Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7301

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201110744/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het college aan Zuiderven Vastgoed B.V. bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een bedrijfsverzamelgebouw met 11 units op het perceel nabij Lagedijk 146A te Zaandijk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110744/1/A1.

Datum uitspraak: 27 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Zaan en Dijk e.a. (hierna: Zaan en Dijk en anderen), allen wonend dan wel gevestigd te Zaandijk, gemeente Zaanstad,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 augustus 2011 in zaak nr. 11/381 in het geding tussen:

Zaan en Dijk en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het college aan Zuiderven Vastgoed B.V. bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een bedrijfsverzamelgebouw met 11 units op het perceel nabij Lagedijk 146A te Zaandijk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 december 2010 heeft het college de door Zaan en Dijk en anderen, waaronder ook [belanghebbenden], tegen het besluit van 24 januari 2006 gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Zaan en Dijk en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Zaan en Dijk en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2011, hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2012, waar Zaan en Dijk en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Brouwer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Zuiderven Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door G.A. Wijma, ter zitting verschenen.

Bij tussenuitspraak van 30 mei 2012 in zaak nr. 201110744/1/T1/A1 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het dagelijks bestuur opgedragen om binnen 8 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 3 augustus 2012 heeft het college een nieuw besluit op het bezwaar van Zaan en Dijk en anderen genomen.

Zaan en Dijk en anderen hebben een zienswijze naar voren gebracht.

Het college heeft een nadere reactie ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 49, eerste en zesde lid, van de Wet op de Raad van State, heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Bij tussenuitspraak van 30 mei 2012 in zaak nr. 201110744/1/T1/A1 heeft de Afdeling overwogen dat het college niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met de Bouwverordening van de gemeente Zaanstad (hierna: de bouwverordening), omdat drie parkeerplaatsen van de zeventien benodigde parkeerplaatsen worden afgewenteld op de omgeving. Het besluit van 15 december 2010 berustte derhalve niet op een deugdelijke motivering. Het college is vervolgens opgedragen om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek aan het besluit van 15 december 2010 te herstellen op de in die uitspraak omschreven wijze. Daartoe wordt verwezen naar de overwegingen in de tussenuitspraak.

2.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft in opdracht van het college een parkeertelling plaatsgevonden in de omgeving van het perceel op 10 juli 2012 tussen 10:00 uur en 11:00 uur. In het onderzochte gebied zijn volgens deze parkeertelling 176 parkeerplaatsen aanwezig waarvan 138 parkeerplaatsen tijdens de telling bezet waren. Het college heeft bij besluit van 3 augustus 2010 te kennen gegeven dat het medewerking wenst te verlenen aan het bouwplan door ontheffing te verlenen van de bouwverordening, omdat in de omgeving van het perceel voldoende parkeerruimte aanwezig is gelet op de aan de hand van de parkeertelling  berekende bezettingsgraad van 78 procent. Het college acht een bezettingsgraad overdag van boven de 90 procent niet aanvaardbaar.

3.    Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

4.    Zaan en Dijk en anderen betogen dat de door het college aan het besluit van 3 augustus 2012 ten grondslag gelegde parkeertelling onjuist is en onvoldoende grondslag biedt om medewerking te kunnen verlenen aan het bouwplan. Zij voeren hiertoe aan dat de omgeving waarin de telling is verricht kunstmatig voorkomt en niet duidelijk is welke parkeerplaatsen zijn meegenomen. Daarnaast is volgens Zaan en Dijk en anderen binnen de vakantieperiode geteld en is ten onrechte niet ook in de avond de parkeerdruk gemeten, waardoor de telling niet representatief is.

4.1.    De Afdeling ziet in hetgeen Zaan en Dijk en anderen aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat het door het college uitgevoerde parkeeronderzoek niet aan het besluit ten grondslag mocht worden gelegd. Hierbij is van belang dat het college zich, nu het bouwplan voorziet in een bedrijfsverzamelgebouw met 11 units, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de parkeerplaatsen met name gedurende werktijden bezet zullen zijn. Derhalve heeft het college aannemelijk kunnen achten dat niet te verwachten valt dat 's avonds ten gevolge van het bouwplan parkeerproblemen zullen ontstaan. Daarnaast heeft het college nogmaals een parkeertelling verricht op donderdagochtend 11 oktober 2012 waarbij tot dezelfde conclusie werd gekomen als in de aan het besluit van 3 augustus 2012 ten grondslag gelegde parkeertelling.

Dat het college bij de parkeertelling van een onjuist gebied is uitgegaan is door Zaan en Dijk en anderen niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft in redelijkheid de direct aan de Lagedijk grenzende straten mee kunnen nemen bij de beantwoording van de vraag of in de omgeving van het perceel voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Hierbij heeft het college van belang kunnen achten dat de Lagedijk, een eenbaansweg is met weinig parkeergelegenheid, waardoor veelvuldig wordt geparkeerd in de direct daaraan grenzende straten. Straten die vanaf de Lagedijk slechts met een omweg te bereiken zijn, zijn door het college niet meegenomen in het parkeeronderzoek. Ook indien de thans aan de Lagedijk 146 geparkeerde auto's in de omgeving van het perceel moeten parkeren, dan levert dat, gezien de door het college berekende bezettingsgraad, niet een zodanige toename van de parkeerdruk op dat het college de bouwvergunning voor het bouwplan, mede nu het slechts om drie parkeerplaatsen gaat, diende te weigeren.

Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de resultaten van de parkeertelling onjuist zijn en is door het college aannemelijk gemaakt dat in de omgeving voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn om de drie ten gevolge van het bouwplan vereiste parkeerplaatsen op te kunnen vangen. Het college heeft derhalve bij besluit van 3 augustus 2012 in redelijkheid ontheffing van de bouwverordening kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

5.    Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak, is het hoger beroep van Zaan en Dijk en anderen gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 december 2010 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van Zaan en Dijk en anderen tegen het besluit van 3 augustus 2012 is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ongegrond.

6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 augustus 2011 in zaak nr. 11/381;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 15 december 2010, kenmerk AWB/2006/0279 H.BEROEP Z/2010/385980 gegrond;

IV.    vernietigt dat besluit;

V.    verklaart het beroep van de stichting Stichting Zaan en Dijk en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad  van 3 augustus 2012, kenmerk 2011/238920 AWB/2006/0279 H.BEROEP ongegrond;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad aan de stichting Stichting Zaan en Dijk en anderen het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 756,00 (zegge: zevenhonderdzesenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012

374-700.