Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY8230

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
201113061/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de door de vreemdeling overgelegde documenten kan niet worden afgeleid dat iedere naar Sri Lanka terugkerende Tamil, die een lange periode buiten Sri Lanka heeft verbleven, reeds om die reden negatief in de belangstelling komt te staan van de Sri Lankaanse autoriteiten. Het is derhalve op voorhand uitgesloten dat de in voormelde documenten vervatte informatie kan afdoen aan het besluit (…), zodat deze documenten ook in zoverre niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/80

Uitspraak

201113061/1/V4.

Datum uitspraak: 28 december 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de minister voor Immigratie en Asiel,

2. [de vreemdeling]

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 23 november 2011 in zaak nr. 11/9695 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 november 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister en de vreemdeling hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdeling en de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

In het hoger beroep van de vreemdeling

2. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

4. In de enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door de vreemdeling aan haar opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde arrestatiebevel van 5 mei 2010 (hierna: het arrestatiebevel) een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigt. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank miskend dat in de verklaring van 9 november 2010 van het bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de verklaring van het bureau Documenten) de authenticiteit van het arrestatiebevel niet is vastgesteld, het derhalve op de weg van de vreemdeling lag om de authenticiteit van het arrestatiebevel alsnog aannemelijk te maken en zij daarin niet is geslaagd, aldus de staatssecretaris.

4.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1; www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

4.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

4.3. De vreemdeling heeft eerder op 29 oktober 2009 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag heeft de staatssecretaris bij besluit van 5 november 2009 afgewezen. Het besluit van 23 februari 2011 is van gelijke strekking als dat van 5 november 2009, zodat op het tegen eerstvermelde besluit ingestelde beroep het hiervoor onder 4.1. weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

4.4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 8 oktober 2007 in zaak nr. 200704465/1 en 29 maart 2010 in zaak nr. 200907436/1/V3; www.raadvanstate.nl), is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor onder 4.2. bedoeld, indien de authenticiteit van de stukken waarmee de desbetreffende vreemdeling de door hem gestelde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wil aantonen niet is vastgesteld. Zoals volgt uit voormelde jurisprudentie van de Afdeling ligt het op de weg van de vreemdeling de authenticiteit van het aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde document aan te tonen. De staatssecretaris kan de vreemdeling daarbij tegemoet komen door zelf de authenticiteit van de documenten te laten beoordelen, zonder daarmee echter afbreuk te doen aan de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling. Als de authenticiteit van zodanige stukken niet in de bestuurlijke fase is komen vast te staan, is het aan de vreemdeling dit in beroep alsnog aan te tonen.

4.5. De staatssecretaris heeft de authenticiteit van het door de vreemdeling overgelegde arrestatiebevel laten beoordelen. Naar aanleiding hiervan is uit de verklaring van het bureau Documenten gebleken dat het arrestatiebevel mogelijk echt is, maar waarschijnlijk niet is opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde instantie dan wel autoriteit, omdat onregelmatigheden zijn aangetroffen in de opmaak en afgifte van het document. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, uit deze conclusie niet volgt dat de authenticiteit van het arrestatiebevel niet kan worden vastgesteld en evenmin is geconcludeerd dat het document vals of vervalst is, laat onverlet dat met de verklaring van het bureau Documenten de authenticiteit van het arrestatiebevel niet is vast komen te staan, zodat het derhalve aan de vreemdeling is om deze alsnog aan te tonen.

De door de vreemdeling overgelegde brief van 16 maart 2011 van de procesvertegenwoordiger van de staatssecretaris in de in de brief vermelde zaak, leidt in dit verband niet tot een ander oordeel. Dat in de brief is medegedeeld dat de staatssecretaris, in het kader van een breder algemeen onderzoek naar documenten afkomstig van justitiële en rechterlijke instanties in Sri Lanka, bij de Sri Lankaanse autoriteiten informatie over veelgebruikte documenten heeft opgevraagd, doet immers niet af aan voormelde eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om de authenticiteit van het aan haar opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde arrestatiebevel aan te tonen.

Nu de authenticiteit van het arrestatiebevel niet in de bestuurlijke fase is komen vast te staan en de vreemdeling deze niet alsnog in beroep heeft aangetoond, heeft de rechtbank niet onderkend dat dit stuk reeds hierom geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. De grief slaagt.

5. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris voor het overige in de grief heeft aangevoerd, hoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

6. De vreemdeling heeft ter onderbouwing van haar opvolgende aanvraag de volgende documenten overgelegd.

1. Foto's.

2. Een brief van de zwager van de vreemdeling, [naam], van 20 juli 2010.

3. Een kaart van het Rode Kruis in Sri Lanka.

4. Een rapport van het research Directorate, Immigration and Refugee Board of Canada van 28 januari 2010 'Security controls at the international airport and ports'.

5. Een rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees van 5 juli 2010 'UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the international protection needs of asylum-seekers from Sri Lanka'.

6. Een artikel 'The Sri Lankan Tamil Diaspora After the LTTE' van de International Crisis Group van 23 februari 2010.

7. Een artikel uit de Herald Sun van 3 september 2010, 'Asylum seekers forcibly removed to Sri Lanka tortured and jailed'.

8. Een bericht van Amnesty International van 3 september 2010, 'Sri Lanka urged to ensure safety of detained former asylum seekers.

9. Een nieuwsbrief van Cath News Asia van 20 mei 2010, 'Sri lankan asylumseekers killed on return, NGO finds'.

10. Een artikel uit de Green left weekly van 5 december 2010, 'Sri Lanka: Deported asylum seekers face torture, jail'.

11. Een notitie van Vluchtelingenwerk Nederland van maart 2010, 'Behandeling asielaanvragen Tamils uit Sri Lanka' (hierna: de notitie van Vluchtelingenwerk).

12. Een artikel van Tamilwin van 22 oktober 2010, 'Inlichtingendienst op de luchthaven kijken met een oog naar de Tamils: Onnodig verhoor'.

13. Een artikel van Amnesty International van februari 2011, 'Forgotten prisoners, Sri Lanka uses anti-terrorism laws to detain thousands'.

14. Een rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 1 december 2010, 'Sri Lanka: Aktuelle Situation' (hierna: het SFH rapport).

15. Een bericht van 29 augustus 2011, 'Sri Lanka geteisterd door smeerduivels'.

16. Een uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2011 in zaak nr. 201011770/1/V1 (www.raadvanstate.nl).

6.1. De onder nummer 1 vermelde foto's, waarmee de vreemdeling wil aantonen dat zij als gevolg van deelname aan een demonstratie van Tamils in 's-Gravenhage in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten is komen te staan, kunnen niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, reeds omdat uit de overgelegde foto's niet kan worden afgeleid wanneer deze zijn genomen en derhalve niet kan worden vastgesteld of deze reeds aan de eerdere asielprocedure ten grondslag konden en derhalve hadden moeten worden gelegd.

De met nummer 2 aangeduide brief is een verklaring die niet afkomstig is uit objectieve bron en niet door enig ander concreet bewijs wordt gestaafd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2008 in zaak nr. 200805862/1; www.raadvanstate.nl). De onder nummer 3 vermelde kaart is niet een dergelijk bewijs, omdat daaruit niet is af te leiden waarom de kaart is afgegeven en deze dus niet kan dienen ter staving van de verklaring van de zwager van de vreemdeling dat de zus van de vreemdeling bij het Rode Kruis in Sri Lanka aangifte heeft gedaan van problemen die zij heeft ondervonden vanwege de betrokkenheid van de vreemdeling bij de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: de LTTE).

6.1.1. Gelet op het voorgaande heeft de vreemdeling geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan haar opvolgende aanvraag ten grondslag gelegd die afbreuk doen aan het door de staatssecretaris in het besluit van 5 november 2009 ingenomen standpunt dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten, vanwege door haar verrichte activiteiten voor de LTTE. Voor zover de vreemdeling met de overgelegde documenten, aangeduid met nummers 4 tot en met 14, heeft gewezen op de risico's die Tamils, die in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staan, bij terugkeer naar Sri Lanka lopen, is dan ook op voorhand uitgesloten dat deze documenten in dat opzicht kunnen afdoen aan het besluit van 5 november 2009. Deze documenten kunnen in zoverre derhalve niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden aangemerkt.

6.2. De vreemdeling heeft voorts onder verwijzing naar voormelde artikelen en notities, aangevoerd dat zij, reeds vanwege de enkele omstandigheid dat zij lange tijd buiten Sri Lanka heeft verbleven, bij terugkeer naar dat land een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en

de fundamentele vrijheden strijdige behandeling.

6.2.1. In de met nummers 4 tot en met 14 aangeduide documenten worden verschillende gevallen beschreven van marteling en detentie van Tamils na gedwongen terugkeer vanuit Australië naar Sri Lanka in 2009. Het overgelegde SFH-rapport (p. 23) vermeldt dat repatrianten bij aankomst op het vliegveld in Sri Lanka worden ondervraagd. Daarbij wordt gevraagd naar de reden van de terugkeer en onderzoek gedaan naar de identiteit van de repatriant. Indien twijfel bestaat over de identiteit van de repatriant of het vermoeden bestaat dat hij of zij banden heeft met de LTTE, dan wordt de repatriant aangehouden. De informatie uit het algemene ambtsbericht inzake Sri Lanka van de minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2009 (p. 109-110), waarnaar in de notitie van Vluchtelingenwerk is verwezen, komt in belangrijke mate overeen met deze informatie uit het SFH-rapport.

6.2.2. Uit de door de vreemdeling overgelegde documenten kan niet worden afgeleid dat iedere naar Sri Lanka terugkerende Tamil, die een lange periode buiten Sri Lanka heeft verbleven, reeds om die reden negatief in de belangstelling komt te staan van de Sri Lankaanse autoriteiten. Het is derhalve op voorhand uitgesloten dat de in voormelde documenten vervatte informatie kan afdoen aan het besluit van 5 november 2009, zodat deze documenten ook in zoverre niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt.

6.3. Voor zover de vreemdeling zich, onder verwijzing naar met name de onder nummers 5, 14 en 15 vermelde documenten, beroept op de risico's die vrouwen van Tamil afkomst in Sri Lanka lopen, wordt overwogen dat uit voormelde documenten niet kan worden afgeleid dat de situatie van deze vrouwen aldaar ten opzichte van de situatie zoals deze was ten tijde van het besluit van 5 november 2009 is verslechterd, zodat deze documenten om die reden niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen.

Ten slotte is ook de onder nummer 16 vermelde uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2011 geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, omdat een in een andere zaak uitgesproken rechterlijk oordeel op zichzelf geen verandering brengt in de door de vreemdeling in haar zaak gestelde feiten en omstandigheden.

6.4. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 23 februari 2011 geen plaats.

7. Het beroep van de vreemdeling is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 23 november 2011 in zaak nr. 11/9695;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Walcott Oliai, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Walcott-Oliai

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2012

555-643.

Verzonden: 28 december 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser