Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7362

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201201216/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2011, nr. 85/2011, heeft de raad het bestemmingsplan "Park Lingezegen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201216/1/R2.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Bemmel, gemeente Lingewaard,

2.    [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna: [appellanten sub 2]), gevestigd en wonend te Bemmel, gemeente Lingewaard,

3.    [appellant sub 3], wonend te Bemmel, gemeente Lingewaard,

4.    [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend te Bemmel, gemeente Lingewaard,

5.    [appellant sub 5], wonend te Ressen, gemeente Lingewaard,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Lingewaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2011, nr. 85/2011, heeft de raad het bestemmingsplan "Park Lingezegen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 4] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2012, waar [appellant sub 1] en [appellanten sub 2], allen vertegenwoordigd door mr. J.J. Rudolphie, [appellanten sub 4], vertegenwoordigd door [appellant sub 4B], [appellant sub 5] en de raad, vertegenwoordigd door E.P.H. Weijde-Leenders, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het Projectbureau Park Lingezegen, vertegenwoordigd door J.A.J. Roest, J.W. Kamerman en K. Koppenaal, als partij gehoord.

    Overwegingen

1.    Het plan maakt de realisatie mogelijk van landschapspark Lingezegen, voor zover dit is voorzien binnen de gemeente Lingewaard.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.    [appellant sub 1] kan zich niet met het plan verenigen voor zover het plandeel voor zijn gronden, kadastraal bekend gemeente Ressen, sectie A, nummers 155 en 262, de bestemming "Agrarisch-De Woerdt" heeft. Hij betoogt dat de gronden ten onrechte niet zijn bestemd voor natuurontwikkeling. Volgens [appellant sub 1] heeft de raad zijn zienswijze onvoldoende beantwoord. Hij stelt dat de raad bij de beantwoording van de zienswijze een andere situatie voor ogen had dan de zijne, nu de raad in de nota van zienswijze stelt dat met hem overleg is gevoerd, terwijl de raad dit ten onrechte heeft nagelaten.

2.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat geen noodzaak bestaat tot het wijzigen van de bestemming.

2.2.    Niet in geschil is dat voor zowel het ontwerp van het plan als het vastgestelde plan is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het gemeentebestuur met hem overleg had moeten voeren gedurende de totstandkoming van het plan, wordt overwogen dat dergelijk overleg geen deel uitmaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het ontbreken van overleg tussen [appellant sub 1] en de raad heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Overigens is ter zitting gebleken dat [appellant sub 1] weliswaar niet met de raad in overleg is getreden over de mogelijkheden voor zijn perceel, maar wel met de projectontwikkelaar. Evenmin is de Afdeling voor het overige gebleken dat de reactie op de zienswijze van [appellant sub 1] op onjuistheden is gebaseerd.

    Ten aanzien van de bestemming heeft de raad uiteengezet dat gronden die in particulier eigendom zijn en die niet noodzakelijk zijn voor de natuurontwikkeling, zoals het perceel van [appellant sub 1], een agrarische bestemming hebben behouden. [appellant sub 1] heeft niet onderbouwd waarom dit standpunt onredelijk is. Het betoog faalt.

2.3.    In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch-De Woerdt" voor zijn gronden, kadastraal bekend gemeente Ressen, sectie A, nummers 155 en 262, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

3.    Ter zitting hebben [appellanten sub 2] hun beroep ingetrokken, voor zover is aangevoerd dat het glastuinbouwbedrijf aan [locatie 1] wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering door het voorziene wandelpad.

4.    [appellanten sub 2] exploiteren een glastuinbouwbedrijf aan [locatie 1] en [locatie 2] te Bemmel. Zij kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Water" en de dubbelbestemming "Waarde-Ecologische Verbindingszone" ten oosten van hun percelen. Zij betogen dat het glastuinbouwbedrijf aan [locatie 2] door het voorziene wandelpad in zijn bedrijfsvoering worden beperkt. Volgens [appellanten sub 2] worden gebruikers van het wandelpad blootgesteld aan de chemische bestrijdingsmiddelen die ter plaatse van het bedrijf worden gebruikt. Dit kan leiden tot een aantasting van de gezondheid van de wandelaar, waardoor het glastuinbouwbedrijf kan worden geconfronteerd met schadeclaims, zo stellen zij.

4.1.     Gelet op de aard van het gebruik van een wandelpad en de korte verblijfsduur ter plaatse, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een wandelpad niet moet worden beschouwd als een functie die gevoelig is voor de gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De raad heeft derhalve niet aannemelijk hoeven achten dat ten gevolge van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen door [appellanten sub 2] de gezondheid van de wandelaars wordt aangetast, waardoor de glastuinbouwbedrijven zullen worden geconfronteerd met schadeclaims van wandelaars. Verder heeft de raad ter zitting gesteld dat [appellanten sub 2] niet hoeven te vrezen dat het voorziene wandelpad zal leiden tot een beperking van hun bestaande rechten op grond van de milieuregelgeving. Evenmin bestaat anderszins aanleiding voor het oordeel dat het voorziene wandelpad zal leiden tot een onevenredige belemmering in hun bedrijfsvoering. Het betoog faalt.

4.2.    In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Water" en de dubbelbestemming "Waarde-Ecologische Verbindingszone" ten oosten van hun percelen, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

5.    [appellant sub 3] exploiteert een melkveebedrijf op het perceel [locatie 3] te Bemmel. Hij vreest dat hij door de in het plan voorziene natuurontwikkeling zal worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering. [appellant sub 3] stelt dat hij bij de verhuizing van zijn bedrijf naar het desbetreffende perceel er op mocht vertrouwen dat hij zijn bedrijf onbelemmerd zou kunnen uitvoeren. Daarnaast betoogt [appellant sub 3] dat het plan ten onrechte geen tweede bedrijfswoning op zijn perceel mogelijk maakt. Volgens [appellant sub 3] is een tweede bedrijfswoning noodzakelijk vanwege bedrijfseconomische redenen.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de vrees van [appellant sub 3] voor de beperking voor zijn bedrijfsvoering niet gegrond is. Verder stelt de raad dat het plan niet voorziet in een tweede bedrijfswoning op het perceel, omdat niet is gebleken dat dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.

5.2.    De raad heeft gesteld dat in het plan de uitbreidingsmogelijkheden ter plaatse van het perceel van [appellant sub 3] ten opzichte van het vorige plan zijn verruimd. Voor het overige is het planologische regime ter plaatse niet gewijzigd. Voorts is ter zitting gebleken dat het plan in de omgeving van het perceel van [appellant sub 3] niet voorziet in natuurontwikkeling. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene natuurontwikkeling [appellant sub 3] niet onevenredig beperkt in zijn bedrijfsvoering.

    Met betrekking tot bedrijfswoningen blijkt uit de plantoelichting dat de raad terughoudend omgaat met het toestaan van tweede bedrijfswoningen. Een tweede bedrijfswoning wordt alleen noodzakelijk geacht wanneer twee bedrijfsmedewerkers beiden permanent, 24 uur per dag, tegelijkertijd op de bedrijfslocatie aanwezig moeten zijn, zo staat in de plantoelichting. De raad heeft gesteld dat niet gebleken is dat deze situatie zich in dit geval voordoet. [appellant sub 3] heeft dit niet gemotiveerd betwist. Evenmin heeft hij onderbouwd waarom de raad voor zijn geval een uitzondering had moeten maken op het uitgangspunt dat alleen een tweede bedrijfswoning mogelijk wordt gemaakt als dit noodzakelijk is. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant sub 3] om een tweede bedrijfswoning op zijn perceel mogelijk te maken.

5.3.    In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Natuur" en het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Landbouwland" voor het perceel [locatie 3], strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 4]

6.    [appellanten sub 4] hebben bezwaar tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 4] te Bemmel. Zij betogen dat het plan er ten onrechte aan in de weg staat om de bestaande loods voor 200 m² voor opslag te gebruiken.

6.1.    Volgens de raad dient voor het als zodanig bestemmen van een opslagloods een afzonderlijke procedure gevolgd te worden, nu ten tijde van de vaststelling van het plan het voor de raad niet kenbaar was dat [appellant sub 4A] zijn perceel tevens wenste te gebruiken ten behoeve van opslag.

6.2.    Het college van burgemeester en wethouders heeft op 15 april 2009 een vergunning verleend voor het geheel vernieuwen van een loods of bijgebouw op het perceel [locatie 4] voor het gebruik als garage, hobbyruimte, stallingsruimte voor paarden, machineberging en werkplaats. De raad heeft ter zitting gesteld dat dit gebruik in het plan als zodanig is bestemd. Ter zitting is gebleken dat de loods ten tijde van de vaststelling van het plan niet werd gebruikt ten behoeve van opslag voor bedrijfsmatige doeleinden. Evenmin valt uit de zienswijze af te leiden dat [appellanten sub 4] het perceel in de toekomst voor dergelijke doeleinden wensen te gebruiken. Nu ten tijde van de vaststelling van het plan derhalve niet was gebleken dat [appellant sub 4A] zijn perceel wenste te gebruiken voor opslagdoeleinden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan er ten onrechte aan in de weg staat om de bestaande loods voor 200 m² voor opslag te gebruiken. Het betoog faalt dan ook.

6.3.    In hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 4] te Bemmel, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

7.    [appellanten sub 4] kunnen zich tevens niet verenigen met de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid" voor het perceel [locatie 5] te Bemmel. Zij betogen dat het huidige gebruik ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Zij wijzen er in dit verband op dat hun perceel niet in de bij de planregels behorende bijlage is opgenomen. Voorts stellen zij dat de op het perceel gevestigde woning ten onrechte als bedrijfswoning is bestemd. Volgens [appellanten sub 4] is de woning reeds vele jaren in gebruik als burgerwoning.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat [appellanten sub 4] in hun zienswijze hebben verzocht om een bedrijfsbestemming en dat overeenkomstig hun verzoek daarom het hele perceel is bestemd voor een handels-, constructie- en reparatiebedrijf.

7.2.    Ingevolge artikel 1.2.3, eerste lid, van het Bro, zoals dat luidde ten tijde van belang, worden de in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde visies, plannen, besluiten en verordeningen in voorkomend geval met de daarbij behorende toelichting of onderbouwing langs elektronische weg vastgelegd en in die vorm vastgesteld. Een volledige verbeelding daarvan op papier wordt gelijktijdig vastgesteld.

    Ingevolge het tweede lid, is, indien na vaststelling de inhoud van de langs elektronische weg vastgelegde visies, plannen, besluiten en verordeningen als bedoeld in het eerste lid, en die van de verbeelding daarvan op papier tot een verschillende uitleg aanleiding geeft, de eerstbedoelde inhoud beslissend.

7.3.    Het plandeel voor het perceel [locatie 5] te Bemmel heeft blijkens de verbeelding de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid". Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder a, ten derde, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor: bedrijven ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid": een bedrijf als bedoeld in bijlage 2 kolom "aard bedrijvigheid". In bijlage 2 is per adres aangegeven welke bedrijvigheid ter plaatse is toegestaan. In bijlage 2 van het elektronisch vastgestelde plan is het adres [locatie 5] evenwel niet opgenomen. Derhalve is niet duidelijk welke vorm van bedrijvigheid op het perceel is toegestaan. Dat het adres [locatie 5] wel is opgenomen in bijlage 2 van de papieren versie van de planregels doet hieraan niet af, nu op grond van artikel 1.2.3, tweede lid, van het Bro de inhoud van het elektronisch vastgestelde plan beslissend is. Nu niet duidelijk is welke vorm van bedrijvigheid op het perceel [locatie 5] is toegestaan, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

7.4.    Verder staat in de zienswijze van [appellanten sub 4] dat [appellant sub 4B] op zijn perceel [locatie 5] bedrijvigheden ontplooit die vallen onder het overgangsrecht van het vorige plan. [appellanten sub 4] wijzen er in de zienswijze op dat deze bedrijfsactiviteiten in het ontwerpbestemmingsplan "Park Lingezegen" ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Ter zitting is gebleken dat niet het hele perceel voor bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad uit de zienswijze daarom niet kunnen afleiden dat [appellanten sub 4] hebben verzocht om het hele perceel, inclusief de daarop aanwezige woning, voor bedrijfsdoeleinden te bestemmen. Nu uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad voorts geen afweging heeft gemaakt of de woning moet worden bestemd als bedrijfswoning, dan wel als burgerwoning, ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

7.5.    In hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid" voor het perceel [locatie 5] te Bemmel, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

    In hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van de bestaande woning op het perceel [locatie 5] te Bemmel is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

    Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

7.6.    De Afdeling ziet, mede gelet op de eventuele aanwezigheid van belangen van derden, geen aanleiding gevolg te geven aan het verzoek van [appellanten sub 4] om met toepassing van het bepaalde in artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State de raad de gebreken te laten herstellen.

    De Afdeling ziet wel aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, op te dragen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen voor de onder 7.5 genoemde plandelen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 5]

8.    Het beroep van [appellant sub 5] voor zover gericht tegen de begrenzing van het plan steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

    Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

    Het beroep van [appellant sub 5], voor zover het is gericht tegen de begrenzing van het plan, is niet-ontvankelijk.

9.    [appellant sub 5] woont op het perceel [locatie 6] te Ressen. Hij betoogt dat de raad ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan zijn verzoek om op het oostelijke deel van zijn perceel te voorzien in een woning en ter plaatse van de huidige woning op het westelijke deel van het perceel tevens bedrijfsactiviteiten mogelijk te maken. [appellant sub 5] stelt dat het college van burgemeester en wethouders in het verleden heeft verklaard medewerking te willen verlenen aan het toestaan van bedrijfsactiviteiten op zijn perceel. [appellant sub 5] voert voorts aan dat hij ter plaatse van zijn huidige woning onaanvaardbare overlast ervaart ten gevolge van het wegverkeer op de nabijgelegen rijksweg A325. In dit verband stelt hij dat de geluidbelasting op de gevel van de woning 68 dB(A) bedraagt. Derhalve is het volgens [appellant sub 5] noodzakelijk de woning te verplaatsen naar het oostelijke deel van het perceel. [appellant sub 5] betwist het standpunt van de raad dat het beleid, inhoudende dat geen nieuwe woningen worden toegestaan in het buitengebied, in de weg staat aan het honoreren van zijn verzoek. Hij betoogt dat de raad in de omstandigheden van dit geval aanleiding had moeten zien van zijn beleid af te wijken. Volgens [appellant sub 5] heeft de raad in vergelijkbare gevallen wel nieuwe woningen in het buitengebied mogelijk gemaakt. [appellant sub 5] wijst in dit verband op de voorziene woningen op het zogenoemde WIDO-terrein en het terrein van de viskwekerij aan de Ressensestraat. Voorts betoogt [appellant sub 5] dat de raad het standpunt dat ter plaatse van het oostelijke deel van het perceel niet kan worden voldaan aan de normen van de Wet geluidhinder, ten onrechte niet heeft onderbouwd.

9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [appellant sub 5] om te voorzien in een woning op het oostelijke deel van zijn perceel niet in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid, inhoudende dat buiten de woningbouwcontouren geen nieuwe woningen mogen worden gebouwd. Bovendien zal het toestaan van een woning op het oostelijke deel van het perceel ten koste gaan van de openheid van het landschap, aldus de raad. Voorts stelt de raad dat het niet onredelijk is dat [appellant sub 5] niet meer dan 100 m² mag gebruiken voor publieksgerichte bedrijfsactiviteiten aan huis.

9.2.    Voor zover [appellant sub 5] betoogt dat de raad ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan zijn verzoek om op het oostelijke deel van zijn perceel een woning mogelijk te maken, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft uiteengezet dat het gemeentelijk beleid de bouw van nieuwe woningen, behoudens in het geval van functieverandering, buiten de woningbouwcontouren niet toestaat. Nu het perceel van [appellant sub 5] niet ligt binnen de woningbouwcontour en evenmin sprake is van functieverandering, heeft de raad terecht gesteld dat het verzoek van [appellant sub 5] niet in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval onvoldoende grond bestaat om een uitzondering op het door hem gevoerde beleid te maken. In dit verband is van belang dat door de verplaatsing van de woning naar het oostelijke deel van het perceel, de woning op 125 meter afstand komt te liggen van de rijksweg A325. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de afstand tot de rijksweg, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de verplaatsing niet is verzekerd dat de geluidbelasting op de gevel van de woning aanvaardbaar zal zijn. Verder heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat, nu de huidige woning vanwege de status van monument niet kan worden gesloopt, het toestaan van een tweede gebouw op het perceel ten koste zal gaan van de openheid van het landschap. Daarbij komt dat het voorliggende bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk maakt die de geluidbelasting op de gevel van de huidige woning van [appellant sub 5] verhogen. Verder heeft de raad ten aanzien van de door [appellant sub 5] gemaakte vergelijking met de voorziene woningen op het zogenoemde WIDO-terrein en het terrein van de viskwekerij aan de Ressensestraat zich op het standpunt gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat in die gevallen bestaande beeldverstorende bebouwing wordt gesloopt. [appellant sub 5] heeft dit niet betwist.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid aan het belang van [appellant sub 5] bij het toestaan van een woning op het oostelijke deel van zijn perceel minder gewicht kunnen toekennen dan aan het belang vast te houden aan het gemeentelijk beleid. De raad heeft derhalve in redelijkheid kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant sub 5] om op het oostelijk deel van het perceel van [appellant sub 5] te voorzien in een woning.

9.3.    Voor zover [appellant sub 5] betoogt dat het plan er ten onrechte aan in de weg staat om ter plaatse van zijn huidige woning meer dan 100 m² voor bedrijfsactiviteiten te gebruiken, overweegt de Afdeling dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad in redelijkheid voor dit geval de uitgangspunt dat op de gronden met de bestemming "Wonen"  maximaal 100 m² mag worden gebruikt voor publieksgerichte bedrijfsactiviteiten aan huis, niet heeft kunnen toepassen. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Hoewel [appellant sub 5] stelt dat het college van burgemeester en wethouders heeft toegezegd dat medewerking wordt verleend aan het toelaten van een grotere oppervlakte aan bedrijfsactiviteiten op zijn perceel, kunnen in het algemeen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. Daarbij komt dat de gestelde toezegging reeds dateert uit 2002. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

10.    Daarnaast betoogt [appellant sub 5] dat het plan ten onrechte geen directe planologische grondslag biedt voor een bed & breakfast op het westelijk deel van zijn perceel. Hij stelt dat er geen ruimtelijke beletselen bestaan om het huidige gebruik als zodanig te bestemmen.

10.1.    De raad heeft uiteengezet dat het plan de mogelijkheid biedt om ter plaatse van het perceel van [appellant sub 5] een bed & breakfast te exploiteren. De raad wijst in dit verband op artikel 19, lid 19.4.5, aanhef en onder b, van de planregels op grond waarvan bij omgevingsvergunning van het bestemmingsplan kan worden afgeweken om recreatieve nevenactiviteiten, onder meer in de vorm van een bed & breakfast, toe te staan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan hiermee voor [appellant sub 5] onvoldoende mogelijkheden biedt om ter plaatse van zijn perceel een bed & breakfast te exploiteren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting niet is gebleken dat [appellant sub 5] thans in zijn woning op regelmatige en reguliere wijze een bed & breakfast exploiteert. Het betoog faalt.

11.    In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch-De Woerdt" voor het perceel [locatie 6] te Ressen, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

12.     De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 5] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de begrenzing van het plan;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Lingewaard van 15 december 2011, nr. 85/2011, voor zover het betreft:

- de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid" voor het perceel [locatie 5] te Bemmel;

- het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van de bestaande woning op het perceel [locatie 5] te Bemmel ;

IV.    draagt de raad van de gemeente Lingewaard op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de plandelen genoemd onder III. en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

V.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] geheel, en de beroepen van [appellant sub 5] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] voor het overige, ongegrond;

VI.    veroordeelt de raad van de gemeente Lingewaard tot vergoeding van bij [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 505,36 (zegge: vijfhonderdvijf euro en zesendertig cent), waarvan € 437,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII.    gelast dat de raad van de gemeente Lingewaard aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Broekman

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

12-683.