Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201111749/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2011 heeft de RDW een verzoek van [appellant] om afgifte van een geldig Nederlands rijbewijs en schadevergoeding, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201111749/1/A3.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 september 2011 in zaak nr. 11/3052 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2011 heeft de RDW een verzoek van [appellant] om afgifte van een geldig Nederlands rijbewijs en schadevergoeding, afgewezen.

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.N. Wildschut, advocaat te Amsterdam, en de RDW, vertegenwoordig door mr. E.C. Niemeijer, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zendt het bestuursorgaan geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.

Ingevolge artikel 111, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) wordt een rijbewijs slechts afgegeven aan degene die blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid.

Ingevolge artikel 116, eerste lid, wordt een rijbewijs overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels afgegeven door de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als ingezetene was ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens of, in de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen, door de Dienst Wegverkeer.

Ingevolge artikel 105, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden rijbewijzen afgegeven door de Dienst Wegverkeer:

a. indien de aanvrager buiten Nederland woonachtig is;

b. indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs dat aan de aanvrager is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland;

c. indien de aanvrager in Nederland woonachtig is, doch niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente;

d. indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een door het militaire gezag afgegeven bewijs van rijvaardigheid.

2.    [appellant] was sinds 26 juni 2006 in het bezit van een geldig Nederlands rijbewijs (hierna: het eerste rijbewijs). De RDW heeft op 18 juni 2009 aan hem een vervangend rijbewijs uitgereikt (hierna: het tweede rijbewijs), omdat [appellant] in de veronderstelling verkeerde dat hij het eerste rijbewijs had verloren en hiervan aangifte heeft gedaan.

[appellant] heeft vervolgens het eerste rijbewijs omgewisseld in België voor een Belgisch rijbewijs. De RDW heeft hierop bij besluit van 6 november 2009 het tweede rijbewijs op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 ongeldig verklaard. Daartegen heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt. Het Belgische rijbewijs van [appellant] is door de Belgische overheid ongeldig verklaard.

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft de RDW het verzoek van [appellant] tot omwisseling van zijn Belgische rijbewijs voor een Nederlands rijbewijs afgewezen, omdat het Belgische rijbewijs inmiddels ongeldig was verklaard.

3.    Aan het besluit van 10 mei 2011 heeft de RDW ten grondslag gelegd dat de regelgeving geen ruimte biedt om aan [appellant] alsnog een rijbewijs af te geven. De RDW heeft [appellant] de kosten voor de aanvraag tot omwisseling van het rijbewijs vergoed, omdat bij besluit van 6 november 2009 ten onrechte aan hem kenbaar is gemaakt dat hij zijn Belgische rijbewijs kon omwisselen voor een Nederlands rijbewijs. Voor het overige heeft de RDW het verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen, omdat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 6 november 2009, waarbij het tweede rijbewijs ongeldig is verklaard.

4.    De Afdeling ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de RDW bevoegd was om het verzoek van [appellant] om afgifte van een rijbewijs af te wijzen en overweegt als volgt.

4.1.      [appellant] heeft de RDW verzocht om over te gaan tot afgifte van een rijbewijs. Ingevolge artikel 116, eerste lid, van de Wvw 1994 wordt een rijbewijs afgegeven door de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als ingezetene was ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. Dit is slechts anders indien zich een van de vier gevallen voordoet als bedoeld in artikel 105, tweede lid, van het Reglement. Geen van deze gevallen doet zich hier voor. Dit leidt tot de conclusie dat de RDW zich onbevoegd had moeten verklaren om op het verzoek van [appellant] om afgifte van een rijbewijs te beslissen. De Afdeling overweegt dat de RDW het verzoek van [appellant] van 19 oktober 2010 op grond van artikel 2:3, eerste lid, van de Awb had moeten doorzenden naar het bevoegde bestuursorgaan.

Het verzoek tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade

5.    [appellant] betoogt dat hij uit het besluit van 6 november 2009 heeft mogen opmaken dat hij opnieuw in het bezit kon komen van een geldig Nederlands rijbewijs door zijn Belgische rijbewijs om te wisselen. Hij heeft daarom geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De rechtbank heeft volgens hem miskend dat het besluit als schadeveroorzakend moet worden aangemerkt, nu de RDW omwisseling van zijn rijbewijs heeft geweigerd.

5.1.    Het feit dat [appellant] schade heeft geleden omdat hij een bepaalde periode niet heeft kunnen beschikken over een geldig Nederlands rijbewijs is het gevolg van de ongeldigverklaring van zijn tweede rijbewijs bij besluit van 6 november 2009. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen had [appellant] de rechtmatigheid van de ongeldigverklaring van dit rijbewijs aan de orde kunnen stellen in een bezwaarschriftprocedure tegen dit besluit. Dat heeft hij niet gedaan, waardoor het besluit in rechte is komen vast te staan en van de rechtmatigheid daarvan dient te worden uitgegaan. Voor toekenning van schadevergoeding bestaat in deze procedure geen ruimte. De rechtbank heeft zich dan ook terecht niet uitgelaten over de aannemelijkheid van de door [appellant] gestelde schadeposten.

Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 10 mei 2011, voor zover dat de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om afgifte van een rijbewijs betreft, ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 mei 2011 in zoverre gegrond verklaren en dit besluit in zoverre vernietigen. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de Afdeling het besluit van 6 januari 2011 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De uitspraak dient te worden bevestigd voor het overige. De RDW dient de brief van 19 oktober 2010 ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Awb door te zenden naar de burgemeester van de gemeente Amsterdam.

7.    De RDW dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 september 2011 in zaak nr. 11/3052, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 10 mei 2011, voor zover dat de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om afgifte van een rijbewijs betreft, ongegrond is verklaard;

III.    verklaart dat beroep in zoverre alsnog gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de directie van de Dienst Wegverkeer van 10 mei 2011, kenmerk Dos.2011/12859/Bob, voor zover daarbij is beslist op de bezwaren gericht tegen de afwijzing van het verzoek om afgifte van een rijbewijs;

V.    herroept het besluit van 6 januari 2011, kenmerk Corr/2011-01-CE, voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om afgifte van een rijbewijs;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 10 mei 2011 voor zover dat is vernietigd;

VII.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

VIII.    veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro);

IX.    veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro);

X.    gelast dat de directie van de Dienst Wegverkeer aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 379,00 (zegge: driehonderdnegenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena    w.g. Langeveld-Mak

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

317-721.