Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY8302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
14-01-2013
Zaaknummer
201210572/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het doel van de [in art. 30, lid 2, neergelegde] mededeling door de staatssecretaris aan de Rb. is daarin gelegen dat de Rb. kan controleren of de staatssecretaris de op zaak betrekking hebbende stukken heeft verzonden. Er is geen grond voor het oordeel dat deze wijze van verzenden in strijd is met art. 8:39, lid 1 van de Awb, omdat de verantwoordelijkheid bij de Rb. blijft berusten. Daaruit volgt dat bij gebreke van een zodanige mededeling de Rb. gehouden is bij de staatssecretaris inlichtingen in te winnen over de verzending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarvan is in dit geval niet gebleken, zodat de Rb. derhalve niet aan de op haar ingevolge art. 8:39, lid 1 van de Awb rustende verplichting heeft voldaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/75

Uitspraak

201210572/1/V3.

Datum uitspraak: 21 december 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 2 november 2012 in zaak nr. 12/33379 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2012 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden. Dit besluit (hierna: het verlengingsbesluit) is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 november 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 8:39, eerste lid, van de Awb zendt de griffier de op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk aan partijen, voor zover de rechtbank niet op grond van de artikelen 8:29 of 8:32 anders heeft beslist.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2010 (hierna: de Procesregeling) zendt de rechtbank, indien het om een vervolgberoep gaat, het beroepschrift aan het bestuursorgaan en stelt zij het bestuursorgaan in de gelegenheid binnen drie werkdagen na die verzending inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de beoordeling van de zaak (de zogenoemde voortgangsrapportage).

Ingevolge het tweede lid verzoekt de rechtbank het bestuursorgaan een afschrift van deze stukken ook aan de raadsman van de vreemdeling te zenden en daarvan mededeling te doen aan de rechtbank.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, stelt de rechtbank de vreemdeling na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen in de gelegenheid binnen twee werkdagen schriftelijk op deze inlichtingen te reageren.

3. In de grieven 1 en 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij na ontvangst van de voortgangsrapportage in de gelegenheid is gesteld om het beroep te motiveren, maar dat hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt, zodat er geen grond is voor het oordeel dat het verlengingsbesluit onrechtmatig is.

Daartoe voert de vreemdeling aan dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat hij, ondanks het gestelde in het door de rechtbank aan hem op 23 oktober 2012 verzonden faxbericht, van de minister noch de rechtbank de voortgangsrapportage heeft ontvangen, zodat hij niet kon reageren. De uitspraak van de rechtbank berust dan ook op een onjuiste feitelijke grondslag, aldus de vreemdeling.

3.1. Bij het op 23 oktober 2012 aan de staatssecretaris verzonden faxbericht heeft de rechtbank hem verzocht om binnen drie werkdagen de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen onder gelijktijdige verzending van een afschrift van deze stukken aan de gemachtigde van de vreemdeling.

Bij het ook op 23 oktober 2012 aan de vreemdeling verzonden faxbericht heeft de rechtbank hem op de hoogte gesteld van het aan de staatssecretaris gedane verzoek en is hij in de gelegenheid gesteld om binnen twee werkdagen na ontvangst van de door de staatssecretaris verzonden stukken schriftelijk te reageren.

3.2. Uit de door de rechtbank gevolgde procedure, als hiervoor onder 3.1. is weergegeven, kan worden afgeleid dat de rechtbank artikel 30 van de Procesregeling analoog toepast bij een beroep tegen een verlengingsbesluit.

Volgens artikel 30, tweede lid, van de Procesregeling dient de staatssecretaris van de gelijktijdige verzending van de op de zaak betrekking stukken aan de vreemdeling mededeling te doen aan de rechtbank.

Hoewel de staatssecretaris op 23 oktober 2012 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft verzonden, blijkt daaruit niet van de in voormeld artikel 30, tweede lid, bedoelde mededeling. Evenmin is anderszins gebleken dat de staatssecretaris de stukken gelijktijdig aan de vreemdeling heeft verzonden.

Het doel van de mededeling door de staatssecretaris aan de rechtbank is daarin gelegen dat de rechtbank kan controleren of de staatssecretaris de op zaak betrekking hebbende stukken heeft verzonden. Er is geen grond voor het oordeel dat deze wijze van verzenden in strijd is met artikel 8:39, eerste lid, van de Awb, omdat de verantwoordelijkheid bij de rechtbank blijft berusten.

Daaruit volgt dat bij gebreke van een zodanige mededeling de rechtbank gehouden is bij de staatssecretaris inlichtingen in te winnen over de verzending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarvan is in dit geval niet gebleken, zodat de rechtbank derhalve niet aan de op haar ingevolge artikel 8:39, eerste lid, van de Awb rustende verplichting heeft voldaan. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de vreemdeling de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen, zodat de door de vreemdeling bestreden overweging feitelijke grondslag mist.

De grieven slagen.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

5. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 november 2012 in zaak nr. 12/33379;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van de Kolk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2012

347-755.

Verzonden: 21 december 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser