Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201207295/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

DUBLINVERORDENING. Artikel 9 lid 2. Visum niet meer geldig ten tijde van asielaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/70

Uitspraak

201207295/1/V4.

Datum uitspraak: 18 december 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[naam],

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2012 in zaak

nrs. 12/20279 en 12/20277 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 juli 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In haar enige grief klaagt de vreemdeling, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter in navolging van de minister ten onrechte er vanuit is gegaan dat het Slowaakse visum in haar paspoort ten tijde van belang nog geldig was, zodat het standpunt van de minister, dat Slowakije op grond van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag, in rechte stand kan houden.

1.1. De vreemdeling is, naar zij heeft verklaard, op 9 maart 2012 Nederland ingereisd en is in het bezit van een origineel paspoort met daarin een visum voor Slowakije, geldig van 5 mei 2011 tot 3 mei 2012.

Op 10 april 2012 heeft zij in persoon bij de aanmeldunit van de Vreemdelingenpolitie te kennen gegeven dat zij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wilde indienen.

Op 13 juni 2012 heeft zij, conform afspraak, in het aanmeldcentrum Ter Apel haar aanvraag ingediend.

1.2. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van de Verordening wordt onder een asielverzoek verstaan een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het verdrag van Genève en wordt elk verzoek om internationale bescherming als een asielverzoek beschouwd, tenzij de onderdaan van een derde land uitdrukkelijk vraagt om een andere vorm van bescherming waarvoor een afzonderlijk verzoek kan worden ingediend.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Verordening wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen en dient bij een niet-schriftelijk verzoek de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Verordening wordt, met toepassing van de in hoofdstuk 3 opgenomen criteria op grond van de situatie op het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient, vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is.

Ingevolge artikel 9, tweede lid van de Verordening, voor zover hier van belang, is, wanneer de asielzoeker houder is van een geldig visum, de lidstaat die dat visum heeft afgegeven verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.

Ingevolge artikel 3.38 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter i aangeduide model.

1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van

20 maart 2012 in zaak nr 201007428/1/V4; www.raadvanstate.nl) is de doelstelling van de Verordening het vaststellen van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten is ingediend. De Verordening ziet niet op de wijze van inrichting van de asielprocedures in de afzonderlijke lidstaten. In het licht hiervan en gelet op de tekst van deze bepaling, staat artikel 4, tweede lid, van de Verordening er niet aan in de weg dat een asielverzoek dient te worden ingediend door middel van een formulier.

Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102753/1/V3; www.raadvanstate.nl) volgt uit artikel 2, aanhef en onder c, van de Verordening, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder g, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004 L 304 en – rectificatie – PB 2005 L 204), dat een door de vreemdeling kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen als een asielverzoek in de zin van deze bepalingen kan worden aangemerkt. Uit artikel 4, tweede lid, van de Verordening volgt dat een asielverzoek wat betreft de aanvang van de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat geacht wordt te zijn ingediend indien de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van een formulier. Aldus maakt de Verordening een onderscheid tussen een asielverzoek en de (formele) indiening daarvan.

De vreemdeling heeft op 13 juni 2012 het formulier bedoeld in artikel 3.38 van het VV 2000 ingediend. Daarmee moet, gelet op het in de Verordening gemaakte onderscheid tussen een asielverzoek en de indiening daarvan, voor de toepassing van de Verordening 13 juni 2012 als datum van indiening van het verzoek worden aangemerkt. Gelet op artikel 5, tweede lid, van de Verordening diende aldus op grond van de situatie op die datum te worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk was voor de behandeling van het verzoek. Nu het aan de vreemdeling verleende visum voor Slowakije op 13 juni 2012 niet meer geldig was, kon op grond van artikel 9, tweede lid, van de Verordening niet van de verantwoordelijkheid van Slowakije voor de behandeling van de asielaanvraag worden uitgegaan. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de minister van 21 juni 2012 alsnog gegrond verklaren.

3. De minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2012 in zaak nrs. 12/20277;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 21 juni 2012, kenmerk K1-483518808;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en

mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter w.g. Verbeek

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012

574.

Verzonden: 18 december 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser