Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201203875/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2010 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar en haar minderjarige kind het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JN 2013/15

Uitspraak

201203875/1/V6.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 maart 2012 in zaak nr. 11/2538 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2010 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar en haar minderjarige kind het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 17 juni 2011 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2012, waar de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, is verschenen.

    Overwegingen

1.    Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

    Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

   

    Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

    Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

    Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

    De Handleiding vermeldt voorts dat een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument dient over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit dient niet alleen te geschieden in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is), dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de gemeentelijke basisadministratie is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

    Van het vereiste van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. In bewijsnood is een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

    Verder is in de Handleiding vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

3.    Niet in geschil is dat de [appellante] bij haar verzoek om verlening van het Nederlanderschap geen gelegaliseerde geboorteakte en geen paspoorten voor haar en haar minderjarige kind heeft overgelegd.

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bewijsnood zich niet voordoet. [appellante] stelt dat zij in bewijsnood verkeert en voert daartoe aan dat zij verscheidene malen de Chinese autoriteiten in haar geboorteplaats en de Chinese ambassade te Den Haag (hierna: de ambassade) heeft aangeschreven om de voor naturalisatie vereiste documenten te verkrijgen, maar dat zij daarop geen antwoord heeft gekregen. [appellante] betoogt tevens dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt al het mogelijke te hebben gedaan om aan de gevraagde documenten te komen, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt een in China verblijvende advocaat te hebben benaderd. [appellante] stelt geen meerwaarde te zien in het aanschrijven van een in China verblijvende derde om aan de benodigde documenten te komen.

4.1.    De overweging van de rechtbank dat niet is gebleken dat de registers van de burgerlijke stand in China onvolledig zijn dan wel dat in China geen documenten kunnen worden verkregen vanwege de bestaande politieke situatie aldaar, heeft [appellante] niet bestreden. Dat [appellante] verscheidene brieven heeft gestuurd naar de Chinese autoriteiten in haar geboorteplaats en naar de ambassade, maakt niet dat zij al het mogelijke heeft gedaan om de voor naturalisatie benodigde documenten te verkrijgen, reeds nu zij niet heeft getracht die documenten met behulp van in China verblijvende derden te verkrijgen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt in bewijsnood te verkeren.

    Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, nu de staatssecretaris gemotiveerd uiteengezet heeft dat in de naturalisatiezaken waarnaar [appellante] heeft verwezen zich een ambtelijke misslag heeft voorgedaan. Zij voert daartoe aan dat de staatssecretaris slechts heeft gesteld dat in de desbetreffende naturalisatiezaken het beroep op bewijsnood te snel is gehonoreerd, maar dat de staatssecretaris niet gemotiveerd uiteengezet heeft waarom in de desbetreffende zaken sprake was van een ambtelijke misslag.

5.1.    In het besluit van 17 juni 2011 heeft de staatssecretaris gemotiveerd waarom in de door [appellante] aangehaalde naturalisatiezaken zich een ambtelijke misslag heeft voorgedaan. De staatssecretaris heeft uiteengezet dat uit onderzoek is gebleken dat in de desbetreffende zaken de naturalisatieverzoeken ten onrechte zijn ingewilligd nadat de desbetreffende verzoekers slechts kopieën van brieven die zij aan Chinese autoriteiten hadden gestuurd hadden overgelegd. In die zaken was niet gebleken dat de desbetreffende verzoekers andere pogingen hadden ondernomen om de voor naturalisatie benodigde documenten te verkrijgen. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitsluitend schrijven van brieven naar autoriteiten van het land van herkomst niet voldoende is om bewijsnood aan te nemen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris gemotiveerd uiteengezet heeft dat in de door [appellante] aangehaalde naturalisatiezaken sprake was van een ambtelijke misslag. Aangezien het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat de staatssecretaris in een eenmaal gemaakte fout zou moeten volharden, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat dit beroep niet slaagt.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Groenendijk

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

164-692.