Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7325

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201103776/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij met een

co-vergistingsinstallatie en een warmtekrachtkoppelinginstallatie op het perceel [locatie] te Bergentheim.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/86 met annotatie van P.B. Bokelaar
JOM 2013/75
Milieurecht Totaal 2013/5756
Milieurecht Totaal 2013/6027
AB 2013/98
Gst. 2013/42

Uitspraak

201103776/1/A4.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Bergentheim, gemeente Hardenberg,

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Bergentheim, gemeente Hardenberg,

3. [appellanten sub 3] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Bergentheim, gemeente Hardenberg,

4. [appellanten sub 4] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Bergentheim, gemeente Hardenberg,

5. [appellant sub 5], wonend te Bergentheim, gemeente Hardenberg,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij met een

co-vergistingsinstallatie en een warmtekrachtkoppelinginstallatie op het perceel [locatie] te Bergentheim.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], het college en [vergunninghouder] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college het besluit van 1 februari 2011 gewijzigd.

[appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2012, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en het college, vertegenwoordigd door A.M. Zwiers, A.T.T. van der Zwan-Wenneker en mr. A.J. Stellingwerff, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. E. Kronemeijer, gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nog stukken ontvangen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 4]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld ter zitting van 22 oktober 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.J. Poelman, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, [appellant sub 5] en het college, vertegenwoordigd door A.M. Zwiers en A.T.T. van der Zwan-Wenneker, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, gehoord.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2. Het besluit van 15 mei 2012 tot wijziging van de revisievergunning is een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, worden de beroepen geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 mei 2012, nu dat besluit niet of niet geheel aan de beroepen tegemoet komt.

3. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.1. Bij een besluit tot het verlenen of wijzigen van een milieuvergunning zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden.

[appellant sub 4] stelt dat hij belanghebbende is bij de bestreden besluiten, onder meer omdat hij hinder ondervindt van het verkeer dat via de weg waaraan zijn woning is gelegen van en naar de inrichting rijdt.

3.2. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 4] op circa 1.400 m van de inrichting is gelegen. Gelet op deze afstand en op de aard en omvang van de inrichting is het niet aannemelijk dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Daarbij merkt de Afdeling op dat de gestelde hinder van het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] niet aan het in werking zijn van de inrichting kan worden toegerekend, nu dit verkeer zich niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich aldaar op de weg kan bevinden. [appellant sub 4] is, gelet op het vorenstaande, geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Zijn beroep is daarom niet-ontvankelijk.

4. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] betogen dat de varkenshouderij en de co-vergistingsinstallatie met bijbehorende onderdelen twee zelfstandige inrichtingen zijn waarvoor twee afzonderlijke vergunningen zijn vereist. Zij voeren hiertoe aan dat tussen de varkenshouderij en de vergistingsinstallatie onvoldoende bindingen bestaan met name omdat deze gescheiden worden geëxploiteerd.

4.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

4.2. Bij besluit van 20 juni 1995 is aan [vergunninghouder] een revisievergunning verleend voor een varkenshouderij op het perceel [locatie] te Bergentheim. Bij het bestreden besluit is aan [vergunninghouder] een revisievergunning verleend voor de uitbreiding en wijziging van de varkenshouderij en voor de uitbreiding van de inrichting met een co-vergistingsinstallatie (en bijbehorende onderdelen) en warmtekrachtkoppelinginstallatie (hierna te noemen: de vergistingsinstallatie).

4.3. De vergistingsinstallatie en de varkenshouderij zijn in elkaars onmiddellijke nabijheid gelegen en staan beide op het terrein dat eigendom is van [vergunninghouder]. Uit de vergunningaanvraag blijkt dat van de te vergisten biomassa circa 10.500 ton varkensmest afkomstig is van het bedrijf van [vergunninghouder] op de locaties Bergentheim en Bruchterveld en circa 8.500 ton dierlijke mest van elders wordt aangevoerd. Er wordt een aanvoerleiding vanuit de mestkelders naar de vergistingstanks gelegd. De mest wordt aangevuld met mais die afkomstig is van het bedrijf van [vergunninghouder] en met andere co-producten die worden geleverd door de installateur van de vergistingsinstallatie. Een deel van de opgewekte energie wordt gebruikt in de varkenshouderij, het restant wordt geleverd aan het elektriciteitsnet. Verder zal [vergunninghouder] personeel inhuren dat werkzaam zal zijn ten behoeve van de vergistingsinstallatie. In zoverre bestaan tussen de varkenshouderij en de vergistingsinstallatie technische, organisatorische of functionele bindingen.

Ter zitting is gebleken dat Bieleveld Bio-energy B.V. de installateur is van de vergistingsinstallatie en dat zij deze installatie in eigendom zou behouden. Bieleveld B.V. zou ook het financiële risico van de co-vergistingsinstallatie dragen. Gebleken is dat Bieleveld B.V. inmiddels is gefailleerd en dat [vergunninghouder] een andere exploitant voor de vergistingsinstallatie zoekt. Verder is ter zitting gebleken dat de bedrijfsresultaten van de vergistingsinstallatie niet zouden worden opgenomen in de jaarrekening van het varkensbedrijf. In financieel opzicht zijn het twee zelfstandige bedrijven. Feitelijk kan de vergistingsinstallatie zonder de varkenshouderij functioneren. De te vergisten stoffen kunnen van elders worden aangevoerd en er wordt een afzonderlijke toegangsweg aangelegd voor de vergistingsinstallatie. Verder blijkt niet, bijvoorbeeld door vastlegging in het tussen [vergunninghouder] en Bieleveld B.V. gesloten contract over de exploitatie van de vergistingsinstallatie, dat [vergunninghouder] de zeggenschap daarover heeft.

Onder deze omstandigheden bestaat tussen de varkenshouderij en de vergistingsinstallatie geen zodanige verwevenheid, dat ze deel uitmaken van dezelfde onderneming als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. De varkenshouderij en de vergistingsinstallatie moeten worden aangemerkt als twee zelfstandige inrichtingen waarvoor twee afzonderlijke vergunningen moeten worden aangevraagd. Gelet hierop is de vergunning in strijd met artikel 1.1, vierde lid, verleend.

5. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] zijn gegrond. Het besluit van 1 februari 2011 moet worden vernietigd. Nu hiermee de grondslag aan het besluit van 15 mei 2012 komt te ontvallen, moet ook dit besluit worden vernietigd.

Gelet op de aard van de vernietiging behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

6. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding.

Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] gegrond;

III. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg van 1 februari 2011, kenmerk VRG/2010-242 en 15 mei 2012, kenmerk V2011-1011-01;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.627,34 (zegge: zestienhonderdzevenentwintig euro en vierendertig cent), waarvan € 1.529,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 655,50 (zegge: zeshonderdvijfenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.529,50 (zegge: vijftienhonderdnegenentwintig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 95,84 (zegge: vijfennegentig euro en vierentachtig cent);

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 3], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 5], vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. E. Steen[vergunninghouder], leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

190-684.