Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7347

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201204789/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge art. 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor wordt onder achtererfgebied verstaan een erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw. Het uitgangspunt van de definitie voor erf is volgens de NvT bij art. 1 van bijlage II bij het Bor (Stb. 2010, 143, p. 134 - 135) dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf kan worden aangemerkt en dat uit de systematiek van een bestemmingsplan kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dat laatste is hier niet het geval.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1, geldigheid: 2012-12-27
Besluit omgevingsrecht 2.3, geldigheid: 2012-12-27
Besluit omgevingsrecht bijlage II, geldigheid: 2012-12-27
Besluit omgevingsrecht 1, geldigheid: 2012-12-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/71
Gst. 2013/37
AB 2013/112

Uitspraak

201204789/1/A1.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2012 in zaak nr. 11/4693 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2011 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 augustus 2011 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.C.J. van Gils en T. Peerdenman, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. A.B. Blomberg, advocaat te Amsterdam, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. E.T.P. Scheers, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden], (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]), vertegenwoordigd door mr. K. de Wit, gehoord.

Overwegingen

1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Duivendrecht Zuid" rust op het perceel de bestemming "Woningen met tuinen en erven".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden met de bestemming "Woningen met tuinen en erven" bestemd voor woningen met tuinen en erven met de daarbij behorende bouwwerken.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën van gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van die bijlage wordt daarin onder achtererfgebied verstaan: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.

Ingevolge dit artikel wordt onder erf verstaan: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

Ingevolge artikel 2, aanhef en derde lid, onder b, voor zover hier van belang, is een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: (...),

b. voor zover op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, voor zover hier van belang:

2° de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van 1 m van een naburig erf niet meer dan 10 m2,

4° functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Ingevolge het bepaalde onder e, moet worden voldaan aan de eis dat het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende achtererfgebied als gevolg van het bijbehorende bouwwerk voor niet meer dan 50% is bebouwd.

2.    Aan de achterzijde van de woning op het perceel is een bouwwerk gerealiseerd met een oppervlakte van 30,30 m² waarvoor geen vergunning is verleend. Achter de woning met het bouwwerk bevinden zich de tuin en een schuur die over de volledige breedte van het perceel is gerealiseerd, met daarachter een voetpad en een strook grond die wordt begrensd door een sloot. Het voetpad waarop het recht van overpad is gevestigd, wordt door omwonenden gebruikt. Vast staat dat ook dit voetpad, deze strook grond en een gedeelte van de sloot eigendom zijn van [belanghebbende] .

3.    Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het terecht heeft geweigerd om handhavend op te treden tegen het achter de woning gerealiseerde bouwwerk. Daartoe voert het college aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de strook grond die aan de sloot grenst niet tot het achtererfgebied behoort, zodat het achtererfgebied als gevolg van het gerealiseerde bouwwerk voor meer dan 50% is bebouwd en het bouwwerk daarmee vergunningplichtig is.

3.1.    Niet in geschil is dat indien het achter de schuur gelegen deel van het perceel - met uitzondering van de sloot - geen deel uitmaakt van het achtererfgebied, dat gebied voor meer dan 50% is bebouwd en het bouwwerk vergunningplichtig is. Van belang is derhalve om vast te stellen of het voetpad en de strook grond tot het achtererfgebied behoren.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor wordt onder achtererfgebied verstaan een erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw. Het uitgangspunt van de definitie voor erf is volgens de Nota van Toelichting bij artikel 1 van bijlage II bij het Bor (Stb. 2010, 143, p. 134 - 135) dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf kan worden aangemerkt en dat uit de systematiek van een bestemmingsplan kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dat laatste is hier niet het geval. Blijkens de plankaart rust op het deel van het perceel dat achter de schuur is gelegen ook de bestemming "Woningen met tuinen en erven". Voor het standpunt van [appellant sub 2] dat dit niet zo zou zijn, bestaat geen grond, mede omdat het volgen van dat standpunt ertoe zou leiden dat op dat deel van het perceel geheel geen bestemming zou rusten. Dit betekent dat de bestemming niet in de weg staat aan het gebruik van het achterste deel van het perceel als erf. Voorts is het deel van het perceel dat achter de schuur is gelegen, direct gelegen bij het hoofdgebouw en feitelijk ingericht ten dienste van het gebruik van de woning, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de schuur is voorzien van een deur en dat het achter de schuur gelegen deel van het perceel wordt gebruikt als tuin, alsmede om de woning vanaf de achterzijde te kunnen bereiken. Het voorgaande brengt met zich dat het voetpad en de strook grond deel uitmaken van het achtererf, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% is bebouwd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4.    De Afdeling zal eerst de overige beroepsgronden van [appellant sub 2] behandelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

Het betoog van [appellant sub 2] dat het bouwwerk niet functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, zoals bepaald in artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, sub 4, in samenhang gelezen met artikel 7, van bijlage II bij het Bor, faalt. Gelet op de foto's uit het dossier, waarop te zien is dat het bouwwerk is ingericht als kantoor dan wel hobbyruimte en de door [belanghebbende]  ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwwerk functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Het betoog van [appellant sub 2] dat het bouwwerk de in artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, sub 2, van bijlage II bij het Bor bepaalde oppervlakte overschrijdt, faalt eveneens. Dat betoog mist feitelijke grondslag, nu die oppervlakte per zijde slechts 3,11 m² bedraagt.

5.    [appellant sub 2] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank haar betoog dat de aanbouw primair als woonfunctie wordt gebruikt, ten onrechte onbesproken heeft gelaten. Voorts betoogt zij dat de overweging van de rechtbank dat op grond van het gelijkheidsbeginsel niet op voorhand valt uit te sluiten dat vrijstelling of ontheffing voor de aanbouw kan worden verleend, onbegrijpelijk is. Verder betoogt zij dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

5.1.    Nu het betoog van het college slaagt en gelet op hetgeen onder 4 is overwogen, heeft [appellant sub 2] geen belang meer bij bespreking van deze gronden.

6.    Het hoger beroep van het college is gegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van 23 augustus 2011 alsnog ongegrond verklaren.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel gegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2012 in zaak nr. 11/4693;

IV.    verklaart het door [appellant sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena    w.g. Oudenaller

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

414-672.