Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1021

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
201301128/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "MFC Oudega" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6276
JOM 2014/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301128/1/R4.

Datum uitspraak: 4 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te Oudega, gemeente Smallingerland,

2. [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Oudega, gemeente Smallingerland,

en

de raad van de gemeente Smallingerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "MFC Oudega" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2013, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. T. van der Weijde, [appellant sub 2], bijgestaan door R.P. Scholte Albers, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E. de Haan en mr. ing. N.J. Hoek, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een multifunctioneel centrum (hierna: MFC) bij de sportvelden in het westen van de kern Oudega.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1]

3. [appellanten sub 1] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk - 2". Zij vrezen dat het ter plaatse voorziene MFC hun woon- en leefklimaat onevenredig zal aantasten. Zij voeren hiertoe het volgende aan.

verkeer en parkeren

4. De komst van het MFC zal volgens [appellanten sub 1] leiden tot verkeersoverlast op de toegangsweg tot het MFC omdat volgens hen ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkeersafwikkeling op deze smalle weg, waarop onder meer een school wordt ontsloten. Voorts leidt het plan volgens hen tot parkeerproblemen. Zij betogen daartoe dat de raad ten onrechte niet de meest recente parkeernormen heeft gehanteerd, waardoor in het plan te weinig parkeerplaatsen zijn voorzien.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot onevenredige verkeersoverlast. Daartoe stelt de raad dat de snelheid en de verkeersintensiteit op de toegangsweg tot het MFC laag zullen zijn waardoor de geringe breedte van de weg geen probleem is. Een eenrichtingsweg of bredere weg zal volgens de raad juist uitnodigen tot een hogere snelheid, hetgeen de raad onwenselijk acht. Volgens de raad zullen niet alle functies van het MFC tegelijkertijd in gebruik zijn en is het te verwachten dat de meeste bezoekers van het MFC met de fiets zullen komen. Gelet daarop zal het aantal motorvoertuigen dat het MFC aantrekt volgens de raad beperkt zijn en is het aansluiten bij de minimale parkeercijfers uit de CROW-publicatie 182 "Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering" reëel. Uitgaande van die parkeercijfers zijn volgens de raad voldoende parkeerplaatsen in het plan voorzien. Daarnaast acht de raad parkeren langs de Buorren, zoals thans reeds gebeurt, ten tijde van bijvoorbeeld sportevenementen ook acceptabel. Indien wordt uitgegaan van de onlangs beschikbaar gekomen parkeercijfers, komt de minimale parkeervraag overigens lager uit, aldus de raad.

4.2. Aan het perceel waar het MFC is voorzien is de bestemming "Maatschappelijk -2" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk -2" aangewezen gronden onder meer bestemd voor levensbeschouwelijke voorzieningen; medische- en sociaal-medische voorzieningen; educatieve voorzieningen; sportieve voorzieningen; voorzieningen op het gebied van openbare dienstverlening; sociaal-culturele voorzieningen en evenementen, alsmede voor de daarbij behorende parkeervoorzieningen.

4.3. Volgens de verkeersgegevens uit het akoestisch onderzoek zullen er in totaal onderscheidenlijk 5, 9 en 2 motorvoertuigbewegingen per uur gedurende onderscheidenlijk de dag, de avond en de nacht plaatsvinden. In dat onderzoek is er voorts van uitgegaan dat de helft van de bezoekers met de fiets of ter voet komt.

Het standpunt van de raad dat de toename van verkeersbewegingen vanwege het MFC gelet op de daarin mogelijk gemaakte functies zich verspreid over de dag zal voordoen, nu het MFC op verschillende dagdelen voor verschillende functies zal worden gebruikt, acht de Afdeling niet onaannemelijk. Gelet hierop alsmede in aanmerking genomen de beschikbare verkeersgegevens en het daarin opgenomen uitgangspunt dat ongeveer de helft van de bezoekers per fiets of per voet zullen komen, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat de verkeersintensiteit vanwege het MFC beperkt zal zijn aannemelijk. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het smalle wegprofiel van de toegangsweg tot het MFC behouden kan blijven, nu een brede weg of een eenrichtingsweg in combinatie met een lage verkeersintensiteit uitnodigt tot hoge snelheden. Voor zover [appellanten sub 1] aanvoeren dat de verkeersbewegingen van vrachtwagens en ambulances op deze weg voor een verkeersonveilige situatie zullen leiden, overweegt de Afdeling dat [appellanten sub 1] niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan met zich brengt dat ambulances of vrachtwagens het plangebied niet veilig kunnen bereiken of verlaten. Daarbij betrekt de Afdeling het standpunt van de raad dat auto’s in dergelijke gevallen kunnen wachten om ambulances of vrachtwagens te laten passeren. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beperkte verkeerstoename niet zal leiden tot verkeersoverlast of verkeersonveilige situaties in de omgeving van het plangebied. Het betoog faalt.

5. In de notitie parkeren MFC Oudega is weergegeven dat het bestaande parkeerterrein bij het plangebied ruimte heeft voor 32 auto’s. Met gebruikmaking van de CROW-publicatie 182 heeft de raad de parkeerbehoefte voor het MFC vastgesteld. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daar niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid heeft bij het hanteren van onder meer parkeerrichtlijnen bij de vaststelling van een bestemmingsplan.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen uit te gaan van de minimale parkeernormen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat in het MFC verschillende functies zijn beoogd die op verschillende dagdelen een verschillende parkeerbehoefte met zich brengen, alsmede de op ervaringscijfers gebaseerde verwachting van de raad dat veel bezoekers van de sportaccommodatie te voet en per fiets zullen komen. Verder hebben [appellanten sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de raad dat dit naar verwachting ook zal gelden voor bezoekers van de andere voorzieningen van het MFC, nu deze zijn bedoeld voor de bewoners van de kern Oudega, onrealistisch is. Volgens de notitie parkeren kan het aantal in het plan voorziene parkeerplaatsen op alle dagdelen aan de minimale parkeervraag beantwoorden.

De raad heeft verder toegelicht dat in de bestaande situatie aan de Buorren wordt geparkeerd en dat dit in de voorziene situatie nog steeds mogelijk zal zijn. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze informatie onjuist is. Daarnaast zijn binnen het hele plangebied parkeervoorzieningen toegestaan, ten behoeve van de bestemming "Maatschappelijk - 2" onderscheidenlijk de bestemming "Sport".

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot parkeeroverlast. Het betoog faalt.

Overigens zijn ook wanneer wordt uitgegaan van de meest recente CROW-publicatie 317, volgens de tabel bij het verweerschrift van 28 maart 2013, gedurende alle dagdelen voldoende parkeerplaatsen aanwezig om aan de parkeervraag te beantwoorden indien wordt uitgegaan van de minimale parkeernormen.

geluidsrapport

6. Het geluidrapport dat is opgesteld ten behoeve van het plan is volgens [appellanten sub 1] onzorgvuldig tot stand gekomen, waardoor de geluidbelasting verkeerd is berekend. [appellanten sub 1] wijzen hiertoe op het aantal motorvoertuigen per uur dat in het rapport volgens hen onjuist is berekend. Ook is volgens hen in het rapport vermeld dat de toegangsweg tot het MFC is voorzien tussen de school en de woning Ds. Carsjenssingel 34, terwijl de weg tussen de school en de woning Buorren 34 is voorzien. Ook zijn de beoordelingspunten 21a en 21b volgens de toelichting van het rapport gesitueerd op het schoolgebouw aan de Ds. Carsjenssingel 27-33, terwijl de school "De Grúnslach" op de Buorren 34a is gevestigd, aldus [appellanten sub 1].

6.1. De raad stelt dat de uitgangspunten van het geluidsrapport juist zijn aangezien het aantal motorvoertuigen per uur is berekend op basis van een dagperiode van 12 uur en niet op basis van een dagperiode van 8 uur. Weliswaar zijn abusievelijk een onjuiste straatnaam en een onjuiste ligging van twee beoordelingspunten in het rapport vermeld, maar uit de bijlagen bij het rapport blijkt volgens de raad dat van de juiste situatie is uitgegaan.

6.2. In het akoestisch onderzoek "Multifunctioneel Centrum Oudega" van WNP raadgevende adviseurs van 26 januari 2012 is vermeld dat ten gevolge van het MFC het optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse kan voldoen aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. In het akoestisch onderzoek is daarbij uitgegaan van een dagperiode van 07.00 uur tot 19.00 uur.

6.3. Ingevolge artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer is de etmaalwaarde de hoogste van de volgende drie waarden:

a. de waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) tussen 07.00 en 19.00 uur (dag);

b. de met 5 dB(A) verhoogde waarde van het equivalente geluidsniveau over de periode 19.00-23.00 uur (avond);

c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het equivalente geluidsniveau over de periode 23.00-07.00 uur (nacht).

6.4. Gelet op het voorgaande wordt in het aangevoerde geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het uitgangspunt uit het akoestisch onderzoek dat een dagperiode 12 uur bedraagt, onjuist is. Voor het overige hebben [appellanten sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersaantrekkende werking van het MFC is onderschat.

Op de kaart die bij het akoestisch onderzoek is gevoegd, is de locatie van de ontsluitingsweg weergegeven tussen basisschool "De Grûnslach" en de woning aan de Buorren 34. De meetpunten 21a en 21b zijn op de overzichten van het rekenmodel met de ligging van beoordelingspunten gesitueerd ter plaatse van het schoolgebouw. Hieruit volgt dat de weergaven van de straatnamen en adressen in het rapport kennelijke verschrijvingen betreffen en dat in het onderzoek van de juiste situatie is uitgegaan.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het akoestisch onderzoek heeft mogen baseren. Het betoog faalt.

belangenafweging

7. [appellanten sub 1] voeren aan dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen, onder meer omdat in het bijzonder de jeugdsoos die in het MFC is beoogd voor hen veel overlast kan opleveren.

7.1. Volgens de raad is rekening gehouden met de belangen van [appellanten sub 1]. Gelet op de afstand van 50 m tussen het MFC en het perceel van [appellanten sub 1], acht de raad de gevolgen van het plan voor hen niet onevenredig in verhouding tot het met het besluit te dienen doel.

7.2. In paragraaf 3.9 van de plantoelichting staat dat de afstand van het voorziene MFC tot de ten zuiden daarvan gelegen woningen ruim 50 m bedraagt. In de paragraaf is voorts weergegeven dat deze afstand groter is dan de afstand tot het bestaande gebouw, dat een gymzaal, kleedkamers en een sportkantine huisvest. Verder is vermeld dat aan de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wordt voldaan.

7.3. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid.

Aangezien de woning van [appellanten sub 1] één van de woningen is die ten zuiden van het MFC zijn gelegen, volgt uit de plantoelichting dat rekening is gehouden met hun belangen. Gelet op de wens van de raad een MFC mogelijk te maken voor de bewoners van het dorp, alsmede gelet op de ligging van het perceel van [appellanten sub 1] op een afstand van ongeveer 50 m van het plangebied en ongeveer 60 m van het bouwvlak dat het MFC mogelijk maakt, ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten afzien van het plan op de grond dat groter gewicht zou toekomen aan de belangen van [appellanten sub 1] bij het ongewijzigd blijven van hun woon- en leefklimaat dan aan de belangen die met het plan worden gediend. Voor zover [appellanten sub 1] vrezen voor verloedering van de buurt en overlast van hangjongeren door de komst van de jeugdsoos, overweegt de Afdeling dat deze aspecten niet bij een bestemmingsplanprocedure aan de orde zijn omdat het tegengaan van de verloedering en overlast niet een kwestie van ruimtelijke ordening maar een kwestie van handhaving van de openbare orde betreft. Het betoog faalt.

conclusie

8. Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

algemene beginselen van behoorlijk bestuur

9. [appellant sub 2] voert aan dat de raad ten onrechte heeft nagelaten een extra zorgvuldige belangenafweging te maken. De raad was hiertoe volgens [appellant sub 2] op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur verplicht aangezien de gemeente de initiatiefnemer van het bestemmingsplan is.

9.1. De raad dient bij de voorbereiding van een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Deze afweging dient zorgvuldig te zijn, ongeacht welke partijen betrokken zijn bij de in het plan voorziene ontwikkelingen. Ook anderszins was de raad niet gehouden meer zorgvuldigheid te betrachten vanwege de betrokkenheid van de gemeente bij het plan. De Afdeling volgt [appellant sub 2] dan ook niet in zijn stelling dat de raad extra zorgvuldigheid zou dienen te betrachten in verband met de betrokkenheid van de gemeente bij het plan. Het betoog faalt.

bouwmogelijkheden

10. [appellant sub 2] kan zich niet vinden in de komst van het MFC aangezien dit volgens hem niet in de omgeving past, gelet op de grote omvang en de hoogte ervan. De lintbebouwing, het doorzicht en de zichtlijnen in de omgeving worden door het gebouw aangetast, aldus [appellant sub 2]. Dit is volgens hem in strijd met het omgevingsbeleid en eerder opgestelde uitgangspunten die zijn neergelegd in de gemeentelijke welstandsnota, die volgens hem ten onrechte ten behoeve van dit MFC is gewijzigd. [appellant sub 2] voert verder aan dat het MFC zijn uitzicht aantast.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het MFC past in de omgeving aangezien de bebouwing aansluitend op de kern, direct achter de lintbebouwing wordt gesitueerd. Het MFC wordt volgens de raad weliswaar hoger dan de omringende bebouwing, maar gelet op de ligging direct achter de bestaande bebouwing acht de raad de hoogte acceptabel. Daarnaast wordt het MFC volgens de raad landschappelijk ingepast door de bestaande hoge bomensingel. Het uitzicht van [appellant sub 2] wordt volgens de raad beter dan in de bestaande situatie aangezien de bestaande bebouwing op het sportveld zal worden gesloopt. De raad stelt verder dat aanvullende welstandscriteria zijn opgesteld in verband met de bouw van het MFC en de afmetingen van de sportzaal, die minimaal 7 m hoog moet zijn.

10.2. Aan de gronden waar het MFC is voorzien, is ten behoeve van een oppervlak van ongeveer 30 m bij 35 m de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Voorts is aan een deel van deze gronden met afmetingen van ongeveer 11 m bij 24 m de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - hogere bouwhoogte" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels, mogen op deze gronden gebouwen alleen worden gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak, waarbij maximaal 80% van het bouwvlak mag worden bebouwd, en mag de bouwhoogte van een gebouw maximaal acht meter zijn, met dien verstande dat de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hogere bouwhoogte" maximaal tien meter mag zijn.

10.3. Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat het plan in strijd is met de welstandsnota, overweegt de Afdeling dat in een bestemmingsplan in beginsel geen welstandseisen worden opgenomen. Het toetsen van een voorzien gebouw of bouwwerk aan de welstandsnota is pas aan de orde in de procedure voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen. Dit geldt ook voor de vraag aan welk welstandsniveau moet worden getoetst. De bezwaren van [appellant sub 2] met betrekking tot welstand kunnen derhalve niet in deze procedure aan de orde komen. Beoordeeld dient te worden of hetgeen [appellant sub 2] aanvoert aanleiding geeft voor het oordeel dat de maximale afmetingen van de in het plan toegestane bebouwing zijn vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Het MFC is voorzien op een afstand van ongeveer 50 m van het perceel van [appellant sub 2]. Ten gevolge van het plan wordt het uitzicht van [appellant sub 2] met name richting het noordoosten verminderd. Gezien de afstand van 50 m tussen de voorziene bebouwing en de woning van [appellant sub 2] en gelet op de omstandigheid dat het uitzicht in noordwestelijke richting verbetert als gevolg van de voorziene sloop van het bestaande sportgebouw, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitzicht niet onaanvaardbaar wordt verminderd.

Blijkens de verbeelding is het MFC voorzien achter de lintbebouwing van de Buorren. De raad heeft toegelicht dat een bestaande bomenrij het zicht vanaf de omliggende percelen op het MFC beperkt. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het MFC past in de omgeving. Het betoog faalt.

geluidnormen

11. Het plan leidt volgens [appellant sub 2] tot overschrijding van de geluidnormen. Hij voert hiertoe aan dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van de sportactiviteiten leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

11.1. De raad stelt dat het MFC dient te voldoen aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De maatregelen die dat zullen waarborgen, worden volgens de raad in het bouwplan verwerkt. Uit het geluidonderzoek volgt dat aan de wettelijke geluidnormen wordt voldaan. Voor het stemgeluid zijn geen normen vastgelegd, maar de raad acht de hinder ten gevolge van stemgeluid acceptabel.

11.2. Onder het vorige bestemmingsplan "Kleinen kernen Noord", dat op 10 januari 2012 is vastgesteld, hadden de gronden in het plangebied de bestemming "Sport". Het gebruik van de gronden als sportterrein betreft gelet daarop bestaand legaal gebruik, dat de raad in beginsel als zodanig dient te bestemmen. Hiernaast is van belang dat het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten op grond van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer in een situatie als deze buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de daar bedoelde geluidniveaus. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de raad evenwel in het kader van de vereiste belangenafweging rekening te houden met dit stemgeluid. Volgens het akoestisch onderzoek van WNP voldoen de langtijdgemiddelde geluidniveaus ten gevolge van het stemgeluid nagenoeg aan de voor andere vormen van geluidbelasting gestelde grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het geluidniveau ten gevolge van stemgeluid niet onaanvaardbaar is. Het betoog faalt.

alternatieven

12. [appellant sub 2] betoogt dat alternatieve locaties voor het MFC ten onrechte niet zijn onderzocht. Volgens [appellant sub 2] had het MFC ook ter plaatse van de oude zuivelfabriek of naast de tennisbanen kunnen worden gerealiseerd.

12.1. De raad stelt dat het een vereiste was het MFC in de nabijheid van sportvelden te situeren, aangezien de sportfunctie één van de hoofdfuncties van het MFC wordt. Volgens de raad zijn verschillende alternatieven onderzocht, waaronder ook de door [appellant sub 2] aangedragen alternatieven. Zo is onder meer gekeken naar verbouw van bestaande bebouwing in plaats van nieuwbouw. De alternatieve locaties bleken alle minder geschikt dan het gekozen alternatief dat nu in het plan is vastgelegd, aldus de raad. De alternatieve locaties zijn niet in eigendom van de gemeente, hetgeen tot gevolg heeft dat onvoldoende middelen beschikbaar zouden zijn om ter plaatse het gewenste MFC te realiseren. Voorts zijn deze locaties volgens de raad geen verbetering ten opzichte van de gekozen locatie, omdat de afstand tot woningen daar kleiner is. Zowel praktisch als financieel waren de alternatieve locaties daarom volgens de raad geen optie.

12.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] dat de keuze van de raad voor de locatie naast de sportvelden ten onrechte is ingegeven door financieel-economische overwegingen zonder dat de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid van alternatieven heeft bezien, overweegt de Afdeling dat de raad is gehouden bij zijn besluitvorming de uitvoerbaarheid van het plan te betrekken. Daaronder is de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan begrepen. Indien voldoende aanleiding bestaat om ervan uit te gaan dat het MFC op andere locaties niet binnen de planperiode kan worden gerealiseerd, kan de raad, los van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de alternatieve locaties, reeds om die reden ervan afzien om aan de ontwikkeling op een alternatieve locatie medewerking te verlenen.

De raad heeft toegelicht dat onvoldoende financiële middelen voorhanden zijn om een MFC op de door [appellant sub 2] aangedragen alternatieve locaties te ontwikkelen, onder meer omdat daarvoor gronden door de gemeente moeten worden aangekocht. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. De raad heeft voorts bij zijn keuze voor de voorliggende locatie in redelijkheid gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat het een bestaand sportterrein betreft en dat de sportfunctie één van de hoofdfuncties van het MFC wordt, alsmede aan de omstandigheid dat de afstand tussen het MFC en de dichtstbij gelegen woningen op de gekozen locatie groter is dan bij de door [appellant sub 2] aangedragen alternatieve locaties.

Gelet op het vorenstaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dat de raad niet in redelijkheid voor deze locatie heeft mogen kiezen. Het betoog faalt.

conclusie

13. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013

528-731.