Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY8267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
14-01-2013
Zaaknummer
201210397/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd [onjuiste voorlichting door staatssecretaris van de rechtbank heeft tot frustratie bij vreemdeling geleid], ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot toekenning van een hogere schadevergoeding dan berekend overeenkomstig de toepasselijke normbedragen voor de vaststelling van schadevergoeding ter zake van onrechtmatige vrijheidsontneming. In zoverre dient het verzoek om schadevergoeding derhalve te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210397/1/V3.

Datum uitspraak: 21 december 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 29 oktober 2012 in zaak nr. 12/32414 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 oktober 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris heeft desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt, waarop de vreemdeling een reactie heeft ingediend.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2012, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat te Maastricht, is verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De vreemdeling heeft op 5 november 2012 tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft de vrijheidsontnemende maatregel op 3 december 2012 opgeheven. Bij brief van dezelfde datum heeft hij aan de vreemdeling een schadevergoeding aangeboden voor de gehele periode van inbewaringstelling, alsmede een volledige proceskostenvergoeding.

3. De vreemdeling betoogt, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de staatssecretaris de rechtbank onjuist heeft voorgelicht over het toevoegen van een (kopie van een) identiteitsdocument aan de thans in behandeling zijnde aanvraag om afgifte van een

laissez passer en dat de rechtbank haar oordeel over de rechtmatigheid van de inbewaringstelling op die onjuiste informatie heeft gebaseerd. De vreemdeling stelt dat hij bij een juiste informatievoorziening eerder in vrijheid zou zijn gesteld dan 3 december 2012. De handelwijze van de staatssecretaris heeft bij hem tot gevoelens van frustratie geleid, waardoor de door hem geleden immateriële schade groter is dan die ten gevolge van de onrechtmatige vrijheidsontneming als zodanig. Om die reden verzoekt de vreemdeling een schadevergoeding toe te kennen die hoger is dan berekend volgens de geldende - en ook door de staatssecretaris in zijn aanbod om schadevergoeding gehanteerde - normbedragen voor de dagen die hij onrechtmatig in detentie heeft gezeten.

4. In hoger beroep is niet langer in geschil dat de vrijheidsontnemende maatregel vanaf de oplegging daarvan onrechtmatig is geweest.

5. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel alsnog gegrond verklaren.

Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 11 oktober 2012, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, tot

3 december 2012, de dag waarop die maatregel is opgeheven. In hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot toekenning van een hogere schadevergoeding dan berekend overeenkomstig de toepasselijke normbedragen voor de vaststelling van schadevergoeding ter zake van onrechtmatige vrijheidsontneming. In zoverre dient het verzoek om schadevergoeding derhalve te worden afgewezen.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 29 oktober 2012 in

zaak nr. 12/32414;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 4.185,00 (zegge: vierduizendhonderdvijfentachtig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.966,50 (zegge: negentienhonderdzesenzestig euro en vijftig eurocent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2012

53-714.

Verzonden: 21 december 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser