Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201208244/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2012, nr. 12-46, heeft de raad het bestemmingsplan "Van den Bogertlaan I" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201208244/1/R2.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Barneveld,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2012, nr. 12-46, heeft de raad het bestemmingsplan "Van den Bogertlaan I" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.P. Loo, advocaat te Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door G.C. de Kruijf, I. Pater en E. Komdeur, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Planbeschrijving

1.    Het plan maakt de bouw van 128 woningen en appartementen mogelijk aan de Van den Bogertlaan en de Van Dompselaerstraat te Barneveld.

Ontvankelijkheid en goede procesorde

2.    De raad stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover hij heeft aangevoerd dat onderzoeken met betrekking tot de verkeersintensiteit ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen, er geen behoefte bestaat aan de voorziene woningen, toereikend verkeersonderzoek ontbreekt en het plan financieel niet uitvoerbaar is.

2.1.    Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

In zijn zienswijze heeft [appellant] naar voren gebracht dat hij zich niet kan verenigen met de maximale bouwhoogte voor de voorziene woningen aan de Van Dompelaerstraat en de afstand van deze woningen tot de erfgrens. Voorts heeft [appellant] in zijn zienswijze naar voren gebracht dat de ontsluitingswegen onvoldoende geschikt zijn om de verkeersaantrekkende werking van het plan te verwerken en dat hij vreest voor verkeersoverlast. In tegenstelling tot hetgeen de raad stelt heeft het laatstgenoemde bezwaar van [appellant] betrekking op de ontwikkeling van het woongebied in zijn geheel. In zijn zienswijze heeft [appellant] derhalve de plandelen met de bestemming "Wonen" en de planregels voor het bouwen van gebouwen aan de Van Dompelaerstraat bestreden. Het beroep van [appellant] is niet gericht tegen plandelen waartegen hij in zijn zienswijze geen bezwaren naar voren heeft gebracht. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant] ontvankelijk. Nu de beroepsgronden van [appellant] in zijn beroepschrift naar voren zijn gebracht, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat deze beroepsgronden dusdanig laat zijn aangevoerd dat de raad daarop niet op passende wijze heeft kunnen reageren. Het betoog van de raad faalt.

Procedure

3.    [appellant] betoogt dat de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur is verlopen. Hij voert hiertoe aan dat hij onder druk is gezet om zijn zienswijze in te trekken. Hij verwijst in dit verband naar een brief van het college van burgemeester en wethouders van 15 mei 2012, waarin staat dat het college van burgemeester en wethouders bereid is om ter plaatse van de weg nabij zijn woning eenrichtingsverkeer in te stellen onder de voorwaarde dat [appellant] zijn zienswijze intrekt.

3.1.    De Afdeling overweegt dat, hoewel de raad ter zitting heeft erkend dat het versturen van een brief met deze strekking geen navolging verdient, het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de wettelijk voorgeschreven procedure. Niet is gebleken dat deze procedure onzorgvuldig is verlopen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de nota van zienswijzen een reactie is gegeven op de door [appellant] naar voren gebrachte bezwaren. Evenmin is anderszins gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat het versturen van de brief de besluitvorming door de raad heeft beïnvloed. Het betoog faalt.

Terinzagelegging

4.    [appellant] betoogt dat ten onrechte geen onderzoeksrapporten met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking van het plan met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage zijn gelegd.

4.1.    Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

4.2.    In de plantoelichting is vermeld hoeveel verkeer het plan genereert. De raad heeft in de stukken en ter zitting uiteengezet dat ten tijde van de terinzagelegging van het plan er geen rapporten waren opgesteld met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking van het plan. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop mist het betoog feitelijke grondslag.

Behoefte

5.    [appellant] betoogt dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat er behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. Volgens [appellant] baseert de raad zich voor de vaststelling van de behoefte ten onrechte op de "Structuurvisie Kernen Barneveld" (hierna: de structuurvisie) en het "Meerjaren Woningbouwprogramma 2011-2020 gemeente Barneveld" (hierna: het woningbouwprogramma). Hij voert hiertoe aan dat in de structuurvisie en het woningbouwprogramma ten onrechte geen rekening is gehouden met de verminderde vraag naar woningen door de economische teruggang noch met de ontwikkeling van de bevolkingssamenstelling en de bevolkingsgroei binnen de gemeente.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. Hij verwijst in dit verband naar de Visie op Wonen 2010-2020 (hierna: de woonvisie) en het woningbouwprogramma.

5.2.    De woonvisie bevat het kader op basis waarvan de gemeente haar woonbeleid voert. De woonvisie dateert van december 2010. In de woonvisie is vermeld dat het beleid is gebaseerd op woningmarktonderzoek dat dateert van 31 maart 2010, waarbij rekening is gehouden met de demografische prognose van de bevolkingsomvang en bevolkingssamenstelling voor de peiljaren 2020 en 2030. Voorts is in de woonvisie vermeld dat rekening is gehouden met de economische teruggang van de afgelopen jaren. Het woningbouwprogramma geeft een actueel beeld van de woningbouwplannen voor de periode van 2011 tot en met 2020. Het woningbouwprogramma wordt driejaarlijks geactualiseerd en is gebaseerd op de woonvisie.

Niet in geschil is dat het plan past binnen de vastgestelde gemeentelijke woningbouwcontingenten, zoals deze onder meer zijn neergelegd in de woonvisie. In tegenstelling tot hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, is in de woonvisie, gelet op hetgeen hiervoor is vermeld en de raad ter zitting heeft bevestigd, rekening gehouden met de prognose voor de bevolkingssamenstelling en de economische teruggang. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet onder verwijzing naar de woonvisie op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

6.    [appellant] betwist de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Hiertoe voert hij aan dat hij ten gevolge van het plan planschade lijdt, die hij zal verhalen. Volgens [appellant] staat onvoldoende vast dat de ontwikkelaars voldoende middelen hebben om de schade te vergoeden.

6.1.    De Afdeling overweegt dat de raad, op basis van een planschaderisico-analyse, het planrisico onder ogen heeft gezien en aanvaardbaar heeft geacht. Vaststaat dat de raad met de ontwikkelaars van het plan een overeenkomst heeft gesloten dat eventueel toe te kennen planschadeclaims van derden, voortkomend uit de planologische wijziging op het perceel, op de initiatiefnemers kan worden verhaald. Niet is gebleken dat de ontwikkelaars van het plan over onvoldoende middelen beschikken om de eventuele planschade te vergoeden. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding om op voorhand te twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Het betoog faalt dan ook.

Eenrichtingsverkeer

7.    [appellant] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is gewaarborgd dat op het wegvak naast [locatie], alwaar [appellant] woont, eenrichtingsverkeer wordt ingesteld. [appellant] voert hiertoe aan dat de raad bij de vaststelling van het plan een amendement heeft aangenomen tot het instellen van eenrichtingsverkeer. Volgens [appellant] dient het instellen van eenrichtingsverkeer juridisch gewaarborgd te worden door een voorwaardelijke verplichting in de planregels, omdat de raad het noodzakelijk acht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. Het opnemen van een verplichting hiertoe in het beeldkwaliteitsplan is onvoldoende, aldus [appellant].

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan geen regels kan bevatten met betrekking tot de verkeersrichting. De raad wijst er op dat bij besluit van 2 augustus 2012 het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de woning van [appellant] eenrichtingsverkeer heeft ingesteld en dat dit besluit onherroepelijk is geworden.

7.2.     De Afdeling overweegt dat een bestemmingsplan niet kan regelen dat ter plaatse van een weg eenrichtingsverkeer wordt ingesteld. Hiervoor dient een verkeersbesluit op grond van de Wegenverkeerswet te worden genomen met inachtneming van het in die wet opgenomen toetsingskader. Gelet hierop kan het betoog van [appellant] dat in het plan ten onrechte niet is gewaarborgd dat op het wegvak naast [locatie] eenrichtingsverkeer wordt ingesteld, niet worden gevolgd.

Bouwmogelijkheden

8.    [appellant] kan zich niet verenigen met de maximale bouwmogelijkheden die het plan biedt voor de bouw van het voorziene appartementencomplex aan de Van Dompselaerstraat. Hij vreest dat het voorziene appartementencomplex een onaanvaardbare aantasting van zijn uitzicht met zich brengt. Hij stelt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Volgens [appellant] had in het plan verzekerd moeten worden dat tussen zijn woning en het voorziene appartementencomplex bomen worden aangeplant.

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de maximale bouwmogelijkheden voor het appartementengebouw niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van [appellant]. Volgens de raad past het gebouw vanuit stedenbouwkundig oogpunt in de omgeving.

8.2.    De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen.

Het plan voorziet schuin tegenover de woning van [appellant] in een appartementencomplex met, aan de zijde van de Van Dompselaerstraat, een maximale diepte van 40 meter, een maximale lengte van 75 meter, een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 9,5 meter. De raad heeft erkend dat het plan in zoverre zal leiden tot enig verlies aan uitzicht voor [appellant]. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verlies aan uitzicht niet onevenredig is. De raad heeft in dit verband in redelijkheid van belang kunnen achten dat het plangebied ligt in stedelijk gebied, de bouwhoogte is beperkt tot twee lagen met een kap en de afstand van de woning van [appellant] tot het voorziene appartementengebouw ongeveer 25 meter bedraagt.

Verder blijkt uit de stukken dat de raad het voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan wenselijk, maar niet noodzakelijk heeft geacht dat tussen de woning en het voorziene appartementencomplex een groenzone wordt gerealiseerd. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan verzekerd had moeten worden dat tussen de woning van [appellant] en het appartementencomplex bomen worden aangeplant.

Het betoog faalt.

Verkeer

9.    [appellant] vreest dat het plan zal leiden tot verkeershinder. Hij betoogt dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de verwachte verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van de huidige situatie. Bovendien heeft de raad niet onderkend dat door het instellen van een eenrichtingsweg een ontsluitingsmogelijkheid is vervallen. Volgens [appellant] heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt of het wegnetwerk de verwachte verkeersintensiteit aan zal kunnen.

9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de ontsluitingswegen voldoende geschikt zijn om de verkeersaantrekkende werking van het plan op te vangen. Volgens de raad zal het plan voor [appellant] niet leiden tot onevenredige verkeersoverlast.

9.2.     In de plantoelichting is vermeld dat aan de hand van de publicaties van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek een berekening is gemaakt van de verkeersgeneratie van de huidige situatie en de toekomstige situatie. Hierbij is uitgegaan van de situatie "centrum dorps". In totaal zal het plan 1049 motorvoertuigen per werkdag generen, zo staat in de plantoelichting. In de plantoelichting is voorts vermeld dat tijdens het spitsuur ongeveer 10% van de totale verkeersgeneratie per werkdag van en naar de wijk zal rijden, hetgeen uitkomt op 105 verkeersbewegingen per uur. Voorts staat in de plantoelichting dat het verkeer als gevolg van het instellen van eenrichtingsverkeer kan worden verdeeld over vier toegangswegen, waarvan één alleen een ingang betreft. Het verkeer kan via drie aansluitingen op de Van Dompselaerstraat komen. Op basis van deze gegevens zijn de kruispunten met de Van Dompselaerstraat doorgerekend en daaruit is geconcludeerd dat deze kruispunten voldoende capaciteit hebben om de nieuwe verkeersbewegingen af te wikkelen, zo staat in de plantoelichting.

9.2.1.    [appellant] heeft niet bestreden dat de voorziene woningen tijdens het spitsuur 105 verkeersbewegingen per uur genereren. Voorts is in tegenstelling tot hetgeen [appellant] stelt in de plantoelichting rekening gehouden met de omstandigheid dat ter plaatse van zijn woning eenrichtingsverkeer wordt ingesteld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat in de plantoelichting abusievelijk is vermeld dat het verkeer via drie aansluitingen op de Van Dompselaerstraat kan komen in plaats van twee aansluitingen. [appellant] stelt evenwel terecht dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of het wegnetwerk voldoende capaciteit heeft om het verwachte aantal verkeersbewegingen te verwerken. In dit verband is van belang dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de conclusies in de plantoelichting met betrekking tot de capaciteit van de omliggende wegen weliswaar zijn gebaseerd op berekeningen, maar dat deze zijn gemaakt voor intern gebruik en niet op enigerlei wijze kenbaar zijn gemaakt. Gelet hierop heeft de raad zijn stelling dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeershinder onvoldoende onderbouwd.

9.3.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

9.4.    De raad heeft in verweer de notitie "Verkeersafwikkeling plan Van den Bogertlaan I", gedateerd 29 oktober 2012 (hierna: de notitie) overgelegd. De Afdeling ziet hierin aanleiding om te bezien of er termen bestaan om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit op deze punten in stand te laten.

9.5.    In de notitie is vermeld dat onderzoek is gedaan naar de verkeersafwikkeling op de toegangen van de woonwijk en is uiteengezet welke berekeningen zijn uitgevoerd. Daarbij is niet alleen rekening gehouden met de verkeersgeneratie van de voorziene woningen, maar ook met de verkeersgeneratie van de bestaande woningen in de wijk. De verkeersgeneratie van de hele wijk wordt geraamd op 1496 motorvoertuigen per etmaal, zo staat in de notitie. In de notitie is geconcludeerd dat de kruispunten niet zodanig worden belast dat er maatregelen noodzakelijk zijn om het verkeer op een acceptabele wijze af te werken.

[appellant] heeft de resultaten van het onderzoek die zijn neergelegd in de notitie niet betwist. Nu in de notitie is uiteengezet op basis van welke uitgangspunten is berekend of de ontsluitingswegen voldoende geschikt zijn om het verkeer in de wijk te verwerken, heeft de raad de conclusie in de plantoelichting dat het wegnetwerk voldoende capaciteit heeft om het verwachte aantal verkeersbewegingen te verwerken, alsnog voldoende onderbouwd. Bovendien is ter plaatse van de woning van [appellant] eenrichtingsverkeer ingesteld. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voor [appellant] niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeershinder.

9.6.     Gelet hierop kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand worden gelaten.

Proceskosten

10.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 3 juli 2012, nr. 12-46;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Barneveld tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 914,32 (zegge: negenhonderdveertien euro en tweeëndertig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Barneveld aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Konings

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

458-683.