Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
201301765/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2011 heeft het college een aantal documenten geanonimiseerd openbaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301765/1/A3.

Datum uitspraak: 4 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 februari 2013 in zaak nr. 12/1157 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2011 heeft het college een aantal documenten geanonimiseerd openbaar gemaakt.

Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak samen met zaak nr. 201211791/1/A3 ter zitting behandeld op 20 augustus 2013, waar [appellant], en het college , vertegenwoordigd door mr. I. Simonides, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

2. [appellant] heeft met betrekking tot de ambtenaren H. Blokzijl, [getuige A], F.H. Grommers, L.A. Horlings en G. Veenstra (hierna: de ambtenaren) verzocht om openbaarmaking van de bonussen en prestatiebeloningen, de grond waarop deze zijn gebaseerd, de data waarop die zijn ingevoerd en de maximale hoogte, welke van voornoemde ambtenaren daarvoor in aanmerking kwamen en komen en wie van hen daadwerkelijk de gelden hebben ontvangen en op grond waarvan, wat de hoogte was van die gelden en de data waarop ze zijn uitgekeerd, en wie zichzelf of een van de genoemde ambtenaren een promotie heeft toegekend, wanneer dat is geschied, op grond waarvan en wat voor financiële verbetering dat tot gevolg heeft gehad.

Het college heeft de brieven ten aanzien van de ambtenaren die zien op het belonen openbaar gemaakt, met uitzondering van de namen van de ambtenaren aan wie de beloningen zijn toegekend. Het heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de gemeente geen promoties toekent aan ambtenaren, dat documenten die daarop betrekking hebben daarom niet bestaan en die daarom niet openbaar gemaakt kunnen worden.

Aan het in beroep bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het slechts in beperkte mate een beroep kan doen op het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer indien het gaat om de openbaarmaking van informatie over het beroepshalve functioneren van ambtenaren. Ten aanzien van het beroepsmatig functioneren kan in beginsel geen beroep worden gedaan op de weigeringsgrond die is vervat in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, maar dit kan anders zijn indien het gaat om de openbaarmaking van namen van ambtenaren. Het openbaar maken van de namen van de ambtenaren vormt een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, aldus het college in het bij de rechtbank bestreden besluit.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank in haar uitspraak niet alle stukken heeft genoemd die hij heeft ingediend. Zijn brief aan de rechtbank van 25 januari 2013 en de pleitnota met vragenlijst die hij ter zitting van de rechtbank heeft voorgedragen zijn bijvoorbeeld niet vermeld, terwijl die wel relevant zijn. Ook is de rechtbank onvoldoende ingegaan op de door hem aangedragen betogen die zien op de onjuiste en schadelijke bureaucratische handelwijze van gemeentezijde die hem in een uitzichtloze en kafkaëske situatie heeft gebracht. In een eerdere procedure, waarin hij heeft verzocht om openbaarmaking van informatie op grond van de Wob, hebben twee vertegenwoordigers van het college onwaarheden verkondigd tegenover de rechtbank Groningen. De Afdeling heeft dit ook erkend in de uitspraak in zaak nr. 201003901/1/H3, waarbij de uitspraak van de rechtbank Groningen is vernietigd. De rechtbank heeft niet onderkend dat niet hij maar het college de term overzichten heeft geïntroduceerd in de procedure die heeft geleid tot voormelde uitspraak van de Afdeling en had hieraan ter zitting en in haar uitspraak de aandacht moeten geven die het onderwerp verdient, nu dit een centraal element in deze zaak is, aldus [appellant]. Voorts heeft de rechtbank volgens hem miskend dat het college de raad van de gemeente Groningen onjuist heeft geïnformeerd over de aard van zijn verzoek om openbaarmaking.

3.1. Voorop gesteld dient te worden dat deze procedure wordt begrensd door [appellant]s verzoek om openbaarmaking van informatie en de besluiten van het college die zien op dat verzoek. In deze procedure kan niet aan de orde komen de wijze waarop de gemeente zich sinds 1989 jegens [appellant] heeft opgesteld en wie schuldig is aan de situatie waarin hij zich thans zegt te bevinden.

3.2. De rechtbank was niet gehouden alle stukken die [appellant] heeft ingediend te benoemen in haar uitspraak, nu geen rechtsregel haar daartoe verplicht. Uit de uitspraak volgt dat de rechtbank hetgeen hij in de brief van 25 januari 2013 heeft aangevoerd wel heeft behandeld, nu daarin ingaat op onder meer [appellant]s verzoek om getuigen op te roepen, welk verzoek in die brief is vervat. Voorts is in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank vermeld dat [appellant] een pleitnota heeft voorgedragen.

De rechtbank was voorts niet gehouden om op grond van de omstandigheid dat het college de rechtbank Groningen in een andere procedure, naar [appellant] stelt, onjuist heeft voorgelicht zijn beroep gegrond te verklaren en het besluit van 15 oktober 2012 te vernietigen. Hetgeen is voorgevallen in de andere procedure ziet niet op het verzoek om openbaarmaking dat thans onderwerp vormt van deze procedure. Ook het onjuist voorlichten van de raad, naar [appellant] stelt, is onvoldoende, omdat dit niet ziet op de vraag of het college al dan niet mocht weigeren de namen van de ambtenaren openbaar te maken.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet [getuige A], [getuige B] en [getuige C] als getuigen heeft opgeroepen, ondanks zijn verzoek daartoe. Die getuigen hadden licht kunnen werpen op de ware handelwijze van de gemeente ten opzichte van hem en de gevolgen voor hem van die handelwijze, hetgeen de achtergrond vormt van het verzoek om openbaarmaking dat thans onderwerp is van deze procedure en zijn andere verzoeken om openbaarmaking. Voorts hadden zij duidelijkheid kunnen verschaffen over de juridische en ambtelijke integriteit van ambtenaren van de gemeente en de hoge kosten voor hem en de gemeente van alle procedures en verzoeken. In het verlengde daarvan heeft [appellant] de Afdeling verzocht voornoemde getuigen alsnog op te roepen om te getuigen ter zitting van de Afdeling.

4.1. Zoals reeds hiervoor onder 3.1 is overwogen, wordt deze procedure begrensd door [appellant]s verzoek om openbaarmaking van informatie en de besluiten van het college die zien op dat verzoek. Bij die besluiten heeft het college, zoals hiervoor onder 2 reeds is overwogen, de brieven ten aanzien van de ambtenaren die zien op het belonen openbaar gemaakt, met uitzondering van de namen van de ambtenaren. Het geding bij de rechtbank beperkte zich tot de vraag of het college mocht weigeren de namen van de ambtenaren in die brieven openbaar te maken. De rechtbank heeft gelet daarop en op de omstandigheid dat hij hen wenste te ondervragen over het bestaan van misstanden bij de gemeente terecht geen aanleiding gezien de personen die [appellant] heeft genoemd als getuige op te roepen.

Om dezelfde reden heeft de Afdeling geen aanleiding gezien het verzoek van [appellant] in te willigen en de personen die hij heeft genoemd op te roepen als getuige.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de ambtenaren zwaarder mocht laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Het begrip persoonlijke levenssfeer heeft een open structuur en kan op meer manieren worden uitgelegd. Ambtenaren staan ten dienste van de gemeenschap. Daarom kunnen niet allerlei gedragingen en gebeurtenissen onder de dekmantel van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer worden geschoven. Voorts heeft de rechtbank miskend dat de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer vele malen groter is dan die op die van de ambtenaren bij het openbaar maken van hun namen, nu die ambtenaren veel meer weten over zijn persoonlijke leven dan hij ooit over dat van hen zal doen, aldus [appellant]. Ten ondersteuning van dit betoog verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2001 in zaak nr. 200004580/1. Daarnaast is de rechtbank volgens hem ten onrechte niet ingegaan op hetgeen hij heeft aangevoerd over het afschrijvingsbeleid dat de gemeente voert.

5.1. Voorop gesteld dient te worden dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 17 februari 2010 in zaak nr. 200906298/1, de Wob het belang van openbaarmaking voor een goede en democratische besluitvorming vooronderstelt als een op zichzelf staand belang en het gewicht van dit belang niet afhankelijk is van het onderwerp waarop de documenten betrekking hebben.

De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2008 in zaak nr. 200706367/1 (www.raadvanstate.nl) overwogen dat, waar het gaat om beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Ten aanzien van zodanig functioneren kan in beginsel geen beroep worden gedaan op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Dit ligt anders indien het betreft het openbaar maken van namen van de ambtenaren. Namen zijn immers persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen het openbaar maken daarvan verzetten. Voorts is van belang dat het hier niet gaat om het opgeven van namen aan een individuele burger die met ambtenaren in contact treedt, maar om openbaarmaking van de namen in de zin van de Wob.

Voorts heeft de rechtbank terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2007 in zaak nr. 200607848/1 overwogen dat gegevens over het salaris van een ambtenaar onder de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vallen.

Het college heeft de door [appellant] gevraagde informatie over toegekende bonussen, voor zover bij hem aanwezig, reeds openbaar gemaakt en slechts geweigerd de namen van de ambtenaren aan wie de bonussen zijn toegekend openbaar te maken. Gelet op voornoemde uitspraken van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college mocht weigeren de namen van de ambtenaren openbaar te maken vanwege het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

5.2. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1 is overwogen is de rechtbank terecht niet ingegaan op hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de wijze waarop de gemeente zich sinds 1989 jegens hem heeft opgesteld en wie schuldig is aan de situatie waarin hij zich thans zegt te bevinden.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Reuveny

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013

622.