Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7368

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201207189/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Westergeest" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201207189/1/R4.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Westergeest, gemeente Kollumerland c.a.,

en

de raad van de gemeente Kollumerland c.a.,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Westergeest" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door R. Wierstra-Jepkema en S. van der Heide-Nijhuis, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

    Overwegingen

1.    Het plan heeft betrekking op de bebouwde kom en de direct aangrenzende agrarische percelen van de kern Westergeest. Het plan is een (gedeeltelijke) herziening en actualisatie van een aantal bestemmingsplannen.

2.    Het beroep richt zich tegen de vaststelling van de plandelen met de bestemmingen "Wonen - 1" en "Tuin" wat betreft de percelen [locatie A], [locatie B] en [locatie C] te Westergeest.

2.1.    [appellant] voert in de eerste plaats aan dat zijn woning aan de [locatie A], alsmede de woningen aan de [locatie B] en [locatie C], ten onrechte in het plan zijn opgenomen. Hij stelt dat het doel van het plan volgens de plantoelichting het vernieuwen van alle bestemmingsplannen voor de bebouwde kommen in de gemeente is. Nu de percelen [locatie A], [locatie B] en [locatie C] volgens [appellant] buiten de bebouwde kom van Westergeest liggen, hadden deze percelen buiten het plan moeten worden gehouden.

2.2.    De raad stelt dat de grens van de bebouwde kom voor de bepaling van de begrenzing van het plan niet bepalend is geweest. Volgens de raad waren de percelen aan de [locatie A], [locatie B] en [locatie C] reeds opgenomen in de voorheen geldende bestemmingsplannen "Westergeest" en "De Ikkers", die het vastgestelde plan vervangt. De raad heeft geen aanleiding gezien deze percelen thans buiten het plan te laten.

2.3.    In de plantoelichting staat dat het plan betrekking heeft op de bebouwde kom en de direct aangrenzende agrarische percelen van de kern Westergeest. Voor zover [appellant] betoogt dat is beoogd uitsluitend percelen binnen de bebouwde kom in het plan op te nemen, mist het betoog derhalve feitelijke grondslag.

    De Afdeling overweegt verder het volgende. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3.    [appellant] kan zich niet verenigen met de bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken die ingevolge het plan gelden voor het perceel [locatie B].

    [appellant] voert in dat verband allereerst aan dat de bouwmogelijkheden in het plan leiden tot aantasting van zijn uitzicht, nu het plan de bouw van een bijbehorend bouwwerk van aanzienlijke omvang mogelijk maakt achter de woning op het perceel [locatie B]. Volgens [appellant] wordt hierdoor zijn vrije uitzicht aangetast, niet alleen vanwege de toegestane omvang van de bebouwing, maar ook omdat de bebouwing zeer diep op het perceel kan worden geplaatst en tegen de erfgrens kan worden gesitueerd.

3.1.    De raad stelt dat de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken bij woonbestemmingen in het plan zijn gebaseerd op de bouwregels die reeds in het voor de gehele gemeente geldende facetbestemmingsplan "Facetbestemmingsplan ondergeschikte bebouwing woonbestemmingen", vastgesteld bij besluit van 13 september 2007, zijn neergelegd en op het gemeentelijke beleid inzake bijbehorende bouwwerken bij woningen. De regels uit het facetbestemmingsplan zijn volgens de raad in het plan overgenomen. Het gemeentelijke beleid wordt volgens de raad in nieuwe bestemmingsplannen opgenomen voor woonbestemmingen zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Dit beleid houdt onder meer in dat, waar mogelijk, het te bebouwen erf bij woonbestemmingen een diepte krijgt van 45 meter, gerekend vanaf de naar de weg gekeerde gevel van de woning. In de bouwregels van het plan is uitvoering gegeven aan dit beleid.

    De raad erkent dat de regeling in het plan kan leiden tot een beperking van het vrije uitzicht van [appellant]. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen rechtsregel is die bepaalt dat een vrij uitzicht te allen tijde gehandhaafd moet blijven. Verder wijst de raad erop dat het op grond van de voorheen geldende plannen ook al mogelijk was om binnen de woonbestemming op de perceelsgrens ondergeschikte bebouwing en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op te richten, waardoor het uitzicht van [appellant] ook reeds kon worden aangetast.

3.2.    Aan het perceel [locatie B] is, voor zover hier van belang, de bestemming "Wonen - 1" toegekend. Aan een gedeelte van het perceel is de aanduiding "erf" toegekend. Dit deel van het perceel heeft een diepte van 45 m, gerekend vanaf de aan het perceelsgedeelte met de bestemming "Tuin" grenzende zijde van het bouwvlak.

    Ingevolge artikel 18, lid 18.2, onder b, van de planregels gelden op gronden met de bestemming "Wonen - 1" voor het bouwen van ondergeschikte bebouwing ten behoeve van wonen de volgende regels:

1. ondergeschikte bebouwing wordt gebouwd binnen een bouwvlak dan wel op de gronden ter plaatse van de aanduiding "erf";

2. ondergeschikte bebouwing wordt ten minste 3 m achter (de lijn welke kan worden getrokken in het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw gebouwd;

3. de goothoogte van ondergeschikte bebouwing bedraagt niet meer dan 3 m, dan wel niet meer dan 30 cm boven de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw, voor zover aan dit hoofdgebouw wordt gebouwd, dan wel de bestaande goothoogte indien deze meer bedraagt;

4. in afwijking van de goothoogte voor ondergeschikte bebouwing als bedoeld in lid 18.2, sub b, onder 3, mag niet meer dan 30% van de totale gootlengte van ondergeschikte bebouwing met een hogere goothoogte worden gebouwd;

5. de bouwhoogte van ondergeschikte bebouwing bedraagt niet meer dan 6 m, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt;

6. de gezamenlijke oppervlakte van ondergeschikte bebouwing bedraagt:

- niet meer dan 100 m² per bouwperceel, met dien verstande dat niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt; of

- niet meer dan 10% van de oppervlakte van het bouwperceel, met een maximum van 150 m² per bouwperceel, met dien verstande dat niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt.

3.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de Afdeling af dat het plan voor het perceel [locatie B] geen grotere oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken mogelijk maakt dan het voorheen geldende plan, nu de maximale oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken in het plan overeenkomt met hetgeen reeds is neergelegd in het facetbestemmingsplan "Facetbestemmingsplan ondergeschikte bebouwing woonbestemmingen". Dit facetbestemmingsplan was voor de inwerkingtreding van het onderhavige plan reeds rechtstreeks van toepassing op het perceel [locatie B]. Voorts is gebleken dat het plan het, in vergelijking met het voorheen geldende plan en het facetbestemmingsplan, mogelijk maakt bijbehorende bouwwerken verder naar achteren op het erf te bouwen, namelijk tot 45 m vanaf de naar de weg gekeerde gevel van de woning.

     De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

    Gebleken is dat de raad met het plan de bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken op onder meer het perceel [locatie B] in overeenstemming heeft gebracht met de bouwmogelijkheden die op grond van de facetbestemmingsplannen en het gemeentelijke beleid elders in de gemeente reeds bestaan, dan wel worden opgenomen in alle nieuwe bestemmingsplannen van de gemeente Kollumerland c.a.

    De bouwmogelijkheden die het plan biedt voor bijbehorende bouwwerken op het perceel [locatie B] kunnen leiden tot enige aantasting van het uitzicht van [appellant], nu bijbehorende bouwwerken verder naar achteren op het erf mogen worden gebouwd dan voorheen mogelijk was. De maximaal toegestane oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken neemt echter niet toe. Daarnaast konden op dit deel van het perceel voorheen ook reeds vergunningvrije bouwwerken worden opgericht die tot enige aantasting van het uitzicht konden leiden. Verder overweegt de Afdeling dat, ook wanneer een bijbehorend bouwwerk op het perceel [locatie B] wordt gebouwd, er aan de achterzijde van het eigen perceel van [appellant] nog vrij uitzicht behouden blijft.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht van [appellant] niet zo ernstig is dat daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend belang had moeten worden toegekend.

    Het betoog faalt.       

4.    [appellant] betoogt daarnaast dat in het plan het cultuurhistorisch en landschappelijk waardevolle gebied De Ikkers onvoldoende wordt beschermd. [appellant] voert aan dat het plan het ten onrechte mogelijk maakt om op een deel van De Ikkers bebouwing te realiseren. Het betreft in de eerste plaats de mogelijkheid om op het perceel [locatie B] een omvangrijk bijbehorend bouwwerk op te richten. Daarnaast betreft het de mogelijkheid om te bouwen op de strook grond tussen [locatie A] en [locatie B], nu deze strook in het plan voor woondoeleinden is bestemd.

    Volgens [appellant] zijn in het plan de bouwmogelijkheden voor dit deel van De Ikkers ten onrechte verruimd. Volgens hem was het voorheen niet toegestaan om op De Ikkers te bouwen, met uitzondering van erfafscheidingen van maximaal 1 m hoog. Volgens [appellant] had aan het perceel [locatie B], voor zover dit binnen De Ikkers is gelegen, in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden" moeten worden toegekend.

4.1.    De raad stelt dat in de afgelopen jaren op de percelen aan de Trekwei een aantal aanpassingen is doorgevoerd, waaronder het verleggen van het toegangspad naar de woningen. Het toegangspad liep voor de woningen langs en is verlegd naar de achterzijde van de percelen. Het toegangspad ligt daarmee in het gebied van De Ikkers zoals dat in het bestemmingsplan "De Ikkers" was begrensd. De raad heeft bij de vaststelling van het plan afgewogen of De Ikkers, zoals begrensd in het bestemmingsplan "De Ikkers" moeten worden gehandhaafd of dat het plan aan de nieuwe situatie moet worden aangepast. Volledige handhaving van De Ikkers betekent volgens de raad dat het toegangspad zal moeten worden verlegd naar de oorspronkelijke locatie langs het water aan de voorzijde van de woningen. Ook zal in dat geval de inrichting van de tuinen van verschillende percelen volgens de raad weer in oude staat moeten worden teruggebracht. De raad stelt zich op het standpunt dat onder deze omstandigheden handhaving van de begrenzing van De Ikkers onevenredige afbreuk doet aan het woongenot van de betrokken percelen. In overeenstemming met het huidige gebruik van de percelen heeft de raad in het plan aan deze delen van de percelen een woonbestemming toegekend en daarvoor bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken in het plan opgenomen. Daarbij heeft de raad tevens overwogen dat het reliëf dat De Ikkers zo kenmerkend maakt op deze plaats ontbreekt.

4.2.    Volgens de plantoelichting zijn De Ikkers agrarische gronden met een bijzondere cultuurhistorisch landschappelijke waarde door de smalle strokenstructuur. De aanwezige esstructuur en gave kleinschalige parcellering van De Ikkers is volgens de plantoelichting van bijzondere waarde. De Ikkers van Westergeest bestaan uit vier blokken ten zuid- en zuidwesten van het dorp. Uit de plantoelichting blijkt tevens dat in het plan aan de te beschermen delen van De Ikkers ten behoeve van het behoud en herstel van de voor De Ikkers kenmerkende landschappelijke en cultuurhistorische waarden de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend.

4.3.    Met betrekking tot het perceel [locatie B] overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling begrijpt het beroep aldus, dat [appellant] betoogt dat aan een deel van het perceel [locatie B] waaraan nu de bestemming "Wonen - 1" is toegekend, de bestemming "Agrarisch met waarden" had moeten worden toegekend, om te voorkomen dat in De Ikkers mag worden gebouwd. Het plan staat het toe dat op dit deel van het perceel bouwwerken worden opgericht. Het betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen; voor zover het ook het perceelsgedeelte met de aanduiding "erf" betreft, mogen bovendien bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad aannemelijk gemaakt dat op deze plaats het kenmerkende reliëf van De Ikkers ontbreekt en de structuur van De Ikkers derhalve ter plaatse reeds is aangetast. Voorts is gebleken dat dit gedeelte van het perceel [locatie B] slechts een zeer beperkt deel van De Ikkers vormt. Verder heeft de raad in redelijkheid belang kunnen hechten aan het feit dat volledige bescherming van De Ikkers op deze plaats met zich zou brengen dat de toegangsweg tot de woningen aan de Trekwei opnieuw zou moeten worden verlegd en de inrichting van de percelen als tuin gedeeltelijk ongedaan zou moeten worden gemaakt, hetgeen nadelige gevolgen heeft voor de bewoners, onder wie [appellant] zelf.

    Onder deze omstandigheden heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid toe kunnen besluiten aan dit deel van het perceel [locatie B] geen bestemming toe te kennen die strekt tot bijzondere bescherming van De Ikkers.

    Het betoog faalt.

4.4.    Met betrekking tot de strook grond tussen [locatie A] en [locatie B] overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting is onweersproken gesteld dat deze strook grond eigendom is van [appellant]. [appellant] hoeft derhalve niet te vrezen dat op deze strook grond door hem niet gewenste bebouwing wordt opgericht. Het betoog faalt reeds hierom.

5.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman    w.g. Teuben

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

483.