Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7346

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201204442/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2011 heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] toegekende huurtoeslag 2008 herzien en vastgesteld op € 285,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201204442/1/A2.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 maart 2012 in zaak nr. 11/2151 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Leeuwarden,

en

de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2011 heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] toegekende huurtoeslag 2008 herzien en vastgesteld op € 285,00.

Bij besluit van 1 augustus 2011 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 maart 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 augustus 2011 vernietigd en bepaald dat de Belastingdienst een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2012, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door drs. H.R. Grootenhuis en mr. J.H.E. van der Meer, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.S. Bauer, advocaat te Leeuwarden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.  Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) wordt in deze wet onder woning verstaan een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op de Wht de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, wordt in de Wht onder meerpersoonshuishouden verstaan het huishouden van een huurder die samen met diens partner of een of meer medebewoners een woning bewoont.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge het tweede lid kan ten aanzien van een bepaalde woning slechts aan één huurder een huurtoeslag worden toegekend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt huurtoeslag slechts toegekend:

a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA);

b. als op dat adres geen andere personen staan ingeschreven in de GBA, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de GBA niet aan de huurder kan worden toegerekend.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, wordt huurtoeslag slechts toegekend aan een woning die een zelfstandige woonruimte is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Awir wordt in deze wet, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder medebewoner verstaan de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de GBA, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

1°. de partner van de belanghebbende;

2°. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner;

3°. degene die tot het huishouden van de onder 2° bedoelde persoon behoort.

2.  Bij besluit van 28 januari 2011 heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] toegekende huurtoeslag 2008 wegens het voordeel dat [wederpartij] dat toeslagjaar uit sparen en beleggen heeft gehad herzien en vastgesteld op nihil, alsmede bepaald dat zij de reeds uitgekeerde voorschotten ten bedrage van € 2.777,00 terug dient te betalen.

Bij het besluit van 8 april 2011, gehandhaafd bij het besluit van 1 augustus 2011, heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] toegekende huurtoeslag 2008 herzien en vastgesteld op € 285,00 op grond van de overweging dat hoofdregel is, dat alleen huurders van zelfstandige woonruimte voor huurtoeslag in aanmerking komen. Blijkens de GBA stond [medebewoner] het gehele jaar 2008 en [wederpartij] vanaf 1 januari 2008 tot en met 29 november 2008 op het adres [locatie] te [plaats] ingeschreven. Het adres [locatie a], waar [wederpartij] stelde te wonen, is geen bij de gemeente Leeuwarden geregistreerd adres. Omdat [wederpartij] in de periode 1 januari 2008 tot en met 29 november 2008 geen zelfstandige woonruimte huurde, heeft zij die periode geen recht op huurtoeslag, aldus de Belastingdienst.

3.  De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen, dat [wederpartij] recht heeft op huurtoeslag 2008 omdat zij een zelfstandige woonruimte huurde. De Belastingdienst voert hiertoe aan dat uit artikel 7, eerste lid, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Awir, volgt dat [medebewoner] als medebewoner van [wederpartij] moet worden aangemerkt, zijn inkomen daarom van belang is bij de beoordeling of [wederpartij] aanspraak kan maken op huurtoeslag 2008 en, nu het gezamenlijk inkomen van [wederpartij] en [medebewoner] meer bedraagt dan € 27.950,00, [wederpartij] geen recht heeft op huurtoeslag 2008.

3.1.  In artikel 7, eerste lid, van de Wht is bepaald welke inkomens moeten worden meegeteld bij de vaststelling van de aanspraak op huurtoeslag. De toelichting op dit artikellid luidt als volgt:

"In het voorgestelde artikel 7, eerste lid, van de Huursubsidiewet is bepaald dat de aanspraak op huursubsidie behalve van de draagkracht en het vermogen van de huurder en diens partner, zoals bepaald in de Awir, ook afhankelijk is van de draagkracht en het vermogen van de medebewoners. De uitkomst van deze bepaling verschilt niet van de huidige situatie waarin ook de draagkracht van alle leden van het huishouden in beschouwing wordt genomen voor de bepaling van de aanspraken op huursubsidie" (Kamerstukken II 2010/11, 32 693, nr. 3, blz. 8).

Uit deze geschiedenis van de totstandkoming van voormelde bepaling moet worden afgeleid dat het inkomen van medebewoners die behoren tot het huishouden van de aanvrager moeten worden meegeteld bij de bepaling van de aanspraak op en de hoogte van de huurtoeslag. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de Wht behoren behalve diens partner uitsluitend de medebewoners van de woning tot het huishouden van de huurder. Wat onder medebewoner moet worden verstaan is bepaald in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Awir. Uit deze definitiebepaling volgt niet zonder meer dat het inkomen van al degenen die op hetzelfde GBA-adres zijn ingeschreven, moet worden meegeteld bij de bepaling van de aanspraak op en de hoogte van de huurtoeslag, doch uitsluitend het inkomen van de medebewoners die tot hetzelfde huishouden van de aanvrager behoren.

3.2.  De Afdeling heeft in de uitspraak van 11 maart 2009 in zaak nr. 200805067/1, waarin een verzoek om wijziging van gegevens in de GBA aan de orde was, overwogen dat de gegevens in de GBA betrouwbaar en duidelijk moeten zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn.

In de uitspraak van 5 september 2012 (zaak nr. 201112868/1/A2) heeft de Afdeling overwogen dat de Belastingdienst mag uitgaan van de inschrijving in de GBA, zolang daarop geen aantekening van onjuistheid is geplaatst. In dit geval gaat het echter niet om een onjuiste inschrijving in de GBA, maar om de vraag of op hetzelfde GBA-adres meer dan één zelfstandige woning is gelegen en of degenen die op dat adres zijn ingeschreven dezelfde zelfstandige woning bewonen.

3.3.  De Belastingdienst kan van een huurder niet vergen dat deze zich tot de GBA wendt om aantekening van onjuistheid te verkrijgen. Die aantekening zal niet worden geplaatst. Wel mag de Belastingdienst er in beginsel van uitgaan dat op één GBA-adres één zelfstandige woning is gelegen en degenen die op hetzelfde GBA-adres zijn ingeschreven, met uitzondering van de onderhuurder en degenen die behoren tot diens huishouden, mag aanmerken als medebewoners die behoren tot hetzelfde huishouden als de aanvrager van huurtoeslag. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat op één GBA-adres meer zelfstandige woningen zijn gelegen door bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de gehuurde woning beschikt over een eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met andere bewoners op hetzelfde adres worden gedeeld. Voorts dient de huurder aan te tonen dat degene die de Belastingdienst als medebewoner heeft aangemerkt niet tot zijn huishouden behoort of heeft behoord.

3.4.  Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht staat aan het vorenstaande niet in de weg. In de uitspraak van 4 februari 2009 in zaak nr. 200802846/1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling overwogen dat wanneer de eigenaar van een pand en de huurder ten tijde van belang in de GBA op hetzelfde adres staan ingeschreven, maar op dat adres niet dezelfde woning, maar onderscheiden zelfstandige woonruimten bewonen, geen grond bestaat voor het oordeel dat de eigenaar van het pand kan worden aangemerkt als een van de personen, bedoeld in artikel 9 van de Huursubsidiewet. De Huursubsidiewet is deels met ingang van 1 september 2005 gewijzigd en sindsdien aangeduid als Wht. Artikel 9 is daarbij niet wezenlijk gewijzigd. De wetswijziging heeft meegebracht dat niet in de Wht is gedefinieerd wat onder medebewoner wordt verstaan, maar in de Awir. Deze wetswijziging vormt geen aanleiding om thans anders te oordelen dan in de uitspraak van 4 februari 2009.

3.5.  Aangezien [wederpartij] ten tijde van belang, naar in hoger beroep niet in geschil is, een zelfstandige woonruimte bewoonde en geen gezamenlijke huishouding voerde met [medebewoner] heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [medebewoner] niet als medebewoner van [wederpartij] kan worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

4.  Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.  Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos  w.g. Lodder

voorzitter  ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

17-735.