Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201202513/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 16 december 2010 en 21 december 2010 heeft de Belastingdienst de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag aan [appellante] over de jaren 2007 en 2008 vastgesteld op nihil. Bij besluit van 6 juli 2010 heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 herzien en op nihil gesteld (hierna: de besluiten 2007, 2008 en 2009).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201202513/1/A2.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 januari 2012 in zaak nrs. 11/2829, 11/2830, 11/2831 en 11/2832 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluiten van 16 december 2010 en 21 december 2010 heeft de Belastingdienst de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag aan [appellante] over de jaren 2007 en 2008 vastgesteld op nihil. Bij besluit van 6 juli 2010 heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 herzien en op nihil gesteld (hierna: de besluiten 2007, 2008 en 2009).

Bij afzonderlijke besluiten van 14 april 2011 heeft de Belastingdienst de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 januari 2012 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep aangaande de besluiten 2007, 2008 en 2009 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. Th.C.P.M. van Boekel, advocaat te Tilburg, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde en voor zover hier van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49 (voor 1 januari 2009) en artikel 5 (na 1 januari 2009), van toepassing.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Awir wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 15, vierde lid, wordt de aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.    Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent de Belastingdienst, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt.

2.    Op 8 februari 2007 heeft de Belastingdienst een digitale aanvraag op naam van [appellante] en met vermelding van haar burgerservicenummer ontvangen voor kinderopvangtoeslag 2006 met ingang van 4 januari 2006.

Bij besluit van 26 maart 2007 is een voorschot op de kinderopvangtoeslag 2007 toegekend. Bij besluiten van 3 december 2007 en 10 december 2008 heeft de Belastingdienst aan [appellante] voorschotten toegekend voor de jaren 2008 en 2009. De voorschotten over de jaren 2007, 2008 en 2009 zijn diverse malen bij besluit herzien naar aanleiding van namens [appellante] doorgegeven wijzigingen.

Bij afzonderlijke besluiten van 27 oktober 2009 heeft de Belastingdienst de voorschotten over de jaren 2007 en 2008 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag 2009 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag 2007 definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 21 december 2010 heeft de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag 2008 definitief vastgesteld op nihil.

Bij afzonderlijke besluiten van 14 april 2011 heeft de Belastingdienst de door [appellante] gemaakte bezwaren tegen de eerdere herzieningsbesluiten aangemerkt als mede te zijn gericht tegen de besluiten over de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 en 2008 en tegen het besluit over de herziening van het voorschot over 2009. De Belastingdienst heeft de bezwaren ongegrond verklaard.

3.    Vast staat dat [appellante] in de jaren 2007, 2008 en 2009 geen recht had op kinderopvangtoeslag, omdat zij geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. In geschil is de vraag of de Belastingdienst de voor deze jaren verleende voorschotten bij [appellante] mag terugvorderen.

4.    [appellante] betoogt allereerst dat de rechtbank wat betreft de aanvraag het misbruik van haar DigiD heeft miskend en ten onrechte heeft geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat zij de kinderopvangtoeslag niet zelf heeft aangevraagd en zij niet op de hoogte was dat de voorschotten werden toegekend en uitgekeerd. Volgens [appellante] staat vast dat niet zij, maar de [nicht] van haar echtgenoot de toeslag heeft aangevraagd en de voorschotten heeft ontvangen.

[appellante] voert daarnaast aan dat, ervan uitgaande dat fraude heeft plaatsgevonden, de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de fraude heeft plaatsgevonden in de woning en dus in de risicosfeer van [appellante]. [appellante] voert hiertoe aan dat de aanvraag voor kinderopvangtoeslag niet bij haar thuis is gedaan en dat [nicht] haar adresgegevens heeft aangepast, waardoor de berichtgeving niet meer door [appellante] werd ontvangen. Bovendien biedt het DigiD systeem onvoldoende veiligheidswaarborgen voor de gebruikers, waardoor fraude mogelijk wordt gemaakt. Dit dient voor risico van de Belastingdienst te blijven, aldus [appellante].

4.1.    Vast staat dat de Belastingdienst op 8 februari 2007 een digitaal ingediende aanvraag om tegemoetkoming kinderopvangtoeslag voor het jaar 2006 heeft ontvangen op naam en adres van [appellante], die met de DigiD van [appellante] is ondertekend. Voor het indienen daarvan is vereist dat deze door de aanvrager met zijn DigiD wordt ondertekend. DigiD is een persoonlijke inlogcode, voorzien van een wachtwoord, waarmee een persoon zich kan identificeren op websites van de overheid. Nu de aanvraag is ondertekend met de DigiD van [appellante], moet het er in beginsel voor worden gehouden dat de aanvraag door haar is ingediend, of dat de aanvraag is ingediend door iemand aan wie zij haar DigiD ter beschikking heeft gesteld. In dat laatste geval zijn de aanvragen aan [appellante] toe te rekenen. De gebruikersnaam en het wachtwoord voor de DigiD zijn immers strikt persoonlijk. Dat in zijn algemeenheid fraudegevallen met de DigiD-code bekend zijn, betekent niet dat de Belastingdienst in dit specifieke geval aan de juistheid van de aanvraag hoefde te twijfelen. De rechtbank is er dan ook terecht vanuit gegaan dat de Belastingdienst zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellante] de toeslagen zelf heeft aangevraagd of dat deze aan haar zijn toe te rekenen.

Evenmin als de rechtbank, acht de Afdeling het aannemelijk gemaakt dat [appellante] niet op de hoogte was van de aan haar toegekende en uitgekeerde voorschotten. De rechtbank heeft bij dit oordeel terecht betrokken dat aan [appellante] over meer dan één jaar kinderopvangtoeslag is toegekend en uitgekeerd en dat gedurende die tijd een groot aantal besluiten naar haar woonadres is toegestuurd, zodat zij naar aanleiding van die brieven had kunnen reageren. Dat [appellante], naar zij stelt, in ieder geval zou hebben gereageerd als zij op de hoogte was geweest van de toekenning aan haar van de voorschotten, is dan ook niet aannemelijk.

Voorts heeft de rechtbank in de omstandigheid dat de strafrechtelijke vervolging van [appellante] met een sepot is geëindigd, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat daarmee is komen vast te staan dat [appellante] niet zelf de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd dan wel niet op de hoogte was dat er voorschotten werden toegekend en uitgekeerd. De vervolging is immers wegens onvoldoende wettelijk bewijs geseponeerd.

4.2.    De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat, voor zover sprake is geweest van fraude, deze fraude heeft plaatsgevonden in de woning van [appellante]. Vanuit welke locatie de aanvraag is ingediend, is in dit kader niet relevant. Anders dan gesteld, is niet aannemelijk geworden dat het adres van [appellante] is aangepast, waardoor er vanuit moet worden gegaan dat de berichtgeving van de Belastingdienst op het adres van [appellante] is bezorgd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de woning van [appellante] toegang werd verkregen tot belangrijke documenten en gegevens en dat de post van [appellante] in haar eigen woning werd onderschept. Dat het, naar [appellante] stelt, binnen de Marokkaanse cultuur gebruikelijk is dat familieleden elkaar zeer frequent in de woning van een van hen treffen en dat [nicht] geregeld bij [appellante] thuis kwam, waardoor zij de beschikking kon krijgen over de post, dient voor het risico van [appellante] te blijven. Ter zitting is voorts komen vast te staan dat [appellante] de behandeling van haar post aan [nicht] overliet, omdat [appellante] zelf de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Dat [nicht] zou hebben bekend dat zij fraude heeft gepleegd en dat zij hiervoor strafrechtelijk wordt vervolgd, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat de fraude zich heeft afgespeeld in de risicosfeer van [appellante].

De rechtbank heeft hierbij terecht overwogen dat het DigiD-systeem los staat van de door [appellante] geschetste situatie waarbij iemand in haar huis gedurende enkele jaren in staat zou zijn geweest haar post mee te nemen.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Bindels

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

85-756.