Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1018

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
201300119/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:2186, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een betonpad in Oudemirdum, vanaf het adres [locatie A] richting het Huningspaed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300119/1/A1.

Datum uitspraak: 4 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Oudemirdum, gemeente Gaasterlân-Sleat (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 november 2012 in zaak nr. 12/1071 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een betonpad in Oudemirdum, vanaf het adres [locatie A] richting het Huningspaed.

Bij besluit van 30 maart 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 10 juni 2011 gehandhaafd, in die zin dat het tracé van het betonpad ter hoogte van het adres van [appellant], [locatie B], enigszins is verlegd.

Bij uitspraak van 22 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. P. Sipma, advocaat te Drachten, en het college, vertegenwoordigd door drs. T.J. Jagersma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghouder] en A. Krikke, beiden werkzaam bij de Gebiedscommissie Gaasterlân, gehoord.

Overwegingen

1. [belanghebbende], woonachtig op het perceel [locatie C], heeft bij een ruilverkaveling, uitgevoerd door de Gebiedscommissie Gaasterlân, nieuwe kavels verworven. De omgevingsvergunning is verleend voor het aanleggen van een betonpad en het maken van een uitweg, waardoor voor [belanghebbende] de afstand tot deze kavels wordt verkleind. Het betonpad is voorzien aan de rand van het perceel van [belanghebbende] op de grens van het gebied dat in eigendom is van de Stichting Natuurmonumenten. [appellant] exploiteert op het perceel [locatie A] een melkveehouderij en een zorgboerderij.

2. In hoger beroep is uitsluitend in geschil de verleende omgevingsvergunning, voor zover deze ziet op het aanleggen van het betonpad.

3. Ingevolge artikel 2.2, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat het in daarbij aangewezen categorieën gevallen verboden is projecten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit andere activiteiten die behoren tot een daarbij aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Gaasterlân-Sleat 2010, vastgesteld door de gemeenteraad van Gaasterlân-Sleat op 14 september 2010 (hierna: de APV) is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen.

Ingevolge het derde lid wordt de vergunning verleend:

a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit;

b. door het college in overige gevallen.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2004" rust op de grond waarop het project is voorzien de bestemming "Agrarisch gebied in een besloten landschap". In artikel 5, onder B.1.3., van de planvoorschriften is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen. Hierin is bepaald dat bij activiteiten in de onmiddellijke omgeving van de kerngebieden van de Ecologische Hoofdstructuur en binnen de grenzen en binnen 250 m vanaf de grenzen van de Speciale Beschermingszones De Fleussen en het IJsselmeer zeer terughoudend zal worden omgegaan met het verlenen van aanlegvergunningen, teneinde te voorkomen dat onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de instandhouding van de waarden van de kerngebieden en de instandhoudingsdoelstellingen van de Speciale Beschermingszones. Voorts is hierin bepaald dat toetsing zal plaatsvinden aan de hand van het in de bepaling opgenomen schema, waarbij de gevolgen van de activiteit voor het landschap of de natuur worden afgewogen tegen het nut van de agrarische activiteit.

4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het betonpad ook gaat dienen als een ontsluitingsweg voor zijn perceel, is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat verlening van de aanlegvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, nu de gevolgen daarvan voor het landschap groot zijn en het nut van de agrarische activiteit valt te verwaarlozen. Volgens [appellant] is met de verwijzing in het besluit van 30 maart 2012 naar een ecologisch rapport van 6 februari 2012 van Regelink Ecologie & Landschap te Mheer en de wijziging van het tracé het door de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften geconstateerde motiveringsgebrek niet hersteld. Volgens [appellant] heeft het college niet gemotiveerd waarom het betonpad past in het landschap. Ter plekke van het beoogde pad komen beschermde vogels voor, zoals de buizerd, en andere dieren, zoals salamanders, dassen en kikkers, die door de aanleg en het gebruik van het betonpad worden verontrust en doodgereden, aldus [appellant]. Het nut van het betonpad is bovendien niet aangetoond, aldus [appellant]. [appellant] stelt dat de grond ter plekke van het beoogde betonpad droog en zonder verharding berijdbaar is, maar dat [belanghebbende] desondanks in plaats daarvan gebruik maakt van de openbare weg. Volgens de Gebiedscommissie wordt met de realisering van een betonpad voorkomen dat [belanghebbende] door de dorpskern van Oudemirdum moet rijden, terwijl hij die kan mijden door daarvoor al rechts af te slaan, aldus [appellant].

De rechtbank heeft bovendien miskend dat het college geen rekening heeft gehouden met zijn belangen, aldus [appellant]. Volgens hem zal het betonpad worden gebruikt door sluipverkeer en zwaar landbouwverkeer, hetgeen ten koste gaat van de nachtrust van zijn driejarige dochter en kwetsbare cliënten die de zorgboerderij bezoeken.

5.1. Het college heeft naar aanleiding van het standpunt van de bezwaarschriftencommissie dat het besluit van 10 juni 2011 onvoldoende is gemotiveerd, aan zijn besluit van 30 maart 2012 het rapport van Regelink ten grondslag gelegd. Volgens dit rapport is aan de hand van een verricht veldbezoek en geraadpleegde literatuur een inschatting gemaakt van de beschermde flora en fauna met bijbehorende functies die in het plangebied zouden kunnen voorkomen. Volgens de resultaten van het onderzoek komen in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren voor en zijn geen vogels met vaste rust- en/of verblijfplaatsen aangetroffen, maar zijn eventuele broedgevallen in of vlakbij het plangebied niet uit te sluiten. Voorts is in het rapport van Regelink vermeld dat de aanwezigheid van amfibieën redelijkerwijs kan worden uitgesloten, nu de aanwezige ondiepe greppels niet aannemelijk maken dat die geschikt ecotoop bieden voor de voortplanting van amfibieën en vissen en in de directe omgeving geen geschikt voortplantingswater aanwezig is. In algemene zin kan daarom volgens het rapport van Regelink redelijkerwijs worden gesteld dat, zolang buiten het broedseizoen wordt gewerkt, de uitvoering van de ingreep niet door de Flora- en faunawet wordt verhinderd. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd door zich op dit rapport te baseren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming onjuistheden bevat.

Nu volgens het rapport van Regelink de gevolgen van de aanleg van het betonpad voor het landschap of de natuur vrijwel afwezig zijn, volgt uit het schema in artikel 5, onder B.1.3., van de planvoorschriften dat deze activiteit ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan, ook als het nut daarvan gering is. Gelet hierop wordt in hetgeen [appellant] over het nut van het betonpad heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de aanleg van het betonpad in strijd is met het bestemmingsplan. Daarbij is van belang dat met de aanleg van het betonpad de route tot de nieuw verworven kavels voor [belanghebbende] wordt verkleind, zoals ter zitting is aangetoond. Het college heeft hiervoor derhalve terecht krachtens artikel 2.11, derde lid, onder b, van de APV, in verbinding gelezen met artikel 2.2, tweede lid, van de Wabo, een omgevingsvergunning verleend. De rechtbank is terecht tot dezelfe conclusie gekomen.

Dat ingevolge artikel 5, onder B.1.3., van de planvoorschriften de gevolgen van de activiteit voor het landschap of de natuur worden afgewogen tegen het nut van de agrarische activiteit, laat onverlet dat het college de belangen van [appellant] bij het besluit van 30 maart 2012 heeft betrokken, nu bij dat besluit het oorspronkelijke tracé van het betonpad is gewijzigd waardoor de afstand tussen het betonpad en de gevel van de woning van [appellant] wordt vergroot van 3 m naar 16 m. Voorts heeft het college toegelicht dat een nog grotere afstand leidt tot bezwaren bij de Stichting Natuurmonumenten en [belanghebbende], omdat daardoor zijn perceel in tweeën wordt gesplitst. Verder heeft het college ter voorkoming van sluipverkeer toegezegd dat aan het begin en einde van het betonpad een bord met een inrijverbod zal worden geplaatst en het pad niet zal worden opgenomen in de wegenlegger. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant].

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013

531-757.