Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7569

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
02-01-2013
Zaaknummer
201209024/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het college aan de raad aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het door de raad bij besluit van 26 juni 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201209024/2/R3.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    de raad van de gemeente Bernheze,

2.    [verzoeker sub 2], wonend te Heesch, gemeente Bernheze,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het college aan de raad aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het door de raad bij besluit van 26 juni 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze".

Tegen dit besluit hebben onder meer de raad en [verzoeker sub 2] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee zij hun beroep hebben ingesteld hebben de raad en [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 13 december 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door M.H.P. van den Elsen, werkzaam bij de gemeente, en het college, vertegenwoordigd door P.W.J.M. Corvers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    [verzoeker sub 2] en de raad hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot aanwijzing 5 die ertoe strekt dat het bouwvlak van 2,5 ha voor het agrarisch bedrijf van [verzoeker sub 2] aan de [locatie 1] te Heesch inclusief alle bijbehorende aanduidingen en gekoppelde onderdelen geen deel blijft uitmaken van het plan. Hierdoor kan [verzoeker sub 2] niet tijdig aan de nieuwe wet- en regelgeving inzake dierenwelzijnseisen voldoen.

Het verzoek van de raad heeft voorts betrekking op aanwijzing 7, waardoor het bouwvlak voor wonen grenzend aan het bouwvlak voor het hondenpension aan de [locatie 2] te Heeswijk-Dinther inclusief alle bijbehorende aanduidingen geen deel blijft uitmaken van het plan. Hierdoor kan volgens de raad de ondernemer op dit perceel de door hem voorziene ontwikkelingen en in gang gezette procedures niet voltooien.

Daarnaast heeft het verzoek van de raad betrekking op aanwijzing 8, waardoor het bouwvlak met alle bijbehorende aanduidingen voor camping De Meerdonk aan de Zandkant 5a te Heeswijk-Dinther geen deel blijft uitmaken van het plan. De ondernemer van de camping op dit perceel wil volgens de raad graag duidelijkheid over de planologische mogelijkheden voor het begin van het kampeerseizoen. Ter zitting heeft de raad daaraan toegevoegd dat er concrete plannen zijn voor de herbouw van een bedrijfswoning die in het vorige plan niet was toegestaan.

Voorts heeft het verzoek van de raad betrekking op aanwijzing 9, waardoor de bestemmingsvlakken met de aanduiding "wonen" die niet zijn aangeduid met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte" of "specifieke vorm van wonen - beperkte inhoudsmaat" geen deel blijven uitmaken van het plan.

Verder heeft het verzoek van de raad betrekking op aanwijzing 10, waardoor bij de artikelen 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder c, 4, lid 4.2, onder 4.2.1, onder c, 5, lid 5.2, onder 5.2.1, onder c, 6, lid 6.2, onder 6.2.1, onder c, 7, lid 7.2, onder 7.2.1, onder c, en 9, lid 9.2, onder 9.2.1, onder c, van de planregels, de haakjes rondom het woord "bedrijfs" geen deel blijven uitmaken van het plan.

Daarnaast heeft het verzoek van de raad betrekking op aanwijzing 12, waardoor bij de artikelen 3, lid 3.2, onder 3.2.7, 4, lid 4.2, onder 4.2.4, 5, lid 5.2, onder 5.2.7, 7, lid 7.2, onder 7.2.7, 9, lid 9.2, onder 9.2.5, van de planregels, in de tabel onder a bij het onderdeel inhoud bij deze planregels de tekst "maximaal 750 m³" geen deel blijft uitmaken van het plan. Door deze aanwijzing in samenhang met de aanwijzingen 9 en 10 kan een tiental ingediende verzoeken voor ontwikkelingen binnen de aanduiding "wonen" volgens de raad niet worden afgehandeld.

Tot slot heeft het verzoek van de raad betrekking op aanwijzing 16, waardoor de artikelen 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onder h, onderdeel 2, 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder g, onderdeel 2, 6, lid 6.9, onder 6.9.1, onder g, onderdeel 2, 7 lid 7.9, onder 7.9.1, onder g, onderdeel 2, van de planregels, die zijn gericht op woningsplitsing van niet cultuurhistorisch waardevolle panden, geen deel blijven uitmaken van het plan. Als gevolg van de aanwijzing kan een aantal verzoeken om splitsing van langgevelboerderijen niet worden afgehandeld.

2.1.    Het college heeft aan de aanwijzingen 5, 8, 9, 10 en 12 ten grondslag gelegd dat de hiermee voorziene bouwvlakken dan wel de vergroting daarvan in strijd zijn met de verantwoordingsplicht over zorgvuldig ruimtegebruik en kwaliteitsverbetering van het landschap als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2012 (hierna: Verordening 2012). Wat betreft aanwijzing 5 is in het verleden weliswaar een vrijstelling verleend voor vergroting van het bouwvlak tot 2,06 ha, maar dit verklaart volgens het college niet waarom het plan voorziet in een bouwvlak bij recht van 2,5 ha. Wat betreft de aanwijzingen 9, 10 en 12 bevat het plan bovendien generieke ontwikkelingsmogelijkheden voor het vergroten van woningen naar 750 m³ in strijd met de eisen in artikel 11.1, vijfde lid, van de Verordening 2012 over landschappelijke inpassing.

Wat betreft aanwijzing 7 is volgens het college gehandeld in strijd met de artikelen 2.2., 11.2 en 11.4, tweede lid van de Verordening 2012. Op het perceel is een illegale woning aanwezig. Met het plandeel wordt beoogd de woning te verplaatsen naar een zelfstandige locatie waar een nieuwe burgerwoning is toegestaan. Dit is volgens het college een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in strijd met voornoemde bepalingen.

Wat betreft aanwijzing 16 is volgens het college gehandeld in strijd met artikel 11.1, derde lid, onder b, van de Verordening 2012, waarin is bepaald dat een splitsing alleen mogelijk is voor cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.

2.2.    De voorzitter overweegt dat de plandelen waarop de bestreden aanwijzingen betrekking hebben het toetsingskader vormen voor een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouw- en splitsingsplannen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Door het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat deze plandelen geacht worden deel uit te maken van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" zoals dat is vastgesteld, kunnen onomkeerbare gevolgen ontstaan, terwijl niet kan worden uitgesloten dat het standpunt van het college voor wat betreft deze aanwijzingen in de bodemprocedure geheel of gedeeltelijk in stand zal blijven. Onder deze omstandigheden acht de voorzitter het treffen van een voorlopige voorziening, zoals verzocht, voor deze plandelen te verstrekkend.

Wat betreft aanwijzing 8 overweegt de voorzitter bovendien dat de bouwmogelijkheden uit het vorige plan volgens het beroepschrift van de raad, afgezien van de bedrijfswoning, gelijk zijn aan die van het plandeel waarop de aanwijzing betrekking heeft. Gelet hierop kan naar het oordeel van de voorzitter in zoverre niet staande worden gehouden dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat in afwachting van de bodemprocedure een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.3.    De voorzitter ziet dan ook aanleiding om de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Boermans

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

429-605.