Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7303

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201112034/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten over de werkwijze van de politie alsmede bepaalde informatie over een viertal politieambtenaren, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/102

Uitspraak

201112034/1/A3.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2011 in zaak nr. 11/849 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van de politieregio Amsterdam-Amstelland.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten over de werkwijze van de politie alsmede bepaalde informatie over een viertal politieambtenaren, afgewezen.

Bij besluit van 14 januari 2011 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en hem alsnog gedeeltelijk informatie verstrekt.

Bij uitspraak van 13 oktober 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2012, waar [appellant], en de korpschef, vertegenwoordigd door Y. Kuijt, werkzaam bij de politieregio, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

2.    [appellant] heeft aan de Afdeling ter zitting toestemming verleend om met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kennis te nemen van de door de korpsbeheerder vertrouwelijk overgelegde documenten.

3.    Het verzoek van [appellant] ziet op de openbaarmaking van gegevens omtrent een gebeurtenis in 2009 in Amsterdam Bijlmer waarbij zijn dochter is aangehouden. In dit kader heeft hij verzocht om informatie over het functioneren van een viertal politieambtenaren alsmede om afschriften van de door hen gevolgde opleiding.

4.    De korpsbeheerder heeft aan zijn besluit van 14 januari 2011 ten grondslag gelegd dat het openbaar maken van disciplinaire straffen van een politieambtenaar een grote inbreuk vormt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Dit belang dient volgens de korpsbeheerder zwaarder te wegen dan het publieke belang van openbaarmaking. De documenten waarin is opgenomen welke voor de functie van belang zijnde opleidingen door de vier politieambtenaren zijn gevolgd, heeft de korpsbeheerder bij dat besluit alsnog gedeeltelijk openbaar gemaakt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van politieambtenaren zwaarder weegt dan het publieke belang van openbaarmaking. Daartoe voert hij aan dat het openbaar maken van gegevens over het functioneren van politieambtenaren nooit een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer. Volgens hem valt uit de gevraagde documenten het functioneren van de betrokken politieambtenaren op te maken, hetgeen van belang is om vast te kunnen stellen of de politieambtenaren die belast zijn met de openbare orde en veiligheid hun taak naar behoren uitvoeren, aldus [appellant]. Het onleesbaar maken van de behaalde cijfers in de documenten die betrekking hebben op de opleiding van de betrokken politieambtenaren doet volgens hem af aan de waarde daarvan.

5.1.    Met betrekking tot de door [appellant] verzochte documenten die zien op de oplegging van disciplinaire maatregelen aan de betrokken politieambtenaren stelt de Afdeling na inzage van de door de korpsbeheerder vertrouwelijk overgelegde documenten vast dat aan haar geen andere documenten zijn verstrekt, dan reeds bij het besluit op bezwaar geanonimiseerd aan [appellant] zijn verstrekt. Daaruit leidt de Afdeling af dat geen documenten voorhanden zijn, waaruit volgt dat disciplinaire maatregelen zijn opgelegd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 18 juli 2007 in zaak nr. 200608032/1 kan, waar het gaat om beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten aanzien van zodanig functioneren in beginsel geen beroep kan worden gedaan op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Dat ligt in dit geval anders, nu het verzoek van [appellant] ziet op het openbaarmaken van behaalde cijfers in documenten die betrekking hebben op de opleiding van de betrokken politieambtenaren. De door hen behaalde cijfers zien op het persoonlijk presteren tijdens de opleiding, hetgeen de persoonlijke levenssfeer raakt. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen dient in het kader van de belangenafweging zwaarder te wegen dat vast moet staan welke opleidingen door de betrokken politieambtenaren zijn gevolgd en niet de cijfers die zijn behaald.

Dat [appellant] een persoonlijk belang heeft omdat de betrokken politieambtenaren zich bij de aanhouding van zijn dochter in juni 2009 onprofessioneel zouden hebben gedragen, doet daar niet aan af. Zoals de Afdeling reeds meermalen heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 14 mei 2003 in zaak nr. 200203532/1, dient het recht van openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Derhalve kan geen onderscheid worden gemaakt naar de persoonlijke belangen en oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging in het kader van de Wob worden het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken, maar niet het specifieke belang van de verzoeker.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de korpsbeheerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van openbaarheid van de niet verstrekte gegevens in dit geval niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken politieambtenaren.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena    w.g. Langeveld-Mak

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

317-721.