Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201109240/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:3688, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college onder meer de plaatsen op de weg rondom de RandstadRail halte Berkel-Westpolder, zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening, aangewezen als plaats, waar het verboden is om fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109240/1/A3.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Fietsersbond, gevestigd te Utrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2011 in

zaak nr. 10/2648 in het geding tussen:

de Fietsersbond

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college onder meer de plaatsen op de weg rondom de RandstadRail halte Berkel-Westpolder, zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening, aangewezen als plaats, waar het verboden is om fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het het door de Fietsersbond daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2011 heeft de rechtbank het door de Fietsersbond daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Fietsersbond hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2012, waar de Fietsersbond, vertegenwoordigd door mr. E.M.M. van der Hijden en ir. P.C. Mazure, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Kazem, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 2a behouden provincies, gemeenten en waterschappen hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.

 

Ingevolge artikel 5.1.11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Lansingerland 2008 (hierna: APV) kan het college op de weg gelegen plaatsen aanwijzen, waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

2.    De Fietsersbond betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het plaatsen van fietsen kan worden verboden door middel van het plaatsen van verkeersbord E3, als bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990, eventueel met onderborden. Het onderwerp van de Wvw 1994 is het reguleren van het verkeer op de daartoe openstaande wegen en niet, zoals de rechtbank kennelijk meent, de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen. Nu het verbod een beperking van het verkeer inhoudt, valt dit onder het onderwerp van de Wvw 1994. Een en ander brengt met zich dat het college geen aanwijzing kon geven, als het heeft gedaan, aldus de Fietsersbond.

2.1.        Artikel 5.1.11 van de APV maakt deel uit van hoofdstuk 5, afdeling 5.1, van de APV, welke afdeling betrekking heeft op parkeerexcessen. De bepaling strekt tot bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, het voorkomen of opheffen van overlast of het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid.

Aan de aanwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat de omgeving van de halte Berkel-Westpolder in ernstige mate wordt ontsierd door buiten de aangewezen ruimte gestalde fietsen en bromfietsen en dat met die fietsen en bromfietsen hinder wordt toegebracht aan reizigers en andere gebruikers van het station en de stationsomgeving. De aanwijzing strekt hiermee onder meer tot bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, als bedoeld in artikel 5.1.11 van de APV. In zoverre behelst zij een ander onderwerp, dan dat, waarin de Wvw 1994 voorziet.

Voor zover de aanwijzing mede is gebaseerd op de hinder die wordt toegebracht aan reizigers en andere gebruikers van het station en de stationsomgeving door het buiten de aangewezen ruimte stallen van fietsen en bromfietsen, kan in het midden blijven of het daarbij gaat om het gebruik van de in artikel 2a van de Wvw 1994 bedoelde aanvullende verordenende bevoegdheid en daarmee of het verbod door middel van het bord E3, als bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990, eventueel met onderborden, kan worden bereikt. Een bevestigend antwoord zou niet leiden tot het door de Fietsersbond daarmee beoogde doel, nu de aanwijzing mede op een niet in de Wvw 1994 geregeld onderwerp is gebaseerd. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gezien om de Fietsersbond te volgen in het betoog dat het college niet krachtens de APV tot de aanwijzing kon besluiten.

Aangezien voorts in beroep niet is aangevoerd dat het gebied waarvoor de aanwijzing geldt, ontoereikend is afgebakend, kan deze grond in hoger beroep niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb    w.g. Langeveld-Mak

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

317-697.