Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1050

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
201205637/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:4032, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft het college van bestuur naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van [appellant] een aantal documenten betreffende de afbestelling door de Universiteit Utrecht van een deeltjesversneller openbaar gemaakt en andere documenten geweigerd openbaar te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205637/1/A3.

Datum uitspraak: 11 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 april 2012 in zaak nr. 11/3767 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van bestuur van de Universiteit Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft het college van bestuur naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van [appellant] een aantal documenten betreffende de afbestelling door de Universiteit Utrecht van een deeltjesversneller openbaar gemaakt en andere documenten geweigerd openbaar te maken.

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft het college van bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 oktober 2011 vernietigd, voor zover daarbij is geweigerd de onder geheimhouding aan de rechtbank verstrekte stukken (productie 8 en 9) openbaar te maken, met dien verstande dat de in productie 9 vermelde bedragen kunnen worden zwart gemaakt, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, voor zover dat is vernietigd, en het college van bestuur opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de genoemde stukken openbaar te maken. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 12 juli 2012 heeft [appellant] de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Het college van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2013, waar [appellant] en het college van bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.F. van den Hoeven, werkzaam bij de Universiteit Utrecht, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: Verdrag van Aarhus) waarborgt elke Partij dat overheidsinstanties, in antwoord op een verzoek om milieu-informatie, deze informatie binnen het kader van de nationale wetgeving beschikbaar stellen aan het publiek.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder d, kan een verzoek om milieu-informatie worden geweigerd indien de bekendmaking een nadelige invloed zou hebben op de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële informatie, wanneer deze informatie bij wet beschermd wordt om een legitiem economisch belang te beschermen. Deze grond voor weigering wordt restrictief uitgelegd, met inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare belang.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Ingevolge het vierde lid blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.

2. Op 15 april 2008 heeft de Universiteit Utrecht een ‘overeenkomst tot beëindiging opdracht tevens vaststellingsovereenkomst’ gesloten met High Voltage Engineering Europa B.V. (hierna: HVEE) betreffende de opdracht tot levering en installatie van een deeltjesversneller. In deze overeenkomst is bepaald dat de opdracht is beëindigd indien en zodra onder meer een bindende overeenkomst tot verkoop tussen HVEE en de nieuwe afnemer Forschungszentrum Dresden-Rossendorf is getekend en tot stand is gekomen, hetgeen op 15 april 2008 is gebeurd.

[appellant] heeft bij brief van 12 april 2011 verzocht om openbaarmaking van de volgende documenten inzake de afbestelling van de deeltjesversneller:

I. besluit "voorjaar 2007" betreffende het afbestellen van de deeltjesversneller;

II. brief aan de decaan Bètawetenschappen betreffende het besluit tot afbestellen van de deeltjesversneller en de mededeling betreffende dat besluit aan de betrokkene bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (hierna: NWO);

III. alle communicatie met HVEE en andere externe partijen betreffende de bestelde deeltjesversneller;

IV. brieven aan of van de NWO betreffende het IBAC-project vanaf de toekenning van de subsidie tot heden;

V. begrotingen en jaarrekeningen over de jaren 2006 tot en met 2010 van de faculteit Bètawetenschappen.

3. Bij het besluit van 6 oktober 2011 heeft het college van bestuur zijn besluit van 6 juni 2011 gehandhaafd en de documenten onder I, II en III geweigerd openbaar te maken. Het heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de documenten onder I en II niet bestaan. De documenten onder III bevatten volgens het college van bestuur vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Hieruit zouden gegevens of wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers, aldus het college van bestuur.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de stelling van het college van bestuur dat de documenten onder I en II niet bestaan, haar niet ongeloofwaardig voorkomt. [appellant] heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de door hem verzochte documenten toch onder het college van bestuur berusten, zodat het college van bestuur terecht heeft geweigerd die documenten openbaar te maken. Wat betreft de weigering de documenten onder III openbaar te maken, heeft de rechtbank overwogen dat deze documenten, door het college van bestuur aangeduid als productie 8 en 9, met uitzondering van de in productie 9 vermelde bedragen, geen passages bevatten waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Evenmin bevatten zij gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen. Het college van bestuur heeft die documenten derhalve ten onrechte geweigerd openbaar te maken, behoudens de in productie 9 vermelde bedragen, aldus de rechtbank.

5. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de door het college van bestuur vertrouwelijk overgelegde stukken.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college van bestuur zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de afbestelling van de deeltjesversneller losstaat van de afbraak van de oude deeltjesversneller, zodat de documenten met betrekking tot verwijdering van de oude deeltjesversneller niet onder zijn verzoek vallen. Het afbreken en het verwijderen van de oude deeltjesversneller waren volgens [appellant] onderdeel van de aanbestedingsovereenkomst tussen de Universiteit Utrecht en HVEE, zodat ook de documenten die betrekking hebben op de afbraak van de oude deeltjesversneller onder zijn verzoek vallen.

6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat eventuele documenten met betrekking tot het verwijderen van de oude deeltjesversneller niet onder het verzoek van [appellant] vallen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit het verzoek van [appellant] van 12 april 2011 volgt dat hij heeft verzocht om: het "college besluit (beslissing) […] betreffende het afbestellen (niet laten doorgaan) van de zgn. IBAC versneller", "de mededeling (brief) aan de decaan Bètawetenschappen betreffende het bovengenoemde besluit (beslissing) en aan de betrokkene bij NWO groot project", "alle brieven en andere vormen voor communicatie […] met NWO betreffende het IBAC project van de toekenning in juni 2004 tot heden", "alle brieven en andere vormen voor communicatie met de leverancier […]", "alle brieven en andere vormen voor communicatie met andere externe partijen betreffende de bestelde versneller […] ook […] alle correspondentie met de uiteindelijke afnemer van de versneller" en de begrotingen en jaarrekeningen over de jaren 2006 tot en met 2010. Gelet hierop heeft [appellant] , naast de genoemde begrotingen en jaarrekeningen, uitsluitend verzocht om documenten die betrekking hebben op de nieuwe, bij HVEE bestelde, deeltjesversneller. Dat verwijdering van de oude deeltjesversneller onderdeel was van de aanbestedingsovereenkomst tussen de Universiteit Utrecht en HVEE doet daar, wat daar verder van zij, niet aan af, nu het verzoek van [appellant] niet ziet op documenten betreffende de aanbesteding, maar op documenten betreffende de aanschaf en afbestelling van de deeltjesversneller.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college van bestuur de documenten als vermeld onder I en II terecht heeft geweigerd. [appellant] voert hiertoe aan dat het college van bestuur ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is gehouden een besluit op schrift te stellen, in het besluitenregister te registreren en aan belanghebbenden mee te delen. Bovendien dienen besluiten bekend te worden gemaakt teneinde de rechtsgevolgen daarvan te kunnen laten intreden. Gelet hierop heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat de documenten als vermeld onder I en II bestaan en bij het college van bestuur berusten, aldus [appellant].

7.1. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Afdeling overwogen dat het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder het bestuursorgaan berust.

7.2. Het college van bestuur heeft te kennen gegeven dat de documenten als vermeld onder I en II niet bestaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat die mededeling niet ongeloofwaardig is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college van bestuur te kennen heeft gegeven dat met betrekking tot de afbestelling van de deeltjesversneller geen besluit is opgesteld en dat de beslissing tot afbestelling van de deeltjesversneller mondeling aan HVEE is medegedeeld. Het heeft ter staving daarvan gewezen op een door hem bij het verweerschrift gevoegde brief van 10 oktober 2007 van HVEE aan de Universiteit Utrecht waarin staat dat de Universiteit Utrecht op 4 april 2007 mondeling aan HVEE heeft laten weten tot afbestelling van de deeltjesversneller over te gaan. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat die documenten wel aanwezig moeten zijn omdat het college van bestuur verplicht is een besluit, zoals de afbestelling van de deeltjesversneller, op schrift te stellen, wordt met de rechtbank overwogen dat geen wettelijke bepaling bestaat die het college van bestuur verplicht besluiten als thans aan de orde op schrift te stellen. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bevat louter een definitie van het begrip besluit en, anders dan [appellant] stelt, geen verplichting voor bestuursorganen in bepaalde gevallen besluiten als bedoeld in dat artikel te nemen. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat, anders dan het college van bestuur heeft gesteld, inzake de afbestelling van de deeltjesversneller documenten als vermeld onder I en II zijn opgemaakt en onder het college van bestuur berusten. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het college van bestuur terecht heeft geweigerd dergelijke documenten openbaar te maken.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 6 oktober 2011 in strijd is met het Verdrag van Aarhus. Hij voert hiertoe aan dat bij de aanschaf van de deeltjesversneller en de verwijdering van de oude deeltjesversneller verscheidene milieuaspecten een rol spelen. Gelet op het Verdrag van Aarhus had die informatie openbaar gemaakt moeten worden, aldus [appellant].

8.1. Gelet op hetgeen in 4., 6.1. en 7.2. is overwogen, richt dit betoog van [appellant] zich op de in productie 9 vermelde bedragen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het besluit van 6 oktober 2011 in strijd is met het Verdrag van Aarhus. Hiertoe wordt overwogen dat de in productie 9 vermelde bedragen niet openbaar zijn gemaakt, omdat die bedragen volgens het college van bestuur vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens zijn als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, hetgeen [appellant] niet heeft bestreden. In het kader van de implementatie van het Verdrag van Aarhus is, in overeenstemming met artikel 4, vierde lid, aanhef en onder d, van dat verdrag, aan artikel 10 van de Wob het vierde lid toegevoegd. Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Wob blijft, in afwijking van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang. Daargelaten de vraag of de niet openbaar gemaakte bedragen kunnen worden aangemerkt als milieu-informatie, heeft het college van bestuur het belang van geheimhouding van bedrijfs- en fabricagegegevens in redelijkheid zwaarwegender kunnen achten dan het belang van openbaarmaking.

Het betoog faalt.

9. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college van bestuur zich bij het besluit van 6 oktober 2011 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat onder zijn verzoek niet meer documenten vallen dan productie 8 en 9 en de documenten die bij het besluit van 6 juni 2011 openbaar zijn gemaakt. Hij voert hiertoe aan dat het standpunt van het college van bestuur ongeloofwaardig is, nu het na de procedure bij de rechtbank nog twaalf documenten, inhoudende communicatie met HVEE en andere externe partijen over het afbestellen van de deeltjesversneller, openbaar heeft gemaakt. Die documenten vallen allemaal onder zijn verzoek. Daarnaast volgt volgens [appellant] uit de door het college van bestuur na de aangevallen uitspraak openbaar gemaakte documenten en uit een documentenlijst van mei 2012 dat er nog zeven andere documenten en verscheidene e-mails zijn die onder zijn verzoek vallen, maar niet openbaar zijn gemaakt.

9.1. Het college van bestuur heeft in zijn verweerschrift te kennen gegeven dat hernieuwd onderzoek, dat heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het hogerberoepschrift van [appellant], nog twaalf documenten heeft opgeleverd, die onder het verzoek van [appellant] vallen. Op 1 oktober 2012 heeft het college van bestuur die twaalf documenten openbaar gemaakt, met uitzondering van de daarin opgenomen bedragen. Niet in geschil is dat de beslissing tot openbaarmaking van deze documenten niet in een begeleidend schrijven of anderszins schriftelijk is vastgelegd. Volgens het college van bestuur mocht openbaarmaking van deze stukken, behoudens de daarin vermelde bedragen, niet geweigerd worden. Derhalve heeft het college van bestuur, anders dan waar in de aangevallen uitspraak van is uitgegaan, zich in het besluit van 6 oktober 2011 ten onrechte op het standpunt gesteld dat onder het verzoek van [appellant] niet meer documenten vallen dan productie 8 en 9 en de documenten die bij het besluit van 6 juni 2011 openbaar zijn gemaakt.

Het betoog slaagt in zoverre.

9.2. Met betrekking tot de twaalf op 1 oktober 2012 alsnog openbaar gemaakte documenten heeft het college van bestuur te kennen gegeven dat de reden waarom die documenten niet eerder zijn aangetroffen, is gelegen in het feit dat de faculteit Bètawetenschappen in 2005 is ontstaan uit een fusie tussen verschillende faculteiten en dat de archieven van de oude faculteiten pas later zijn gecentraliseerd, waardoor die documenten op verschillende plaatsen in de organisatie zijn bewaard. Na onderzoek in de archieven van die faculteiten zijn de twaalf documenten alsnog gevonden. Gelet hierop bestaat geen grond de stelling van het college van bestuur, dat het met de openbaarmaking van de twaalf documenten alle documenten die onder het verzoek van [appellant] vallen, openbaar heeft gemaakt, ongeloofwaardig te achten. Dat in een aantal van die twaalf documenten wordt verwezen naar verscheidene brieven en e-mails betekent niet dat die documenten onder het college van bestuur berusten. Voor zover [appellant] betoogt dat het college van bestuur een brief van 4 april 2007 van de Universiteit Utrecht aan HVEE betreffende de overweging om de opdracht te beëindigen ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt, wordt als volgt overwogen. Hoewel in de ‘overeenkomst tot beëindiging opdracht tevens vaststellingsovereenkomst’ staat dat de Universiteit Utrecht op 4 april 2007 haar overweging aan HVEE te kennen heeft gegeven om de overeengekomen opdracht te beëindigen, heeft [appellant] ten onrechte gesteld dat daarmee wordt verwezen naar een schriftelijk stuk, nu zulks uit die overeenkomst niet kan worden afgeleid. Zoals onder 7.2. is overwogen, volgt uit de brief van 10 oktober 2007 van HVEE aan de Universiteit Utrecht dat de Universiteit Utrecht mondeling aan HVEE heeft laten weten tot afbestelling van de deeltjesversneller over te gaan. [appellant] heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat onder het college van bestuur nog meer documenten berusten die onder zijn verzoek vallen, maar niet, al dan niet gedeeltelijk, openbaar zijn gemaakt.

Het betoog faalt in zoverre.

10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 6 oktober 2011 in stand is gelaten, in zoverre dit niet strekt tot openbaarmaking van de twaalf documenten, die op 1 oktober 2012 alsnog openbaar zijn gemaakt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 6 oktober 2011 in zoverre alsnog vernietigen wegens strijd met artikel 3, vijfde lid, van de Wob. De uitspraak van de rechtbank dient voor het overige, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

11. Nu het college van bestuur op 1 oktober 2012 de twaalf onder het verzoek van [appellant] vallende, maar nog niet eerder openbaar gemaakte documenten alsnog, met uitzondering van de daarin vermelde bedragen, openbaar heeft gemaakt, zal de Afdeling bepalen dat het college van bestuur in zoverre geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen. Teneinde te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit van 6 oktober 2011 in stand kunnen worden gelaten, voor zover dat niet strekt tot openbaarmaking van de in de twaalf documenten vermelde bedragen, wordt als volgt overwogen.

12. Het college van bestuur heeft in zijn verweerschrift onder verwijzing naar artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob uiteengezet dat openbaarmaking van de in de twaalf documenten vermelde bedragen achterwege moet blijven, omdat deze bedragen vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens zijn. [appellant] betoogt dat het college van bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bedragen dergelijke gegevens zijn.

12.1. Het college van bestuur heeft in voormelde uiteenzetting verwezen naar de aangevallen uitspraak waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de bedragen in productie 9 met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob mogen worden weggelakt nu deze bedragen concurrentiegevoelige informatie vormen die inzicht kan geven in de bedrijfsvoering van de leverancier van de deeltjesversneller. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er in Europa maar twee leveranciers van deeltjesversnellers zijn. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de bedragen in de twaalf hiervoor bedoelde documenten vergelijkbaar met de bedragen in productie 9. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de twaalf documenten hetzelfde onderwerp betreffen als productie 9, zodat het college van bestuur deze bedragen eveneens heeft mogen aanmerken als vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens en openbaarmaking daarvan derhalve terecht heeft geweigerd. Voor het geval die bedragen kunnen worden aangemerkt als milieu-informatie, daargelaten of dat zo is, wordt, onder verwijzing naar hetgeen in 8.1. uiteen is gezet, overwogen dat het college van bestuur het belang van geheimhouding van bedrijfs- en fabricagegegevens in redelijkheid zwaarwegender heeft kunnen achten dan het belang van openbaarmaking.

Gezien het voorgaande, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit van 6 oktober 2011, voor zover dat niet strekt tot openbaarmaking van de in voormelde twaalf documenten vermelde bedragen, in stand blijven.

13. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 april 2012 in zaak nr. 11/3767, voor zover daarbij het besluit van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht van 6 oktober 2011, kenmerk JZ/11.21051, in stand is gelaten, voor zover dat besluit niet strekt tot openbaarmaking van de twaalf documenten, die het op 1 oktober 2012 alsnog openbaar heeft gemaakt;

III. vernietigt dat besluit in zoverre;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit, voor zover dat niet strekt tot openbaarmaking van de in voormelde twaalf documenten vermelde bedragen, in stand blijven;

V. bepaalt dat het college van bestuur van de Universiteit Utrecht geen nieuw besluit op het door [appellant] tegen het besluit van 6 juni 2011, kenmerk JZ/11.20634, gemaakte bezwaar hoeft te nemen;

VI. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige, voor zover aangevallen;

VII. gelast dat het college van bestuur van de Universiteit Utrecht aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2013

582-730.