Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7343

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201203337/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201203337/1/A3.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 februari 2012 in zaak nr. 11/1443 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2012, waar het CBR, vertegenwoordigd door L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) doen, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, vierde lid, zoals dat luidde ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. De aan deze maatregelen verbonden kosten, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij ministeriële regeling, komen ten laste van betrokkene.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, zoals dat luidde ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen. Gelijke verplichting bestaat voor degene die zich ingevolge artikel 131, vierde lid, dient te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid, zoals dat luidde ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het niet voldoen van de kosten van de bij ministeriële regeling aangewezen educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid binnen de termijn die is vastgesteld bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd, wordt als het niet verlenen van de vereiste medewerking aangemerkt.

 

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling), zoals dat luidde ten tijde hier van belang, worden de kosten betaald binnen tien weken nadat het besluit tot oplegging van de educatieve maatregel aan betrokkene is meegedeeld, op de wijze zoals aangegeven bij die mededeling.

Ingevolge het derde lid, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, verleent betrokkene onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de Wvw 1994, indien hij de kosten, bedoeld in het eerste lid, niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze voldoet.

Ingevolge het vierde lid, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, kan de in het tweede lid genoemde termijn worden verlengd, indien betrokkene zich in een dusdanig financiële situatie bevindt dat betaling binnen de termijn redelijkerwijs niet mogelijk is.

2.    Het CBR heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] ten grondslag gelegd dat hij niet de vereiste medewerking aan de hem opgelegde Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) heeft verleend, aangezien hij de kosten hiervoor niet tijdig heeft voldaan.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR zijn rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard, omdat hij de kosten van de EMA niet heeft betaald. Hij voert hiertoe aan dat hij een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling heeft gedaan. De rechtbank heeft miskend dat het CBR dat verzoek ten onrechte heeft afgewezen. In de kennisgeving van het besluit van 20 december 2010, waarbij aan hem een EMA is opgelegd, staat dat hij binnen drie weken na dagtekening van dat besluit om het treffen van een betalingsregeling kan verzoeken. In verband met het overlijden van zijn echtgenote heeft hij hier pas op 14 februari 2011 om verzocht. De rechtbank heeft volgens [appellant]   te weinig gewicht toegekend aan die omstandigheid en ten onrechte geoordeeld dat het strikt toepassen van de termijn van drie weken in zijn geval niet onredelijk is, aldus [appellant]    .

3.1.    Dat betoog faalt. In het besluit van 20 december 2010 staat vermeld dat een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling niet in behandeling wordt genomen, indien dat niet binnen de termijn van drie weken wordt gedaan. Het kan echter onder omstandigheden onredelijk zijn indien het bestuursorgaan deze termijn strikt toepast. Onder omstandigheden als aangevoerd door [appellant] vergt redelijke toepassing van de toepasselijke wettelijke bepalingen dat enig respijt wordt geboden. De rechtbank heeft evenwel terecht overwogen dat in dit geval het CBR niet gehouden was naar aanleiding van het door [appellant] buiten de termijn ingediende verzoek alsnog een betalingsregeling te treffen. Daartoe heeft de rechtbank terecht bepalend geacht dat [appellant] eerst acht weken na aanvang van de termijn voor het indienen van een verzoek om een betalingsregeling heeft verzocht en dat niet aannemelijk is geworden dat het voor [appellant] niet mogelijk was eerder een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling in te dienen of een ander te verzoeken dat namens hem te doen.

Nu niet tijdig om een betalingsregeling is verzocht, was [appellant] wettelijk verplicht de kosten van de EMA binnen de in de brief van 20 december 2010 gestelde termijn te voldoen. Naar aanleiding van het verzoek van [appellant] van 14 februari 2011 heeft het CBR de termijn waarbinnen de kosten voor de EMA moesten worden voldaan evenwel verlengd tot 14 maart 2011 ten einde [appellant] in de gelegenheid te stellen alsnog de kosten tijdig te voldoen. [appellant] heeft de kosten echter ook binnen die termijn niet voldaan.

Nu geen betalingsregeling is getroffen en vaststaat dat [appellant] de kosten voor de EMA niet binnen de daarvoor gestelde termijn noch binnen de verlengde termijn heeft voldaan, heeft de rechtbank derhalve terecht geoordeeld dat het CBR verplicht was zijn rijbewijs ongeldig te verklaren.

Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

317-730.