appellant sub 1] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat het college het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid, nu geen afweging op perceelniveau heeft plaatsgevonden. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat het college niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" geen nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden biedt ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997". [appellant sub 1] voert verder aan dat rondom de op het perceel aanwezige bebouwing een strook van ongeveer 15 m ligt die in gebruik is als tuin en die in directe relatie staat tot de woonbestemming. [appellant sub 1] voert voorts aan dat hij door het niet inwerkingtreden van het plandeel financiële schade leidt.

5.2.1. Vast staat dat het perceel in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" de bestemming "Wonen" heeft met een verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m². Het perceel heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" de bestemming "Wonen - 1" met een bestemmingsvlak van ongeveer 3.365 m².

5.2.2. Het betoog dat de aanwijzing onzorgvuldig is voorbereid, omdat het college heeft nagelaten een afweging op perceelsniveau te maken, kan niet slagen. Zoals overwogen in 5.1.7, hoeft een aanwijzing niet noodzakelijkerwijs een concreet plandeel te betreffen, maar kan deze ook zien op een planregeling.

5.2.3. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" voorziet, anders dan [appellant sub 1] betoogt, in een verruiming van de bouwmogelijkheden op het perceel. De woning en alle daarbij behorende bebouwing dient onder het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" binnen het verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m² te worden gerealiseerd, terwijl op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" in beginsel binnen het gehele bestemmingsvlak van ongeveer 3.365 m² bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd. Het college betoogt terecht dat dit, zoals reeds is overwogen onder 5.1.5, niet in overeenstemming is met het in artikel 2.1 van de verordening opgenomen principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de raad niet heeft gemotiveerd welke kwaliteitsverbetering, als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening, met deze verruiming van bouwmogelijkheden gepaard gaat. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, heeft het college gelet hierop in redelijkheid tot het geven van de aanwijzing kunnen besluiten. Dat de gronden die in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" onder de bestemming "Wonen - 1" zijn gebracht in gebruik zijn als tuin en derhalve in directe relatie met de woonfunctie staan, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit onverlet laat dat dit bestemmingsplan in strijd met de verordening voorziet in een uitbreiding van bouwmogelijkheden. Dat het [appellant sub 1] als gevolg van de aanwijzing niet is toegestaan om het op het perceel aanwezige agrarisch bedrijfsgebouw te gebruiken ten behoeve van kleinschalig logeren, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de schade die [appellant sub 1] als gevolg hiervan leidt niet zodanig is dat tot een andere afweging had moeten worden gekomen.

5.2.4. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5.3. Het beroep richt zich tegen de door het college gegeven aanwijzing 6 ten aanzien van het perceel [locatie 1]. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat als gevolg van de aanwijzing niet langer de mogelijkheid bestaat om een schuur op het perceel op te richten. Volgens [appellant sub 2] zal de schuur zorgvuldig worden ingepast en betekent dit een kwaliteitsverbetering ten opzichte van de huidige situatie, waarbij diverse grotere onderhoudsmaterialen onder zeilen zijn opgeslagen.

5.3.1. Vast staat dat het perceel in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" de bestemming "Wonen" heeft met een verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m². Het perceel heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" de bestemming "Wonen - 1" met een bestemmingsvlak van ongeveer 5.640 m².

5.3.2. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" voorziet in een verruiming van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel. De woning en alle daarbij behorende bebouwing dient onder het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" binnen het verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m² te worden gerealiseerd, terwijl op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" in beginsel binnen het gehele bestemmingsvlak van ongeveer 5.640 m² bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd. Het college betoogt terecht dat dit, zoals reeds is overwogen onder 5.1.5, niet in overeenstemming is met het in artikel 2.1 van de verordening opgenomen principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de raad niet heeft gemotiveerd welke kwaliteitsverbetering, als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening, met deze verruiming van bouwmogelijkheden gepaard gaat. Hoewel [appellant sub 2] terecht betoogt dat hij als gevolg van de gegeven aanwijzing wordt beperkt in zijn mogelijkheden om een schuur op het perceel op te richten, heeft het college, gelet op het voorgaande, in redelijkheid tot het geven van de aanwijzing kunnen besluiten.

5.3.3. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

5.4. Het beroep richt zich tegen de door het college gegeven aanwijzing 6 ten aanzien van het perceel Kloosterstraat 107. [appellant sub 3] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing. [appellant sub 3] voert hiertoe aan dat het college het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid, nu geen afweging op perceelsniveau heeft plaatsgevonden. Voorts voert [appellant sub 3] aan dat het college niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" geen nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden biedt ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997". [appellant sub 3] voert verder aan dat rondom de op het perceel aanwezige bebouwing een strook van ongeveer 15 m ligt die in gebruik is als tuin en die in directe relatie staat tot de woonbestemming. [appellant sub 3] voert voorts aan dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat hij door het niet inwerkingtreden van het plandeel financiële schade leidt.

5.4.1. Vast staat dat het perceel in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" de bestemming "Wonen" heeft met een verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m². Het perceel heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" de bestemming "Wonen - 1" met een bestemmingsvlak van ongeveer 3.880 m².

5.4.2. Het betoog dat de aanwijzing onzorgvuldig is voorbereid, omdat het college heeft nagelaten een afweging op perceelsniveau te maken, kan niet slagen. Zoals overwogen in 5.1.7, hoeft een aanwijzing niet noodzakelijkerwijs een concreet plandeel te betreffen, maar kan deze ook zien op een planregeling.

5.4.3. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" voorziet, anders dan [appellant sub 3] betoogt, in een verruiming van de bouwmogelijkheden op het perceel. De woning en alle daarbij behorende bebouwing dient onder het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" binnen het verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m² te worden gerealiseerd, terwijl op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" in beginsel binnen het gehele bestemmingsvlak van ongeveer 3.880 m² bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd. Het college betoogt terecht dat dit, zoals reeds is overwogen onder 5.1.5, niet in overeenstemming is met het in artikel 2.1 van de verordening opgenomen principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de raad niet heeft gemotiveerd welke kwaliteitsverbetering, als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening, met deze verruiming van bouwmogelijkheden gepaard gaat. Anders dan [appellant sub 3] betoogt, heeft het college gelet hierop in redelijkheid tot het geven van de aanwijzing kunnen besluiten. Dat de gronden die in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" onder de bestemming "Wonen - 1" zijn gebracht in gebruik zijn als tuin en derhalve in directe relatie met de woonfunctie staan, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit onverlet laat dat dit bestemmingsplan in strijd met de verordening voorziet in een uitbreiding van bouwmogelijkheden. Dat het [appellant sub 3] als gevolg van de aanwijzing niet is toegestaan om het op het perceel aanwezige agrarisch bedrijfsgebouw te gebruiken ten behoeve van kleinschalig logeren, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de schade die [appellant sub 3] als gevolg hiervan leidt niet zodanig is dat tot een andere afweging had moeten worden gekomen.

5.4.4. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

5.5. Het beroep richt zich tegen de door het college gegeven aanwijzing 6 ten aanzien van het perceel [locatie 2]. [appellant sub 4] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing. [appellant sub 4] voert hiertoe aan dat het college het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid, nu geen afweging op perceelsniveau heeft plaatsgevonden. Voorts voert [appellant sub 4] aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het op het perceel aanwezige bijgebouw en de aanwezige paardenbak. Volgens [appellant sub 4] heeft het college voorts niet onderkend dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" op het perceel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, zodat de artikelen 2.1 en 2.2 van de verordening niet van toepassing zijn.

5.5.1. Vast staat dat het perceel in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" de bestemming "Wonen" heeft met een verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m². Het perceel heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" de bestemming "Wonen - 1" met een bestemmingsvlak van ongeveer 18.800 m².

5.5.2. Het betoog dat de aanwijzing onzorgvuldig is voorbereid, omdat het college heeft nagelaten een afweging op perceelsniveau te maken, kan niet slagen. Zoals overwogen in 5.1.7, hoeft een aanwijzing niet noodzakelijkerwijs een concreet plandeel te betreffen, maar kan deze ook zien op een planregeling.

5.5.3. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" voorziet, anders dan [appellant sub 4] betoogt, in een verruiming van de bouwmogelijkheden op het perceel. De woning en alle daarbij behorende bebouwing dient onder het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" binnen het verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m² te worden gerealiseerd, terwijl op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" in beginsel binnen het gehele bestemmingsvlak van ongeveer 18.800 m² bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd.

5.5.4. [appellant sub 4] betoogt terecht dat dat feitelijk slechts sprake is van een geringe toename aan bouwmogelijkheden, nu artikel 24, lid 24.2.1, van de planregels beperkingen stelt aan de mogelijkheden om bebouwing op het perceel op te richten. Zoals reeds overwogen in 5.1.5, laat dit onverlet dat in planologische zin sprake is van een verruiming van de bouwmogelijkheden op het perceel. Het college betoogt terecht dat dit, zoals reeds is overwogen onder 5.1.5, niet in overeenstemming is met het in artikel 2.1 van de verordening opgenomen principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de raad niet heeft gemotiveerd welke kwaliteitsverbetering, als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening, met deze verruiming van bouwmogelijkheden gepaard gaat. Anders dan [appellant sub 4] betoogt, heeft het college gelet hierop in redelijkheid tot het geven van de aanwijzing kunnen besluiten.

5.5.5. De omstandigheid dat op het perceel een legaal opgericht bijgebouw en een legaal opgerichte paardenbak aanwezig zijn die niet zijn gelegen binnen het op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" geldende verbale bouwvlak, leidt niet tot een ander oordeel. Dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" voor dit perceel niet in werking treedt, betekent niet dat deze bebouwing niet langer legaal is en dat deze dient te worden verwijderd. Het betekent slechts dat deze bebouwing wederom wordt geregeld door - het overgangsrecht van - het bestemmingsplan "Buitengebied 1997". Voor zover Bierenbroodsport betoogt dat artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de verordening in dit geval van toepassing is, aangezien als gevolg van de feitelijk aanwezigheid van de bebouwing geen mogelijkheid bestaat om deze bebouwing binnen het ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" geldende ruimtebeslag te doen plaatsvinden, kan dit evenmin leiden tot een ander oordeel. Reeds omdat het in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" opgenomen bestemmingsvlak van ongeveer 18.800 m² planologisch meer mogelijk maakt dan slechts het feitelijk aanwezige bijgebouw en de paardenbak is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de verordening, waaronder uitbreiding van het toegestane ruimtebeslag is toegestaan.

5.5.6. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

5.6. Het beroep richt zich tegen de door het college gegeven aanwijzing 6 ten aanzien van het perceel [locatie 3]. [appellant sub 6] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing. [appellant sub 6] voert hiertoe aan dat zij als gevolg van de aanwijzing niet meer de mogelijkheid heeft om op het perceel een bed & breakfast te realiseren.

5.6.1. Vast staat dat het perceel in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" de bestemming "Wonen" heeft met een verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m². Het perceel heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" de bestemming "Wonen - 1" met een bestemmingsvlak van ongeveer 2.560 m².

5.6.2. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" voorziet in een verruiming van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel. De woning en alle daarbij behorende bebouwing dient onder het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" binnen het verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m² te worden gerealiseerd, terwijl op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" in beginsel binnen het gehele bestemmingsvlak van ongeveer 2.560 m² bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd. Het college betoogt terecht dat dit, zoals reeds is overwogen onder 5.1.5, niet in overeenstemming is met het in artikel 2.1 van de verordening opgenomen principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de raad niet heeft gemotiveerd welke kwaliteitsverbetering, als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening, met deze verruiming van bouwmogelijkheden gepaard gaat. Anders dan [appellant sub 6] betoogt, heeft het college gelet hierop in redelijkheid tot het geven van de aanwijzing kunnen besluiten. Dat het [appellant sub 6] als gevolg van de aanwijzing niet is toegestaan om het op het perceel een bed & breakfast te realiseren leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van [appellant sub 6] bij het realiseren van een bed & breakfast niet zodanig zwaarwegend is dat hieraan doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

5.6.3. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

5.7. Het beroep richt zich tegen de door het college gegeven aanwijzing 6 ten aanzien van het perceel [locatie 4]. [appellant sub 7] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing. [appellant sub 7] voert hiertoe aan dat het college geen rekening heeft gehouden met de op het perceel aanwezige bebouwing. [appellant sub 7] voert voorts aan dat hij als gevolg van de aanwijzing niet meer de mogelijkheid heeft om op het perceel een aan huis gebonden bedrijf te beginnen.

5.7.1. Vast staat dat het perceel in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" de bestemming "Wonen" heeft met een verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m². Het perceel heeft in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" de bestemming "Wonen - 1" met een bestemmingsvlak van ongeveer 13.596 m².

5.7.2. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" voorziet in een verruiming van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel. De woning en alle daarbij behorende bebouwing dient onder het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" binnen het verbaal bestemmingsvlak van 1.500 m² te worden gerealiseerd, terwijl op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" in beginsel binnen het gehele bestemmingsvlak van ongeveer 13.596 m² bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd. Het college betoogt terecht dat dit, zoals reeds is overwogen onder 5.1.5, niet in overeenstemming is met het in artikel 2.1 van de verordening opgenomen principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de raad niet heeft gemotiveerd welke kwaliteitsverbetering, als bedoeld in artikel 2.2 van de verordening, met deze verruiming van bouwmogelijkheden gepaard gaat. Anders dan [appellant sub 7] betoogt, heeft het college gelet hierop in redelijkheid tot het geven van de aanwijzing kunnen besluiten.

5.7.3. De omstandigheid dat op het perceel legaal opgerichte bebouwing aanwezig is die niet is gelegen binnen het op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" geldende verbale bouwvlak, leidt niet tot een ander oordeel. Dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" voor dit perceel niet in werking treedt, betekent niet dat deze bebouwing niet langer legaal is en dat deze dient te worden verwijderd. Het betekent slechts dat deze bebouwing wederom wordt geregeld door - het overgangsrecht van - het bestemmingsplan "Buitengebied 1997".

5.7.4. Dat het [appellant sub 7] als gevolg van de aanwijzing niet is toegestaan om het op het perceel een aan huis gebonden bedrijf te beginnen, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van [appellant sub 7] bij het realiseren hiervan niet zodanig zwaarwegend is dat hieraan doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

5.7.5. Het beroep is ongegrond.

Aanwijzing 7

6. Aanwijzing 7 betreft de in artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid waarmee het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning kan afwijken van de bouwregels voor het uitbreiden van de bebouwde oppervlakte van de bestemming "Bedrijf".

Het beroep van de raad

6.1. De raad betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing. De raad voert hiertoe aan dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" eveneens een dergelijke regeling was opgenomen en dat met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo direct medewerking kan worden verleend aan het afwijken van de bouwregels. Voorts betoogt de raad dat toepassing van de afwijkingsbevoegdheid niet leidt tot extra ruimtebeslag, nu de uitbreiding van het bebouwde oppervlakte binnen het bestaande bestemmingsvlak moet plaatsvinden.

6.1.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in de planregels ten onrechte niet is geregeld dat de omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend indien de uitbreiding van de bebouwde oppervlakte gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van de aanwezige of potentiele kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en cultuurhistorische waarde en extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied.

6.1.2. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarische verwante bedrijven en niet-agrarische bedrijven.

Ingevolge lid 7.2.2, onder c, bedraagt de bebouwde oppervlakte aan bedrijfsbebouwing niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte".

Ingevolge lid 7.3.2 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 7.2.2, onder c, voor het uitbreiden van de bebouwde oppervlakte waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de vergroting is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van het bedrijf;

b. de vergroting vindt plaats binnen het bestaande bestemmingsvlak;

c. agrarisch technische hulpbedrijven en agrarische verwante bedrijven zoals genoemd in lid 7.1, onder a, mogen uitbreiden met maximaal 25% van de aangegeven bebouwde oppervlakte;

d. niet-agrarische bedrijven zoals genoemd in lid 7.1, onder b, mogen uitbreiden met maximaal 15% van de aangegeven bebouwde oppervlakte.

6.1.3. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat toepassing van de in artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid leidt tot nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de vorm van extra bebouwing. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt van kwaliteitsverbetering, zoals opgenomen in artikel 2.2 van de verordening, op dergelijke nieuwe ontwikkelingen van toepassing is. Het college stelt verder terecht dat bij de overige in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" opgenomen afwijkingsbevoegdheden waarmee extra bebouwing mogelijk kan worden gemaakt als vereiste is opgenomen dat deze nieuwe bebouwing zorgvuldig landschappelijk dient te worden ingepast, terwijl dit vereiste in artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels ontbreekt. De raad heeft dit onderkend en ter zitting toegelicht dat het ontbreken van dit vereiste in artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels een omissie betreft. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat in de planregels niet is geregeld dat de toepassing van de in artikel 7, lid 7.3.2, opgenomen afwijkingsbevoegdheid gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering, hetgeen niet in overeenstemming is met artikel 2.2 van de verordening. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten tot het geven een aanwijzing ten aanzien van artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels. Dat met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid uitsluitend extra bebouwing binnen het bestaande bestemmingsvlak mogelijk kan worden gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Het uitgangspunt van kwaliteitsverbetering, zoals opgenomen in artikel 2.2 van de verordening, is ook van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaand bestemmingsvlak.

6.1.4. Voor zover de raad betoogt dat de aanwijzing zinledig is, nu nog steeds de mogelijkheid bestaat om met toepassing artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo in afwijking van het bestemmingsplan in een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte te voorzien, kan dit niet slagen. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de verordening is het uitgangspunt van kwaliteitsverbetering eveneens van toepassing op het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Dit betekent dat de raad ook indien hij met toepassing van dit artikel, in plaats van met de door de aanwijzing getroffen planregel, wil voorzien in een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte zal moeten worden voldaan aan het uitgangspunt van kwaliteitsverbetering.

6.1.5. Dat het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" voorziet in een vergelijkbare afwijkingsbevoegdheid, betekent, anders dan de raad betoogt, ten slotte evenmin dat het college niet tot het geven van de aanwijzing heeft kunnen besluiten. Deze omstandigheid laat onverlet dat waar het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" planologisch voorziet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voldaan aan het in de verordening opgenomen uitgangspunt van kwaliteitsverbetering. Daarbij geldt bovendien dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997", anders dan in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" als vereiste voor toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is opgenomen dat een goede landschappelijke inpassing moet zijn verzekerd.

6.1.6. Voor zover de raad ten slotte betoogt dat de aanwijzing niet in overeenstemming is met het provinciale beleid opgenomen in het afsprakenkader "Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant" kan dit evenmin slagen. Het college heeft hierover toegelicht dat met de in artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid de bebouwde oppervlakte van agrarische en niet-agrarische bedrijven kan worden vergroot met maximaal 25% onderscheidenlijk 15%, hetgeen niet als een kleinschalige ontwikkeling in het kader van het beleid kan worden beschouwd. Voor zover de raad betoogt dat in dit beleid staat dat voor ontwikkelingen die met een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt de regels inzake kwaliteitsverbetering niet van toepassing zijn, leidt dit niet tot een ander oordeel. Dat deze regels niet rechtstreeks gelden bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid betekent, zoals volgt uit het beleid, niet dat het college niet kan vergen dat bij de vaststelling van de afwijkingsbevoegdheid in de planregels moet worden opgenomen dat toepassing hiervan gaat gepaard met kwaliteitsverbetering.

6.1.7. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 8]

6.2. [appellante sub 8] betoogt dat het college ten onrechte een aanwijzing heeft gegeven ten aanzien van artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels. [appellante sub 8] voert hiertoe aan dat het college op dit punt geen zienswijze heeft ingediend. [appellante sub 8] voert verder aan dat het college ten onrechte heeft gekozen om de aanwijzing te geven, nu het college eveneens beroep tegen het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" kon instellen. Voorts voert [appellante sub 8] aan dat met het geven van de aanwijzing geen provinciale belangen zijn gemoeid en dat een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing voor de aanwijzing ontbreekt.

6.2.1. In de door het college ingediende zienswijze staat dat de principes van zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap in diverse planvoorschriften zijn vertaald, maar niet voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. Het college vraagt de raad deze uitgangspunten door te vertalen bij alle ontwikkelingen die leiden tot nieuw ruimtebeslag, aldus de zienswijze. De Afdeling is van oordeel dat op deze wijze voldoende duidelijk was aangeduid dat het college zich niet kon verenigen met onder meer de in artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid waarmee extra bebouwing mogelijk kan worden gemaakt. Anders dan [appellante sub 8] betoogt, bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de aanwijzing geen grondslag heeft in de door het college ingediende zienswijze.

6.2.2. Anders dan [appellante sub 8] voorts betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet tot het geven van de aanwijzing heeft kunnen overgaan vanwege de omstandigheid dat hij eveneens beroep tegen het bestemmingsplan had kunnen instellen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200910210/1/R1) maakt het feit dat het college ook beroep had kunnen instellen niet dat daarmee zijn vrijheid om te kiezen voor het geven van een reactieve aanwijzing is beperkt.

6.2.3. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2011 in zaak nr. 201005138/1/R3) is voor het antwoord op de vraag of een belang een provinciaal belang is, bepalend of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten. Het college heeft het openhouden van onbebouwde gebieden en het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied opgevat als provinciaal belang waarvoor met het oog op een goede ruimtelijke ordening een aanwijzing noodzakelijk was. Het college heeft zich in redelijkheid deze belangen als provinciale belangen die de grenzen van de afzonderlijke gemeentelijke gebieden overschrijden, kunnen aantrekken.

6.2.4. Hetgeen [appellante sub 8] heeft aangevoerd, biedt voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college het geven van de aanwijzing onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft zich, zoals reeds overwogen in 6.1.3, terecht op het standpunt gesteld dat in de planregels niet is geregeld dat de toepassing van de in artikel 7, lid 7.3.2, opgenomen afwijkingsbevoegdheid gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering, hetgeen niet in overeenstemming is met artikel 2.2 van de verordening. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten tot het geven een aanwijzing ten aanzien van artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels. Dat volgens [appellante sub 8] op zijn perceel aan de Hoge Zandschel 33 slechts in beperkte mate ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, laat onverlet dat het uitgangspunt van kwaliteitsverbetering hierop van toepassing is.

6.2.5. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 10]

6.3. [appellante sub 10] betoogt dat het college ten onrechte een aanwijzing heeft gegeven ten aanzien van artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels. [appellante sub 10] voert hiertoe aan dat als gevolg van de aanwijzingen het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" niet voorziet in de mogelijkheid om de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing op zijn perceel aan de [locatie 5] uit te breiden, terwijl dit in de toekomst noodzakelijk zal zijn voor een goede bedrijfsvoering.

6.3.1. Het college heeft zich, zoals reeds overwogen in 6.1.3, terecht op het standpunt gesteld dat in de planregels niet is geregeld dat de toepassing van de in artikel 7, lid 7.3.2, opgenomen afwijkingsbevoegdheid gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering, hetgeen niet in overeenstemming is met artikel 2.2 van de verordening. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten tot het geven een aanwijzing ten aanzien van artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels. Dat, zoals [appellante sub 10] terecht betoogt, het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" als gevolg hiervan niet meer voorziet in de mogelijkheid om de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing uit te breiden, leidt niet tot een ander oordeel. Het bevoegd gezag kan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo medewerking verlenen aan concrete uitbreidingsplannen die afwijken van het bestemmingsplan en waarbij wordt voldaan aan het uitgangspunt van kwaliteitsverbetering. Anders dan [appellante sub 10] betoogt, betekent de aanwijzing derhalve niet dat in het geheel geen mogelijkheden tot bedrijfsuitbreiding meer bestaan.

6.3.2. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11]

6.4. [appellant sub 11] betoogt dat het college ten onrechte een aanwijzing heeft gegeven ten aanzien van artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels. [appellant sub 11] voert hiertoe aan dat als gevolg van de aanwijzingen het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" niet voorziet in de mogelijkheid om de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing op zijn perceel aan het Moleneind 11 uit te breiden, terwijl hij hiertoe concrete plannen heeft. [appellant sub 11] voert voorts aan dat hij schade leidt omdat hij de bedrijfsuitbreiding niet volledig kan realiseren.

6.4.1. Het college heeft zich, zoals reeds overwogen in 6.1.3, terecht op het standpunt gesteld dat in de planregels niet is geregeld dat de toepassing van de in artikel 7, lid 7.3.2, opgenomen afwijkingsbevoegdheid gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering, hetgeen niet in overeenstemming is met artikel 2.2 van de verordening. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten tot het geven een aanwijzing ten aanzien van artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels. Dat, zoals [appellant sub 11] terecht betoogt, het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" als gevolg hiervan niet meer voorziet in de mogelijkheid om de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing uit te breiden, leidt niet tot een ander oordeel. Het bevoegd gezag kan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo medewerking verlenen aan concrete uitbreidingsplannen die afwijken van het bestemmingsplan en waarbij wordt voldaan aan het uitgangspunt van kwaliteitsverbetering. Anders dan [appellant sub 11] betoogt, betekent de aanwijzing derhalve niet dat de door hem gewenste bedrijfsuitbreiding in het geheel niet meer kan worden gerealiseerd.

6.4.2. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 13]

6.5. [appellante sub 13] betoogt dat het college ten onrechte een aanwijzing heeft gegeven ten aanzien van artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels. [appellante sub 13] voert hiertoe aan dat het gemeentebestuur voldoende mogelijkheden heeft om te zorgen dat toepassing van de afwijkingsbevoegdheid gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering. [appellante sub 13] voert voorts aan dat het college ten onrechte niet door middel van een aanwijzing heeft geregeld dat de in het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" opgenomen bestemmingsvlakken kunnen worden verruimd.

6.5.1. Het college heeft zich, zoals reeds overwogen in 6.1.3, terecht op het standpunt gesteld dat in de planregels niet is geregeld dat de toepassing van de in artikel 7, lid 7.3.2, opgenomen afwijkingsbevoegdheid gepaard gaat met een kwaliteitsverbetering, hetgeen niet in overeenstemming is met artikel 2.2 van de verordening. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten tot het geven van een aanwijzing ten aanzien van artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels. Dat, zoals [appellante sub 13] betoogt, het gemeentebestuur andere mogelijkheden heeft om kwaliteitsverbetering te realiseren, zoals het sluiten van een anterieure overeenkomst, leidt niet tot een ander oordeel. De verordening is niet van toepassing op het besluit tot het toepassen van de in artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Bij gebreke aan een planregel waarin is vereist dat toepassing van de afwijkingsbevoegdheid gepaard gaat met kwaliteitsverbetering, heeft het college derhalve geen mogelijkheden om te waarborgen dat dit uitgangspunt wordt nageleefd bij een dergelijk besluit.

6.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 maart 2011 in zaak nr. 201001881/1/R2), is de reactieve aanwijzing, gelet op het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro en de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wro, anders dan de zogenoemde proactieve aanwijzing, niet gericht op het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan, maar heeft een dergelijk besluit slechts tot doel dat een onderdeel van een bestemmingsplan geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals dit is vastgesteld. Gelet hierop is het niet mogelijk dat het college een reactieve aanwijzing geeft die erop is gericht dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" gaat voorzien in ruimere afwijkingsbevoegdheden dan de raad in de planregels heeft mogelijk gemaakt.

6.5.3. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

7. Met betrekking tot het beroep van [appellant sub 12] moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het belang bij het beroep, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan het beroep is tegemoetgekomen. Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb is een proceskostenveroordeling in dit geval mogelijk, nu door het intrekken van de reactieve aanwijzingen met nrs. 8-12 sprake is van tegemoetkomen in de hiervoor bedoelde zin. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding het college op navolgende wijze te veroordelen in de proceskosten van [appellant sub 12].

7.1. Ten aanzien van het beroep van de raad is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

7.2. De Afdeling ziet voorts aanleiding het college te gelasten het betaalde griffierecht aan [appellant sub 12] en de raad te vergoeden.

7.3. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellante sub 8], [appellante sub 10], [appellant sub 11] en [appellante sub 13] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de raad van de gemeente Loon op Zand, voor zover gericht tegen de reactieve aanwijzingen met nrs. 1, 2, 3 en 8 tot en met 12, en het beroep van [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellante sub 8], de raad van de gemeente Loon op Zand, voor het overige, [appellante sub 10], [appellant sub 11] en [appellante sub 13] ongegrond;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand en € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

De voorzitter

is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

w.g. Schaaf ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

523.