Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1004

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
201211157/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:BY0883, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het college een projectbesluit genomen en aan de gemeente Zaanstad een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een steiger ten behoeve van de riviercruisevaart bij de Julianabrug aan de zijde van de Zaansche Schans in Zaandam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211157/1/A1.

Datum uitspraak: 4 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging de Zaansche Molen, gevestigd te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 oktober 2012 in zaak nr. 10/1391 in het geding tussen:

De Zaansche Molen

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het college een projectbesluit genomen en aan de gemeente Zaanstad een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een steiger ten behoeve van de riviercruisevaart bij de Julianabrug aan de zijde van de Zaansche Schans in Zaandam.

Bij uitspraak van 19 oktober 2012 heeft de rechtbank het door De Zaansche Molen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 februari 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft De Zaansche Molen hoger beroep ingesteld.

De Zaansche Molen heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2013, waar De Zaansche Molen, vertegenwoordigd door mr. H. Elmas, advocaat te Zaanstad, en A. Drost, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Ouggaali en B. Haisma, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan is voorzien in de nabijheid van oliemolen De Ooievaar (hierna: de oliemolen), waarvan De Zaansche Molen eigenaresse is, en voorziet in een aanlegsteiger voor riviercruiseschepen.

2. Het bouwplan is in strijd met de ingevolge het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in onderdelen Zaanse Schans" op de onderhavige locatie rustende bestemmingen "Water" en "Bebouwing A". Teneinde bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) een projectbesluit genomen.

3. Bij besluit van 16 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Zaanse Schans e.o." vastgesteld. Bij uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201203628/1/R1, voor zover hier van belang, heeft de Afdeling het beroep van De Zaansche Molen tegen het besluit van 16 februari 2012, dat onder meer was gericht tegen de mogelijkheid een aanlegsteiger en toegangswegen met toebehoren ten behoeve van riviercruiseschepen nabij de molen De Ooievaar te bouwen onderscheidenlijk aan te leggen, niet-ontvankelijk verklaard. Vast staat dat het inmiddels onherroepelijk geworden bestemmingsplan de met het projectbesluit voorziene aanlegsteiger mogelijk maakt. Voor zover De Zaansche Molen heeft gewezen op de omstandigheid dat in het bestemmingsplan is voorzien in de bescherming van de zogeheten molenbiotoop, de molen en zijn omgeving, en in dat kader in het bestemmingsplan maximale bouwhoogtes binnen en buiten een afstand van 100 m tot de dichtstbijzijnde molen zijn opgenomen, is ter zitting komen vast te staan dat de voorziene steiger hier niet mee in strijd is.

Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een belang kan worden aangenomen bij een inhoudelijke beoordeling van de gronden van het hoger beroep, voor zover deze betrekking hebben op het projectbesluit, moet worden geoordeeld dat het belang bij beoordeling van die gronden met de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 is komen te vervallen. In verband hiermee laat de Afdeling de gronden in hoger beroep in zoverre buiten verdere bespreking.

4. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 2 februari 2010 in strijd met artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen, nu de aan dit besluit ten grondslag gelegde adviezen van de monumentencommissie van de gemeente van 18 februari 2009 en 26 maart 2009 en het advies van de welstandscommissie van de gemeente van 19 mei 2009 niet ter inzage hebben gelegen. De rechtbank heeft het besluit van 2 februari 2010 om die reden vernietigd. Zij heeft vervolgens de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten, nu De Zaansche Schans in de beroepsprocedure kennis heeft kunnen nemen van deze adviezen en in de gelegenheid is geweest zich daarover uit te laten. Volgens de rechtbank bestond voorts geen grond voor het oordeel dat het college deze adviezen niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit van 2 februari 2010 en was het niet nodig om nog advies te vragen aan de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: RACM).

5. De Zaansche Molen betoogt dat de rechtbank in strijd met de Procesregeling bestuursrecht en de goede procesorde heeft gehandeld door na de sluiting van het onderzoek ter zitting van 5 juli 2011 het college alsnog gelegenheid te bieden stukken in te dienen en nader verweer te voeren. De rechtbank heeft volgens haar ten onrechte niet kenbaar gemaakt om welke reden het onderzoek na de zitting van 5 juli 2011 is heropend en de procedure zo lang heeft geduurd.

5.1. De rechtbank heeft, blijkens onder meer haar brieven van 24 augustus 2011 aan De Zaansche Molen en het college, na de zitting van 5 juli 2011 het onderzoek heropend, omdat het onderzoek niet volledig bleek te zijn geweest. Vervolgens heeft zij de door het college na de zitting van 5 juli 2011 bij brief van 11 juli 2011 aan de rechtbank toegestuurde stukken, waaronder het advies van de monumentencommissie van 26 maart 2009, bij haar beoordeling betrokken. De Zaansche Molen is in dat kader in de gelegenheid gesteld op deze stukken te reageren, hetgeen zij bij brief van 26 september 2011 heeft gedaan, en het college is in de gelegenheid gesteld te reageren op de reactie van De Zaansche Molen, hetgeen het bij brief van 9 december 2011 heeft gedaan. Het college heeft vervolgens de rechtbank bij brief van 20 maart 2012 geïnformeerd over de vaststelling van het bestemmingsplan "Zaanse Schans e.o.". De Zaansche Molen heeft hierop gereageerd bij brief van 3 april 2012. Het college heeft daarna bij brief van 13 juni 2012 nog enkele stukken, waaronder het advies van de monumentencommissie van 18 februari 2009 en het advies van de welstandscommissie van 19 mei 2009, aan de rechtbank doen toekomen. Ook De Zaansche Molen heeft bij brief van 12 september 2012 enkele stukken aan de rechtbank toegezonden. Vervolgens heeft op 25 september 2012 een tweede behandeling ter zitting plaatsgevonden en is het onderzoek gesloten.

Er is geen grond voor het oordeel dat, zoals De Zaansche Molen betoogt, de rechtbank met voormelde gang van zaken in strijd met de Procesregeling bestuursrecht of de goede procesorde heeft gehandeld.

Het betoog faalt.

6. De Zaansche Molen betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanlegsteiger in strijd is met redelijke eisen van welstand, zodat daarvoor geen bouwvergunning kon worden verleend. Zij voert daartoe aan dat de aanlegsteiger in strijd is met het bepaalde in de Welstandsnota over de molenbiotoop, nu de monumentale waarden van de oliemolen en haar omgeving in het geding zijn. Voorts zijn volgens De Zaansche Molen de welstandscommissie en de monumentencommissie ten onrechte niet gevraagd om een advies over het bouwplan in combinatie met de monumentale waarden van de oliemolen en haar omgeving. De Zaansche Molen voert verder aan dat de welstandcommissie en de monumentencommissie ten tijde van hun advisering onvolledig bezet waren en er diverse vacatures waren.

6.1. Het college heeft het oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand gebaseerd op het positieve advies van de welstandscommissie van 19 mei 2009.

In het welstandsadvies is vermeld dat het bouwplan is beoordeeld op grond van de gebiedsgerichte criteria en dat het naar de mening van de welstandscommissie ruim voldoet aan redelijke eisen van welstand. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het welstandsadvies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De enkele omstandigheid dat, zoals De Zaansche Molen stelt, ten tijde van dit advies vacatures bestonden voor deze commissie is daarvoor, wat daar verder van zij, onvoldoende. Het door De Zaansche Molen aangevoerde biedt voorts geen grond voor het oordeel dat het welstandsadvies inhoudelijk onjuist is. De niet toegelichte stelling van De Zaansche Molen dat de aanlegsteiger in strijd is met de Welstandsnota, omdat de monumentale waarden van de oliemolen in het geding zouden zijn, is daarvoor onvoldoende. Het bouwplan is blijkens het welstandsadvies getoetst aan de toepasselijke gebiedsgerichte criteria en bovendien blijkt uit het verslag van de vergadering van de monumentencommissie van 26 maart 2009 dat deze commissie geen bezwaren heeft tegen het bouwplan.

Het door De Zaansche Molen aangevoerde biedt derhalve geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

7. De Zaansche Molen betoogt dat de rechtbank niet tot een juiste proceskostenveroordeling is gekomen. Volgens De Zaansche Molen heeft de rechtbank de wegingsfactor ten onrechte op 1 bepaald, dan wel had zij De Zaansche Schans om een opgave van de daadwerkelijke kosten dienen te verzoeken, gelet op de proceshouding van het college en de door het college na de sluiting van het onderzoek op de zitting van 5 juli 2011 ingediende stukken. Voorts is volgens De Zaansche Molen ten onrechte 0,5 punt toegekend voor repliek, nu zij veel vaker dan slechts éénmaal heeft gerepliceerd en is ten onrechte slechts 0,5 punt toegekend voor de tweede zitting op 25 september 2012, nu dit geen nadere zitting betrof, maar een volledig nieuwe behandeling.

7.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het bedrag van de kosten bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:

a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

Ingevolge het derde lid, kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken.

Ingevolge de eerste volzin van de bijlage wordt het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Bpb, vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig onderstaande lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C).

7.2. De rechtbank heeft wegingsfactor 1 ("gemiddeld") gehanteerd. Het is niet gebleken dat zij hiervan had moeten afwijken. De proceshouding van het college, wat daar verder van zij, noch de omstandigheid dat het onderzoek na de zitting van 5 juli 2011 is heropend en door het college nadere stukken zijn ingediend, zijn zonder meer redenen om aan te nemen dat het hier niet een zaak met een gemiddeld, maar een zwaar of zeer zwaar gewicht zou betreffen. Dat de procedure langer heeft geduurd en De Zaansche Molen meer proceshandelingen heeft verricht dan wanneer het onderzoek niet was heropend, is daarvoor onvoldoende. Dit levert voorts evenmin bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, op, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank had moeten afwijken van de wijze van vaststelling van de kosten, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Bpb, en dat zij de werkelijk gemaakte kosten had dienen vast te stellen.

De rechtbank heeft De Zaansche Molen verzocht te reageren op de door het college na de zitting van 5 juli 2011 aan de rechtbank toegestuurde stukken. De Zaansche Molen heeft vervolgens bij brief van 26 september 2011 gereageerd. Het is niet gebleken dat de rechtbank De Zaansche Molen nogmaals in de gelegenheid heeft gesteld om te repliceren, als bedoeld in artikel 8:43, eerste lid, van de Awb, zodat de rechtbank met juistheid 0,5 punt voor repliek heeft toegekend.

De rechtbank heeft voor de behandeling ter zitting van 25 september 2012 0,5 punt toegekend voor het verschijnen ter nadere zitting als bedoeld in artikel 8:64, derde lid, van de Awb. De zitting op 25 september 2012 betrof evenwel geen nadere zitting als bedoeld in artikel 8:64, derde lid, van de Awb, nu het onderzoek ter zitting niet is geschorst, maar het onderzoek, na het sluiten daarvan ter zitting van 5 juli 2011, is heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Awb. Het is voorts aannemelijk dat ter zitting van 25 september 2012 een volledige behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden, zodat het in de rede lag om voor de behandeling ter zitting 1 punt toe te kennen. De rechtbank had, gelet hierop, de door De Zaansche Molen gemaakte, en door het college te vergoeden, proceskosten, in plaats van op € 1.311,00 dienen te begroten op € 1529,50.

Het betoog slaagt.

8. Het hoger beroep is gegrond voor zover het zich richt tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college op na te melden wijze in de proceskosten van het beroep veroordelen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

9. Het college dient voorts op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond voor zover het zich richt tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 oktober 2012 in zaak nr. 10/1391, voor zover het college daarbij is veroordeeld in de kosten die de vereniging De Zaansche Molen in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, begroot op € 1.311,00;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging de Zaansche Molen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2473,50 (zegge: tweeduizendvierhonderddrieënzeventig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad aan de vereniging Vereniging de Zaansche Molen het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013

580.