Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201111295/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 13 mei 2011 heeft de RDW de aan [wederpartij sub 1] verleende APK-erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kg voor de keuringsplaats met het keuringsinstantienummer PI02P01 te Amsterdam voor de duur van zes weken ingetrokken en de keuringsbevoegdheid van [wederpartij sub 2] voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor dezelfde duur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201111295/1/A3.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW),

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2011 in de zaken nrs. 11/4045, 11/4047, 11/4107 en 11/4108 in het geding tussen:

1. [wederpartij sub 1], gevestigd te [woonplaats],

2. [wederpartij sub 2], wonend te [woonplaats],

en

de RDW.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 13 mei 2011 heeft de RDW de aan [wederpartij sub 1] verleende APK-erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kg voor de keuringsplaats met het keuringsinstantienummer PI02P01 te Amsterdam voor de duur van zes weken ingetrokken en de keuringsbevoegdheid van [wederpartij sub 2] voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor dezelfde duur.

Bij onderscheiden besluiten van 19 augustus 2011 heeft de RDW de door onderscheidenlijk [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 september 2011 heeft de voorzieningenrechter de door onderscheidenlijk [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, de besluiten van 13 mei 2011 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW hoger beroep ingesteld.

[wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] hebben ieder afzonderlijk een verweerschrift ingediend.

[wederpartij sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2012, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. T. Bosboom, werkzaam in dienst van de RDW, [wederpartij sub 1], vertegenwoordigd door mr. A.A. Alciyan, werkzaam voor Stichting Rechtsbijstand Mobiliteitsbranche, en [wederpartij sub 2] zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 kan de RDW een erkenning intrekken of wijzigen, indien degene, aan wie de erkenning is verleend, in strijd handelt met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

    Ingevolge artikel 87a, tweede lid, aanhef en onder c, kan de RDW de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen intrekken of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen, indien degene, aan wie die bevoegdheid is verleend, in strijd handelt met een of meer uit de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen voortvloeiende verplichtingen.

1.1.    Ingevolge artikel 1 van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK (hierna: de Regeling) wordt in deze regeling onder keuringseisen verstaan: op de desbetreffende voertuigcategorie toepasselijke permanente eisen in de Regeling voertuigen.

    Ingevolge artikel 27, derde lid, aanhef en onder b, wordt geen keuring verricht, dan nadat het kentekenregister is geraadpleegd ten aanzien van het identificatienummer van het ter keuring aangeboden voertuig.

    Ingevolge artikel 30, tweede lid, wordt, alvorens tot het afmelden van een voertuig, als bedoeld in het derde lid, wordt overgegaan, door de keurmeester die het voertuig afmeldt aan de hand van het kentekenregister nagegaan of die keuring van dat voertuig heeft plaatsgevonden.    Ingevolge het derde lid, aanhef en onder h, wordt het voertuig door middel van datacommunicatie van de RDW afgemeld onder verstrekking van de bevestiging dat de in het tweede lid voorgeschreven controleverplichting is nagekomen, waarna acceptatie van de afmelding wordt weergegeven.

    Ingevolge artikel 2.1., derde lid, van de Regeling voertuigen wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, zoals vermeld in Bijlage I.

    Ingevolge artikel 5.2.1., derde lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, moet het voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet dit goed leesbaar zijn. Dit dient visueel te worden gecontroleerd, aldus die bepaling.

    In Bijlage I is in artikel 1 bepaald dat in deze bijlage onder voertuigidentificatienummer wordt verstaan: een gestructureerde combinatie van tekens die de fabrikant oorspronkelijk aan ieder voertuig heeft gegeven, met het doel om, zonder gebruikmaking van verdere informatie, ieder voertuig eenduidig te identificeren.

    In artikel 4, eerste lid, is bepaald dat de vaststelling van het voertuigidentificatienummer aan de hand van het originele door de voertuigfabrikant ingeslagen voertuigidentificatienummer geschiedt.

1.2.    Bij het toezicht op keuringen en het opleggen van sancties paste de RDW ten tijde van belang beleidsregels toe die zijn gepubliceerd in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW van 1 september 2010.

2.    De RDW heeft aan de besluiten van 19 augustus 2011 ten grondslag gelegd dat de artikelen 27, derde lid, aanhef en onder b, en 30, tweede lid en derde lid, aanhef en onder h, van de Regeling zijn overtreden, doordat het ingeslagen voertuigidentificatienummer bij een APK-keuring op 18 april 2011 niet is gecontroleerd en derhalve geen volledige keuring is verricht. De RDW heeft dit aangemerkt als een overtreding van de derde categorie. In verband met de ernst van de overtreding en de afwezigheid van bijzondere omstandigheden heeft de RDW de voormelde intrekkingen evenredig en gerechtvaardigd geacht.

3.    De RDW betoogt dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat niet is gebleken van een onvolledige APK-keuring, omdat uit de toepasselijke regelgeving niet volgt dat het voertuigidentificatienummer moet zijn ingeslagen op een vast voertuigdeel, de betekenis van artikel 5.2.1., derde lid, van de Regeling voertuigen heeft miskend. Uit die bepaling vloeit voort dat bij de APK-keuring niet mocht worden volstaan met controle van het voertuigidentificatienummer dat op een aan het dashboard gemonteerd plaatje is gegraveerd, aldus de RDW.

3.1.    Dat betoog slaagt. Ingevolge artikel 5.2.1., derde lid, van de Regeling voertuigen moet het voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen. Het op het dashboard gemonteerde plaatje met het voertuigidentificatienummer is dat niet. Dat het, zoals [wederpartij sub 1] stelt, stevig is vastgemaakt op het dashboard, maakt dat niet anders. Nu het ingeslagen voertuigidentificatienummer bij de APK-keuring niet is gecontroleerd, zijn de artikelen 27, derde lid, aanhef en onder b, en 30, tweede lid en derde lid, aanhef en onder h, van de Regeling overtreden. [wederpartij sub 2] had het desbetreffende voertuig niet mogen afmelden, zonder het ingeslagen voertuigidentificatienummer te controleren.

4.    Voorts betoogt de RDW dat de voorzieningenrechter de getroffen maatregelen ten onrechte onevenredig bezwarend heeft geacht. De duur van de intrekkingen is in overeenstemming met het gevoerde beleid, welk beleid door de Afdeling niet onredelijk is geoordeeld, aldus de RDW.

4.1.    Bij de toepassing van de bevoegdheid inzake het bepalen van de sanctiezwaarte voert de RDW beleid dat is gepubliceerd in de Toezichtbeleidsbrief. De duur van de intrekkingen is daarmee in overeenstemming. Dit beleid behelst een gedifferentieerd systeem van in ernst en gewicht oplopende overtredingen met daaraan gekoppelde, in zwaarte oplopende, maatregelen, waarbij in algemene zin rekening is gehouden met de bedrijfseconomische belangen van erkenninghouders en keurmeesters en hun staat van dienst.

4.2.    Het door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] in beroep aangevoerde heeft de voorzieningenrechter ten onrechte grond gegeven voor het oordeel dat de RDW het gevoerde beleid in dit geval niet onverkort mocht toepassen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, die de RDW tot afwijking van het gevoerde beleid noopten. De door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] gestelde redenen voor het niet kunnen vinden van het ingeslagen voertuigidentificatienummer, zijn in dit verband niet van belang. De overtreding betreft niet het niet kunnen vinden van dat nummer, maar het afmelden van het voertuig, zonder dat dat nummer is gecontroleerd.

    Dit betoog slaagt evenzeer.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de voorzieningenrechter dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 19 augustus 2011 ongegrond verklaren.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2011 in de zaken nrs. 11/4045, 11/4047, 11/4107 en 11/4108;

III.    verklaart de bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb    w.g. Nell

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

597.