Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1012

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
201300159/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2012:BX2238, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2010 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] op het perceel [locatie] te Wierden (hierna: het perceel) gedeeltelijk afgewezen en voor het overige buiten behandeling gelaten (hierna: het afwijzingsbesluit). Bij besluit van gelijke datum heeft het college op verzoek van [belanghebbende] het gebruik van de groenstrook ten behoeve van bedrijfsactiviteiten en de plaatsing van een aarden wal ter plaatse gedoogd (hierna: het gedoogbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300159/1/A1.

Datum uitspraak: 4 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B], beiden wonend te Wierden (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], beiden wonend te Wierden (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

tegen de tussenuitspraak van 18 juli 2012 en de uitspraak van 21 november 2012 van de rechtbank Almelo in zaken nrs. 11/933 en 11/934 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wierden.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2010 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] op het perceel [locatie] te Wierden (hierna: het perceel) gedeeltelijk afgewezen en voor het overige buiten behandeling gelaten (hierna: het afwijzingsbesluit). Bij besluit van gelijke datum heeft het college op verzoek van [belanghebbende] het gebruik van de groenstrook ten behoeve van bedrijfsactiviteiten en de plaatsing van een aarden wal ter plaatse gedoogd (hierna: het gedoogbesluit).

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het college het door [appellant sub 1] tegen het afwijzingsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het bezwaar gericht tegen het gedoogbesluit niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van gelijke datum heeft het college het door [appellant sub 2] tegen het gedoogbesluit gemaakte bezwaar eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

Bij tussenuitspraak van 18 juli 2012 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld de gebreken in de besluiten van 5 juli 2011 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij onderscheidenlijke besluiten van 4 september 2012 heeft het college opnieuw op de bezwaren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beslist. Het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het afwijzingsbesluit en het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het gedoogbesluit zijn beide ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2011 (lees: 2012) heeft de rechtbank het beroep van [appellant sub 1] tegen het aan hem gerichte besluit van 5 juli 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het beroep tegen het aan hem gerichte besluit van 4 september 2012 heeft zij gegrond verklaard voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de groenstrook en de ligging van de aarden wal is gehandhaafd. Voorts heeft zij het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot het gebruik van de groenstrook en de ligging van de aarden wal en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar gericht tegen het gedoogbesluit. Het beroep van [appellant sub 1] tegen de besluiten van 5 juli 2011 en 4 september 2012 is voor het overige ongegrond verklaard. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het aan [appellant sub 2] gerichte besluit van 5 juli 2011 is niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 2] tegen het aan hem gerichte besluit van 5 juli 2011 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep gericht tegen het aan hem gerichte besluit van 4 september 2012 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Bij besluiten van 9 juli 2013 heeft het college opnieuw beslist op de bezwaren van [appellant sub 1], waarbij het het verzoek om handhaving van [appellant sub 1] heeft afgewezen, het gedoogbesluit heeft ingetrokken en het bezwaar, gericht tegen het gedoogbesluit, ongegrond heeft verklaard.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2013, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 15 december 2010 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen onder meer de stalling van bergingsvoertuigen en geborgen voertuigen in de groenstrook, het gebruik van de groenstrook voor manoeuvreerruimte, de aanwezigheid van een aarden wal buiten de groenstrook, de aanleg van een wasplaats in strijd met het bestemmingsplan en het plaatsen van een asbestschutting nabij de wasplaats op het perceel.

Bij besluit van gelijke datum heeft het college de ter plaatse aanwezige aarden wal en het gebruik van de groenstrook voor bedrijfsactiviteiten gedoogd.

Bij onderscheidenlijke besluiten van 4 september 2012 heeft het college opnieuw op de bezwaren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beslist. Het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het afwijzingsbesluit en het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het gedoogbesluit zijn beide ongegrond verklaard.

2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank de beroepen gericht tegen het aan [appellant sub 1] gerichte besluit van 4 september 2012 (inzake het afwijzingsbesluit) ten onrechte ongegrond heeft verklaard, omdat zij geen zienswijzen tegen dat besluit naar voren hebben gebracht. Zij voeren daartoe aan dat in het beroepschrift reeds is aangevoerd dat de wasplaats en de asbestschutting in strijd zijn met het bestemmingsplan, zodat het naar voren brengen van zienswijzen achterwege kon blijven.

2.1. Dit besluit van 4 september 2012 is niet aan [appellant sub 2] gericht, zodat daartegen geen beroep van rechtswege van [appellant sub 2] bij de rechtbank is ontstaan. Anders dan [appellant sub 2] heeft betoogd zijn het gedoogbesluit en het afwijzingsbesluit niet als één besluit aan te merken. De rechtbank heeft daarover terecht geen oordeel gegeven. Dit betekent dat daartegen voor [appellant sub 2] geen hoger beroep openstond. Het hoger beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 4 september 2012 (inzake het afwijzingsbesluit), is derhalve niet-ontvankelijk.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 1] in beroep alleen gronden heeft aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar, voor zover hij zijn verzoek om handhaving had gericht tegen de aanwezigheid van de wasplaats en de schutting. Het college heeft zijn bezwaar bij besluit van 4 september 2012 in zoverre alsnog ontvankelijk geacht. Nu [appellant sub 1] niet alsnog - in zienswijzen of ter zitting bij de rechtbank - heeft betoogd waarom de wasplaats en de schutting in strijd met het bestemmingsplan aanwezig zijn, heeft de rechtbank zijn beroep voor zover gericht tegen het aan hem gerichte besluit van 4 september 2012 terecht ongegrond verklaard.

Het betoog faalt.

3. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank zijn beroep tegen het aan hem gerichte besluit van 4 september 2012 (inzake het gedoogbesluit) ten onrechte ongegrond heeft verklaard omdat hij de uitkomst van de uitvoering van de tussenuitspraak door het college niet zou hebben betwist. Hij voert daartoe aan dat hij in het beroepschrift tegen het besluit van 5 juli 2011 reeds gronden heeft aangevoerd, die de rechtbank bij het besluit van 4 september 2012 had moeten betrekken.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 2] de uitkomst van de uitvoering van de tussenuitspraak door het college niet heeft betwist. Hij heeft in beroep tegen het besluit van 5 juli 2011 alleen gronden aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. Het college heeft zijn bezwaar bij besluit van 4 september 2012 alsnog ontvankelijk geacht. [appellant sub 2] heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het besluit van 4 september 2012. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 4 september 2012 derhalve terecht ongegrond verklaard.

Het betoog faalt.

4. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de rechtbank het gedoogbesluit niet herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid, zodat er reeds daarom geen aanleiding bestond het college te veroordelen in een vergoeding van de bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten.

5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

6. Bij besluiten van 9 juli 2013 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen het gebruik van de groenstrook ten behoeve van bedrijfsactiviteiten en de plaatsing van een aarden wal ter plaatse afgewezen en het bezwaar van [appellant sub 1] gericht tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard. Deze besluiten worden, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

7. [appellant sub 1] betoogt dat het college in strijd met artikel 7:9 van de Awb heeft gehandeld door hem niet opnieuw te horen, nu zich ten tijde van het besluit op bezwaar van 9 juli 2013 nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 oktober 2012 in zaak nr. 201200142/1/A1), is in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb geen algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar, ter voldoening aan een rechterlijke uitspraak, waarbij het eerdere besluit op bezwaar is vernietigd. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om een belanghebbende vóór het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen. In het onderhavige geval is niet gebleken van feiten en omstandigheden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang in de zin van artikel 7:9 van de Awb kunnen zijn. Gelet hierop heeft het college van het opnieuw horen van [appellant sub 1] kunnen afzien.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 1] betoogt voorts dat het college het verzoek om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de aarden wal en het gebruik van de groenstrook in strijd met het bestemmingsplan in het begin van de procedure had moeten toewijzen en handhavend had moeten optreden en niet eerst had moeten wachten tot 9 juli 2013.

8.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 november 2012 geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van handhaving ten aanzien van het gebruik van de groenstrook en de ligging van de aarden wal wenst af te zien en het college opgedragen ten aanzien daarvan een nieuw besluit te nemen. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het college bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar het dan geldende recht en de nieuwe feiten en omstandigheden in acht neemt. Het college heeft dat, weliswaar na lange tijd, gedaan en terecht besloten dat het niet bevoegd is handhavend op te treden tegen de aarden wal en het gebruik van de groenstrook, omdat de aarden wal was verplaatst en daarmee het strijdig gebruik van de groenstrook was opgeheven.

Het betoog faalt.

9. Het betoog van [appellant sub 1], dat het college gehouden was een proceskostenvergoeding toe te kennen in verband met de behandeling van het bezwaar, slaagt niet, nu het gedoogbesluit niet is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep bij de rechtbank gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wierden van 4 september 2012 met kenmerk UIT2012-20616;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] gericht tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Wierden van 9 juli 2013 met kenmerken UIT2013-25356 en UIT2013-25306 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013

414-776.