Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7345

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201204259/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing handhavingsverzoek gebruik gebouw. Indien en voor zover voor de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de splitsing van het gebouw een bouwvergunning nodig was, is belanghebbende overtreder van het verbod als bedoeld in art. 2.3a, eerste lid, van de Wabo. Weliswaar heeft hij het bouwwerk niet gebouwd, maar hij laat het wel in stand. Belanghebbende is evenwel eerst door het per 1 april 2007 in werking getreden verbod, destijds voor het eerst geregeld in art. 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, overtreder geworden. Toen belanghebbende het pand in 1999 in eigendom verkreeg, richtte art. 40 van de Woningwet zich, voor zover hier van belang, alleen tot degene die zonder of in afwijking van een bouwvergunning had gebouwd of daartoe de opdracht had gegeven en dat is belanghebbende niet.

Art. 2.3a, eerste lid, van de Wabo beoogt geen ander toepassingsbereik dan art. 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor wijziging van de jurisprudentie over de toepassing van art. 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, zoals onder meer weergegeven is in de uitspraak van de Afdeling van 17-03-2010, 200901588/1/H1, LJN: BL7766. De rb. heeft derhalve terecht overwogen dat van belanghebbende ten tijde van de verkrijging niet behoefde te worden verlangd dat hij onderzoek verrichtte naar de vraag of voor de bouwwerkzaamheden voor de splitsing van het pand een bouwvergunning nodig was. Dat zou anders zijn geweest indien hij ten tijde van de verkrijging concrete aanwijzingen had dat zonder of in afwijking van een bouwvergunning was gebouwd. De rb. heeft terecht overwogen dat de enkele omstandigheid dat de woning is gesplitst, geen concrete aanwijzing als hiervoor bedoeld, oplevert, omdat dit niet zodanig bijzonder is dat reeds daarom nader onderzoek noodzakelijk was. Voorts heeft de rb. de gestelde strijdigheid met het bestemmingsplan "Buitengebied 1980" terecht niet als concrete aanwijzing aangemerkt, reeds omdat het mogelijk was vrijstelling van dat bestemmingsplan te verlenen. Dit betekent dat de rb. terecht heeft overwogen dat de rechtszekerheid zich er onder deze omstandigheden tegen verzet dat het college wegens overtreding van art. 2.3a, eerste lid, van de Wabo handhavend optreedt, indien voor de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de splitsing van het pand een bouwvergunning nodig was.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.3a, geldigheid: 2012-12-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/72
RVR 2013/34
AB 2013/113

Uitspraak

201204259/1/A1.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A], gevestigd te Duiven, en [appellant B], wonend te Duiven (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 april 2012 in zaak nr. 11/1933 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Duiven.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het gebouw op het perceel [locatie] te Duiven, afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 13 december 2010 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 5 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Geleijnse en W.L.A. van der Veen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. W. Kattouw, gehoord.

Overwegingen

1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2002, correctieve herziening 2004-2006" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "dierenpension (Di)".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het verboden de onbebouwde gronden en/of de daarop aanwezige bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, mag het gebruik van de onbebouwde grond en/of de opstallen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond en dat afwijkt van de bestemming en/of de voorschriften worden voortgezet en/of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in meerdere mate gaat afwijken van het plan.

Ingevolge het tweede lid, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Ingevolge het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1980" rustte op het perceel de bestemming "Landelijke bebouwing met bijbehorende erven (EO)" met de aanduiding "dierenartspraktijkruimte toegestaan (DP)".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften waren de op de kaart als "Landelijke bebouwing met bijbehorende erven (EO)" aangewezen gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en erven, met dien verstande dat:

a. als hoofdgebouwen uitsluitend vrijstaande eengezinshuizen in één laag mogen worden gebouwd;

b. de hoofdgebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken;

c. de breedte van ieder huis ten minste 6 m zal bedragen;

d. de goothoogte van ieder huis ten minste 2,5 m zal en ten hoogste 4,5m mag bedragen;

e. de inhoud van een huis niet meer dan 500 m³ mag bedragen;

f. bij ieder huis als bijgebouw uitsluitend één huishoudelijke berg- of werkruimte met een grondoppervlak van ten hoogste 15 m² of een garage met daarbij opgenomen bergruimte met een grondoppervlak van ten hoogste 60 m² mag worden gebouwd;

g. de hoogte van een vrijstaand bijgebouw ten hoogste 2,5 m mag bedragen;

h. de goothoogte van een aangebouwd bijgebouw ten hoogste gelijk mag zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van het huis.

Ingevolge het tweede lid, aanhef, onder a en b, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor het bouwen in twee lagen, waarbij de goothoogte ten hoogste 6 m mag bedragen, en voor het bouwen van twee aaneengesloten eengezinshuizen, waarbij de breedte van ieder eengezinshuis ten minste 4,5 m zal bedragen.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, voor zover hier van belang, is het verboden de in dit plan begrepen bouwwerken te gebruiken voor doeleinden in strijd met de krachtens het plan gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, wordt in deze voorschriften onder "eengezinshuis" verstaan: een gebouw, dat bestaat uit één woning, en door indeling en inrichting uitsluitend geschikt is voor de huisvesting van één huishouden.

Ingevolge artikel 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

2.    Aan de [locatie 1] staat een gebouw dat in 1993 is gesplitst in twee afzonderlijk bewoonbare delen. In 1999 heeft [belanghebbende] één deel van het gebouw in eigendom verkregen en in 2007 [appellant] het andere deel. [appellant] exploiteert [dierenpension] op de [locatie 2]. Vast staat dat het gebruik van het gebouw als burgerwoning door [belanghebbende] in strijd is met artikel 7 van het bestemmingsplan.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik van het gebouw voor dubbele bewoning onder de bescherming van artikel 40, eerste lid, van het bestemmingsplan valt. Daartoe voert hij aan dat het gebruik van het gebouw door twee huishoudens in strijd is met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1980". Volgens [appellant] beperkt dat artikel het gebruik van de woning tot een vrijstaande eengezinswoning voor één huishouden en wordt de woning in strijd met de bestemming die daarop rustte, gebruikt.

3.1.    Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1980" is het verboden de in dat plan begrepen bouwwerken te gebruiken voor doeleinden in strijd met de krachtens het plan gegeven bestemming. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gebruik van het gebouw voor dubbele bewoning niet in strijd is met de bestemming "Landelijke bebouwing met bijbehorende erven (EO)" en de daarbij behorende doeleindenomschrijving, omdat gronden met die bestemming ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften bestemd zijn voor woningen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en erven. Anders dan [appellant] betoogt, bepaalt artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften niet dat het in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied 1980" is om een woning voor twee huishoudens te gebruiken, ook niet als dat voorschrift wordt gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder j, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, alleen een voorschrift voor het bouwen op de als "Landelijke bebouwing met bijbehorende erven (EO)" aangewezen gronden bevat. Dat artikel was - gelet op artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dat destijds gold - als zodanig van betekenis voor de toetsing van aanvragen om bouwvergunningen aan het bestemmingsplan. Nu het in artikel 34, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1980" opgenomen verbod niet door [belanghebbende] wordt overtreden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het gebruik dat [belanghebbende] van de woning maakt, wordt beschermd door artikel 40, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan. Het college was derhalve niet bevoegd om tot handhaving over te gaan op grond van artikel 7 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan. Voor een belangenafweging zoals [appellant] die voorstaat, is dan ook geen plaats.

Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de rechtszekerheid zich in dit geval verzet tegen handhavend optreden inzake het instandlaten van het gebouw. Daartoe voert hij aan dat voor [belanghebbende] voorzienbaar was dat de vereiste vergunning voor de bouwactiviteiten ten behoeve van de splitsing van de woning ontbrak. [appellant] stelt dat het zeer a-typisch is om een woning in het buitengebied te splitsen en dat er plaatse alleen eengezinswoningen zijn toegestaan.

4.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat, indien en voor zover voor de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de splitsing van het gebouw een bouwvergunning nodig was, [belanghebbende] overtreder is van het verbod als bedoeld in artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. Weliswaar heeft hij het bouwwerk niet gebouwd, maar hij laat het wel in stand. [belanghebbende] is evenwel eerst door het per 1 april 2007 in werking getreden verbod, destijds voor het eerst geregeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, overtreder geworden. Toen [belanghebbende] het pand in 1999 in eigendom verkreeg, richtte artikel 40 van de Woningwet zich, voor zover hier van belang, alleen tot degene die zonder of in afwijking van een bouwvergunning had gebouwd of daartoe de opdracht had gegeven en dat is [belanghebbende] niet.

Artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo beoogt geen ander toepassingsbereik dan artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor wijziging van de jurisprudentie over de toepassing van artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, zoals onder meer weergegeven is in de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2010 in zaak nr. 200901588/1/H1. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat van [belanghebbende] ten tijde van de verkrijging niet behoefde te worden verlangd dat hij onderzoek verrichtte naar de vraag of voor de bouwwerkzaamheden voor de splitsing van het pand een bouwvergunning nodig was. Dat zou anders zijn geweest indien hij ten tijde van de verkrijging concrete aanwijzingen had dat zonder of in afwijking van een bouwvergunning was gebouwd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de enkele omstandigheid dat de woning is gesplitst, geen concrete aanwijzing als hiervoor bedoeld, oplevert, omdat dit niet zodanig bijzonder is dat reeds daarom nader onderzoek noodzakelijk was. Voorts heeft de rechtbank de gestelde strijdigheid met het bestemmingsplan "Buitengebied 1980" terecht niet als concrete aanwijzing aangemerkt, reeds omdat het mogelijk was vrijstelling van dat bestemmingsplan te verlenen. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de rechtszekerheid zich er onder deze omstandigheden tegen verzet dat het college wegens overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo handhavend optreedt, indien voor de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de splitsing van het pand een bouwvergunning nodig was.

Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx    w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

414-672.