Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201203265/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2011 heeft het college Mewivast Projectontwikkeling B.V. onder oplegging van een dwangsom van € 7.000,00 per week tot een maximum van € 42.000,00 gelast om binnen zes weken na verzenddatum van dit besluit het aan het perceel Laan van Hoornwijk, kadastraal bekend sectie G nummer 2565, te Rijswijk (hierna: het perceel) geplaatste reclamebord te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201203265/1/A1.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mewivast Projectontwikkeling B.V., gevestigd te Rijswijk,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 februari 2012 in zaak nr. 11/8477 in het geding tussen:

Mewivast Projectontwikkeling B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk.

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2011 heeft het college Mewivast Projectontwikkeling B.V. onder oplegging van een dwangsom van € 7.000,00 per week tot een maximum van € 42.000,00 gelast om binnen zes weken na verzenddatum van dit besluit het aan het perceel Laan van Hoornwijk, kadastraal bekend sectie G nummer 2565, te Rijswijk (hierna: het perceel) geplaatste reclamebord te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college het door Mewivast Projectontwikkeling B.V. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 7 maart 2011 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 15 februari 2012 heeft de rechtbank het door Mewivast Projectontwikkeling B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Mewivast Projectontwikkeling B.V. hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het college het bedrag van € 42.000,00 ingevorderd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2012, waar Mewivast Projectontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. W.J. van Meegeren en J. van der Wildt, bijgestaan door mr. M.H.J. van Rest, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. V. van Oudenhoven, bijgestaan door R. Pilk, zijn verschenen.

Overwegingen

Last onder dwangsom

1.    Niet in geschil is dat het reclamebord is geplaatst zonder de krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht daarvoor vereiste omgevingsvergunning, zodat het college daartegen handhavend kon optreden.

2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.    Mewivast Projectontwikkeling B.V. betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat bijzondere omstandigheden aanleiding vormen van handhavend optreden af te zien. Daartoe voert zij aan dat een wethouder heeft toegezegd dat het bouwbord kon worden gelegaliseerd en het college haar vervolgens bij brief van 10 mei 2011 heeft bericht dat het bouwbord een vergunningvrij bouwwerk is. Nu de brief van 21 juni 2011, waarbij de omgevingsvergunning voor het reclamebord is geweigerd, anders dan die van 10 mei 2011, niet aansloot bij de toezegging van de wethouder, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat haar daaruit duidelijk moest zijn dat het bord niet vergunningvrij was. Mewivast Projectontwikkeling B.V. wijst er voorts op dat het bord, waarvoor kosten nog moeite zijn gespaard, geen overlast heeft veroorzaakt of tot klachten uit de omgeving of van concurrenten heeft geleid en dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag voor een nabijgelegen, groter bouwbord een omgevingsvergunning heeft verleend.

3.1.    De rechtbank heeft terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Zij heeft daarbij terecht van betekenis geacht dat met de weigering van de omgevingsvergunning op 21 juni 2011, waartegen Mewivast Projectontwikkeling B.V. geen rechtsmiddelen heeft aangewend, vast stond dat concreet zicht op legalisering ontbrak. Aan de gestelde toezegging van de wethouder en de brief van het college van 10 mei 2011, kan, wat daar ook van zij, geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat niet handhavend wordt opgetreden indien legalisering uiteindelijk niet plaatsvindt. Hierbij is van belang dat het bord al voor het gesprek met de wethouder en de brief van het college van 10 mei 2011 was geplaatst, zonder een daartoe vereiste omgevingsvergunning. Dit dient voor eigen risico van Mewivast Projectontwikkeling B.V. te blijven.

De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden onevenredig moet worden geacht. De omstandigheden dat het reclamebord niet tot overlast of klachten heeft geleid, vormen daartoe onvoldoende aanleiding. Dat het college van de gemeente Den Haag volgens Mewivast Projectontwikkeling B.V. voor een groter reclamebord een omgevingsvergunning heeft verleend, is reeds niet van belang omdat dit een besluit betreft van een andere gemeente.

Het betoog faalt.

4.    Mewivast Projectontwikkeling B.V. betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de opgelegde dwangsom onevenredig hoog is. Daartoe voert zij aan dat de dwangsom ten onrechte is afgestemd op een mogelijke opbrengst en is berekend aan de hand van informatie van slechts één commerciële exploitant over de commerciële huurprijs per vierkante meter van een aanmerkelijk kleiner bord.

4.1.    Dit betoog slaagt evenmin. De rechtbank heeft daarin terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de vastgestelde bedragen niet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Het college mocht de hoogte van de dwangsom relateren aan de te verwachten opbrengst van het bord door middel van commerciële huur. Dat het deze volgens Mewivast Projectontwikkeling B.V. te hoog heeft ingeschat, leidt niet tot een ander oordeel. Zij heeft dit niet met feiten onderbouwd. Daarbij is van belang dat van de dwangsom een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt nagekomen en verbeurte wordt voorkomen.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Invorderingbeschikking

6.    Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, heeft het hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

7.    Mewivast Projectontwikkeling B.V. heeft de invorderingsbeschikking van 27 maart 2012 ter zitting betwist. Zij heeft daarbij aangevoerd dat het voor haar financieel niet haalbaar is de verbeurde dwangsommen volledig te voldoen.

7.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen (uitspraak van 16 mei 2012 in zaak nr. 201108670/1/A1), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt biedt de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003-04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

7.2.    Dat Mewivast Projectontwikkeling B.V., naar zij heeft betoogd, financieel niet in staat is het bedrag van € 42.000,00 te voldoen, nu zij als gevolg van de economische crisis liquiditeitsproblemen heeft, is geen bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien, reeds omdat zij dat niet met een nadere uiteenzetting aannemelijk heeft gemaakt.

Het betoog faalt.

8.    Het beroep. tegen het besluit van 27 maart 2012 is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 27  maart 2012 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

270-757.