Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1000

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
201210673/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:3751, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft de Belastingdienst de eerder vastgestelde kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2006 herzien tot nihil en € 17.688,00 van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210673/1/A2.

Datum uitspraak: 4 september 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Roosendaal,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 oktober 2012 in zaak nr. 11/5170 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft de Belastingdienst de eerder vastgestelde kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2006 herzien tot nihil en € 17.688,00 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 26 augustus 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2013, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam bij de Belastingdienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) kan de Belastingdienst een toegekende tegemoetkoming herzien:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend, of

b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.

2. [appellante] heeft bij formulier van 23 september 2005 om toekenning van kinderopvangtoeslag met ingang van 1 januari 2006 verzocht. Daarbij is bij "naam opvanglocatie of gastouderbureau" ingevuld: "Domino". Bij wijzigingsformulier van 3 september 2006 heeft zij de kinderopvangtoeslag over 2006 stopgezet. Vervolgens heeft zij bij formulier met dagtekening 31 januari 2007 doorgegeven dat per 1 januari 2006 kinderopvang door tussenkomst van gastouderbureau Dar el Hanan te Gorinchem plaatsvindt.

Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag over 2006 definitief op € 17.688,00 vastgesteld. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Aan het besluit van 12 oktober 2010 heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat het gastouderbureau Dar el Hanan pas met ingang van 15 november 2006 is opgenomen in het register van de gemeente Gorinchem en dat de verklaring omtrent het gedrag van de gastouder pas op 25 september 2008 is afgegeven.

Aan het besluit van 26 augustus 2011 heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat bewijsstukken van daadwerkelijke betaling ontbreken waardoor geen recht op kinderopvangtoeslag over 2006 bestaat. In verweer bij de rechtbank heeft de Belastingdienst voorts het standpunt herhaald dat het gastouderbureau pas met ingang van 15 november 2006 is geregistreerd, zodat ook op die grond vóór die datum geen recht bestond op kinderopvangtoeslag.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet aan de criteria van artikel 21 van de Awir is voldaan en de Belastingdienst de definitieve tegemoetkoming over 2006 daarom niet mocht herzien.

3.1. Met het besluit van 22 oktober 2008 heeft de aan [appellante] toegekende kinderopvangtoeslag over 2006 een definitief karakter gekregen. De mogelijkheden om een definitief toegekende tegemoetkoming in het nadeel van de belanghebbende te herzien, als hier aan de orde, zijn in de artikelen 20 en 21 van de Awir geregeld. De Belastingdienst heeft ter zitting toegelicht dat hij aan de herziening enkel artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awir ten grondslag legt.

Bij de toepassing van dit voorschrift is bepalend of [appellante] wist of behoorde te weten dat de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag was toegekend. Vast staat dat [appellante] bij wijzigingsformulier, gedateerd 31 januari 2007, aan de Belastingdienst heeft doorgegeven met ingang van 1 januari 2006 gebruik te hebben gemaakt van gastouderbureau Dar el Hanan. Voorts staat in de door [appellante] aan de Belastingdienst overgelegde overeenkomst tussen haar en haar partner enerzijds en dit gastouderbureau anderzijds dat deze overeenkomst op 25 januari 2006 door haar en haar partner is ondertekend en is ingegaan op 1 januari 2006. De Belastingdienst heeft ter zitting toegelicht en aannemelijk gemaakt dat Dar el Hanan op dat moment nog niet actief was en pas veel later in 2006 is gestart met zijn bemiddelingsactiviteiten, waarbij de inschrijving in het register van de gemeente Gorinchem dateert van 15 november 2006. De Belastingdienst heeft daarmee zijn stelling dat de overeenkomst moet zijn geantedateerd en [appellante], anders dan zij aan de dienst heeft doorgegeven, met ingang van 1 januari 2006 geen kinderopvang via Dar el Hanan kon afnemen, voldoende aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de Belastingdienst zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] wist of behoorde te weten dat de kinderopvangtoeslag over 2006 tot een te hoog bedrag was toegekend en heeft de rechtbank, zij het op andere gronden, met juistheid overwogen dat de Belastingdienst tot herziening van de kinderopvangtoeslag over 2006 mocht overgaan.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013

18-756.