Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201204832/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijmegen Ruimte voor de Waal" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201204832/1/R2.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Oosterhout, gemeente Nijmegen,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Lent, gemeente Nijmegen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nijmegen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijmegen Ruimte voor de Waal" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2012, waar [appellant sub 1], [appellanten sub 2], bij monde van [appellant sub 2A] en F. Mikx, en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Roelands-Fransen, advocaat te Den Haag, en mr. B.M.F. Schouten-Willemsen, drs. N. Krijt drs. E.J.M.W. Waterval, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in een dijkteruglegging en het realiseren van een nevengeul ten behoeve van de Waal. Daarnaast wordt in het plan voorzien in een watersingel en een waterkerend scherm ter voorkoming van kwelvorming in het binnendijksgebied. Het plan dient ter uitvoering van de op 19 december 2006 van rijkswege vastgestelde Planologische Kernbeslissing "Ruimte voor de Rivier" (hierna: de PKB).

Het beroep van [appellant sub 1]

2. [appellant sub 1] voert aan dat de raad zijn brieven, gedateerd op 9 februari 2012 en 29 februari 2012, ten onrechte niet heeft betrokken bij de beantwoording van zijn zienswijze. Hij acht dit onzorgvuldig.

3. Blijkens de publicatie lag het ontwerpplan ter inzage van 8 september 2011 tot en met 19 oktober 2011. [appellant sub 1] heeft tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze ingediend. De door [appellant sub 1] nadien verzonden brieven aan de raad zijn derhalve ruimschoots na het verstrijken van de zienswijzentermijn en relatief kort voor de vaststelling van het plan ingediend, zodat de raad deze in redelijkheid niet bij de beantwoording van de zienswijze behoefde te betrekken. Overigens heeft [appellant sub 1] ter zitting erkend dat de inhoud van deze brieven overeenkomt met hetgeen hij in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Gelet hierop zou het betrekken van de brieven bij de beantwoording van de zienswijze niet hebben geleid tot een andere uitkomst voor [appellant sub 1].

4. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan voor zover aan de gronden kadastraal bekend gemeente Lent, sectie B, nummer 897 (gedeeltelijk), sectie C, nummer 861 (gedeeltelijk) en nummer 1646 de bestemming "Natuur-2" is toegekend. Het toekennen van deze bestemming leidt ertoe dat hij de gronden die hij thans in pacht heeft niet langer voor agrarische doeleinden kan gebruiken, in het bijzonder voor het weiden van koeien, alsmede ten behoeve van evenementen. [appellant sub 1] is van oordeel dat ook bij de voortzetting van dit agrarische gebruik voldoende ruimte bestaat voor verbreding van de Waal.

5. De raad wijst erop dat de gronden aan [appellant sub 1] in pacht zijn gegeven voor het weiden van vee. De pachtovereenkomst eindigt op 31 december 2012. Tot die tijd mag [appellant sub 1] het gebruik van de gronden voor het weiden van vee op grond van het overgangsrecht voortzetten, aldus de raad.

6. De Afdeling stelt voorop dat de vraag of de pachtovereenkomst al dan niet kan worden verlengd in deze procedure niet ter beoordeling staat.

6.1. Ten aanzien van de gronden met de bestemming "Natuur-2" is niet in geschil dat het gebruik voor agrarische doeleinden niet is toegestaan. Voor zover [appellant sub 1] stelt dat de voorziene verbreding van de Waal ook kan worden uitgevoerd met behoud van het agrarische gebruik dat hij van de gronden maakt, wordt overwogen dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de bedoeling van de PKB tweeledig is. Primair heeft de PKB betrekking op de verbreding van de Waal, maar een belangrijke nevendoelstelling daarbij betreft het voorzien in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De raad heeft er in dit verband voor gekozen aan de gronden de bestemming "Natuur-2" toe te kennen om deze ruimtelijke kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen. De raad hecht eraan het beheer van het gebied in eigen hand te houden. In dat verband zullen grote grazers in het gebied worden ingezet. Naast deze voorgestane invulling van het gebied acht de raad een voortzetting van het agrarische gebruik evenmin wenselijk vanwege de omstandigheid dat delen in het gebied bij hoogwater onder water zullen komen te staan. Gelet op het vorenstaande alsmede in aanmerking genomen hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Dat [appellant sub 1] het gebied thans eveneens gebruikt ten behoeve van evenementen doet aan het vorenstaande niet af.

Overigens merkt de Afdeling op dat [appellant sub 1] gelet op het bepaalde in artikel 29, lid 29.2, onder 29.2.1, van de planregels het huidige gebruik, voor zover mogelijk, op grond van het overgangsrecht mag voortzetten.

6.2. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

7. [appellanten sub 2] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover het betreft het tracé van de voorziene watersingel. Zij voeren als procedureel bezwaar aan dat de gemeente in het voortraject op onduidelijke wijze heeft gecommuniceerd over het tracé van de watersingel en de gevolgen voor de waterhuishouding voor hun woning. Volgens [appellanten sub 2] heeft de gemeente het tracé gewijzigd zonder dit aan belanghebbenden kenbaar te maken. Zij wijzen op een aantal stukken waaruit volgens hen blijkt dat de watersingel direct achter hun woning zou worden geprojecteerd. Voorts heeft de raad in de planprocedure steeds wisselend gereageerd op bezwaren omtrent het tracé en de gevolgen voor de waterhuishouding, aldus [appellanten sub 2], en hebben belanghebbenden hierdoor niet adequaat kunnen reageren op het plan.

8. De raad stelt dat met [appellanten sub 2] naar aanleiding van de zienswijze is gesproken over de keuze voor het tracé van de watersingel en de mogelijke gevolgen daarvan voor de waterhuishouding in het gebied. Voorts heeft de gemeente ten tijde van de planvorming veelvuldig presentaties gegeven aan omwonenden en nieuwsbrieven verspreid. Volgens de raad is daarbij niet de indruk gewekt dat de watersingel direct achter de woning van [appellanten sub 2] zou worden voorzien. In achtereenvolgens de Startnotitie voor het MER, de richtlijnen voor het MER, het voorontwerpplan, het ontwerpplan en het vastgestelde plan is de watersingel steeds op dezelfde locatie geprojecteerd, aldus de raad.

9. Ingevolge artikel 3.8 van de Wro in samenhang met afdeling 3.4 van de Awb vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan, waarop zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. Deze procedure is gevolgd. Het voeren van overleg met omwonenden en het bieden van inspraak maken geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Onregelmatigheden betreffende de wijze van berichtgeving aan omwonenden, zo die zich in dit geval zouden hebben voorgedaan, hebben daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

Overigens is het in het plan gekozen tracé voor de watersingel in overeenstemming met het in het voorontwerpplan en het ontwerpplan voorziene tracé, zodat de Afdeling niet inziet dat belanghebbenden niet tijdig konden reageren door het indienen van een zienswijze.

10. [appellanten sub 2] trekken voorts de onafhankelijkheid van de gemeente Nijmegen in twijfel nu de gemeente voor 50% deelneemt in de exploitatiemaatschappij genaamd GEM, die is betrokken bij de ontwikkeling van het woongebied De Stelt. Door deze dubbelrol van de gemeente is het volgens hen twijfelachtig of sprake is van een zorgvuldige belangenafweging.

11. De raad wijst erop dat het tracé van de watersingel kritisch is beoordeeld. Een amendement strekkende tot verlegging van het tracé grenzend aan de woning van [appellanten sub 2] is evenwel verworpen. Volgens de raad is deze uitkomst het resultaat van een zorgvuldige afweging tussen de belangen van omwonenden en de belangen van de GEM Waalsprong.

12. In de beantwoording van de zienswijze staat dat de raad bij de vaststelling van het plan zowel de belangen van omwonenden heeft meegewogen alsmede het belang van de GEM Waalsprong, die zien op de toekomstige ontwikkelmogelijkheden voor woningbouw van het gebied De Stelt. Naar het oordeel van de Afdeling betreft de omstandigheid dat bij de vaststelling van het plan de belangen van de GEM Waalsprong zijn meegewogen, terwijl de gemeente daarin voor 50% aandeelhouder is, niet een omstandigheid die op zichzelf leidt tot het oordeel dat het plan, voor zover het betreft de voorziene watersingel, onzorgvuldig is vastgesteld. Verder hebben [appellanten sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat het belang dat de GEM Waalsprong heeft bij een rendabele exploitatieopzet doorslaggevend is geweest bij het bepalen van het tracé van de watersingel. Hierbij betrekt de Afdeling de als bijlage bij het beroepschrift gevoegde brief van de Directie Wijk & Stad van de gemeente Nijmegen aan de raad, welke brief onder meer betrekking heeft op het voorziene tracé van de watersingel en waarin is ingegaan op de ruimtelijke overwegingen.

13. [appellanten sub 2] stellen verder dat de raad wat betreft de mogelijke kwelproblemen die als gevolg van het plan kunnen optreden ten onrechte stelt dat deze thans niet aan de orde kunnen komen omdat het plan niet voorziet in woningbouw in het gebied De Stelt en de daarmee gepaard gaande ophoging van de gronden. Volgens [appellanten sub 2] is de ligging van de watersingel bepalend voor de vraag waar woningbouw kan plaatsvinden. Zij vrezen als gevolg van de noodzakelijke ophoging van de gronden voor wateroverlast. Deze overlast kan volgens hen worden voorkomen door het tracé van de watersingel direct achter hun woningen te voorzien. Het ontbreekt in het plan aan een houdbare regeling voor het tracé van de watersingel waarvoor bij omwonenden ook draagvlak bestaat, aldus [appellanten sub 2].

14. De raad stelt dat het plan niet voorziet in woningbouw noch in ophoging van het gebied De Stelt, zodat hiermee bij de vaststelling van het plan geen rekening is gehouden. Indien in de toekomst de ophoging van dit gebied noodzakelijk zou zijn, dan kunnen extra drainerende voorzieningen worden getroffen, aldus de raad. Het in het plan gekozen tracé biedt samen met het voorziene waterkerende scherm volgens de raad een adequate voorziening tegen eventuele afwateringsproblemen.

15. Ter zitting is van de zijde van de raad toegelicht dat in de PKB is bepaald dat als gevolg van de aanleg van de nevengeul geen sprake mag zijn van kwelwaterproblemen voor de aangrenzende woningen. De raad heeft ter zitting desgevraagd gesteld dat hiernaar onderzoek is verricht en dat deskundigen hebben aangegeven dat met het voorziene tracé van de watergeul geen sprake zal zijn van kwelwaterproblemen. In het aan het plan ten grondslag gelegde milieueffectrapport (hierna: het MER) staat dat het bovengronds drainagesysteem bestaat uit een watergang direct achter de dijk en een watergang door het gebied die de afvoer verzorgt naar de Singel. Om de toename van kweloverlast te voorkomen wordt, zo staat in het MER, naast een binnendijks gelegen watersingel, een waterkerend scherm aangelegd in de nieuwe waterkering alsmede in een deel van de bestaande dijk bij de Citadel. Dit scherm moet de kwel vanuit de rivier tegengaan en wordt geplaatst tot op 20 - 25 meter diepte. Door aanleg van de watersingel en andere drainagemiddelen in het nieuw te ontwikkelen stadsdeel de Waalsprong, gaat de hoge grondwaterstand omlaag, zo staat in het MER. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op grond van het MER in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorziene tracé van de watersingel niet zal leiden tot kwelwaterproblemen ter plaatse van de woning van [appellanten sub 2]. [appellanten sub 2] hebben geen argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van de inhoud van het MER op dit punt.

Voor zover [appellanten sub 2] vrezen voor kwelwaterproblemen als gevolg van de ophoging van de gronden ter plaatse van het gebied De Stelt, wordt overwogen dat het plan niet voorziet in de ophoging van deze gronden, zodat de raad hiermee bij de vaststelling van het plan geen rekening behoefde te houden. Overigens heeft de raad ter zitting aangegeven dat indien zal worden voorzien in de ophoging van bedoelde gronden voor woningbouw, zonodig extra maatregelen zullen worden getroffen ter voorkoming van kwelwaterproblemen.

16. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Fenwick

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

608.