Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY7287

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
201210208/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij brief van 20 september 2012 heeft het college een melding van [vergunninghouder] op grond van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant met betrekking tot een wijziging en uitbreiding van de varkenshouderij aan de [locatie] te Bergeijk, voor kennisgeving aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210208/1/A4.

Datum uitspraak: 18 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker], wonend te Bergeijk, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

verzoeker,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 20 september 2012 heeft het college een melding van [vergunninghouder] op grond van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant met betrekking tot een wijziging en uitbreiding van de varkenshouderij aan de [locatie] te Bergeijk, voor kennisgeving aangenomen.

Tegen deze brief heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 december 2012, waar [verzoeker], bijgestaan door ing. A.F.M. Manders, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Uittenbosch, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. A.H.M. Smits, advocaat te Rosmalen, gehoord.

Overwegingen

1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de brief van 20 september 2012 geen besluit is waartegen bezwaar en beroep open staat.

1.1.    Deze procedure leent zich niet voor beantwoording van de vraag wat het rechtskarakter is van de brief van 20 september 2012. Of deze brief als een besluit moet worden aangemerkt waartegen [verzoeker] bezwaar en beroep kan instellen, kan in een mogelijke bodemprocedure aan de orde komen.

2.     [verzoeker] betoogt dat [vergunninghouder] geen aanspraak kan maken op het veebestand en de daarbij behorende ammoniakemissie die hij bij het college heeft gemeld. Hij beweert dat in ieder geval een deel van de desbetreffende  mestproductie- en ammoniakrechten aan hem toekomt. Verder stelt [verzoeker] dat de stallen inmiddels worden gerealiseerd en dat ten behoeve van de uitbreiding van de veehouderij een groot aantal bomen is gekapt. Hij verzoekt de voorzitter daarom de bouw van de stallen stil te leggen en de voor de uitbreiding verleende vergunningen te schorsen dan wel te vernietigen. Zijn verzoek strekt verder tot teruggave van mestproductierechten en het opleggen van een herplantplicht voor de kap van de bomen.

2.1.    In deze procedure gaat het alleen om de reactie van het college op de melding van [vergunninghouder] op grond van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant. Een voorlopige voorziening die strekt tot het opleggen van een herplantplicht of overdracht van mestproductierechten past niet binnen dit kader.

Voor de uitbreiding van de inrichting en de bouw van de stallen zijn krachtens de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunningen verleend. Deze vergunningen zijn onherroepelijk; zij kunnen in deze procedure niet worden aangetast.

Verder behelst de brief van 20 september 2012 geen toestemming om de gemelde wijziging en uitbreiding van de veehouderij te realiseren. In zoverre heeft [verzoeker] geen baat bij een schorsing van de reactie van het college in de brief.

De brief van 20 september 2012 laat voorts onverlet dat voor de uitbreiding en wijziging van de inrichting een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist. Ter zitting is gebleken dat een vergunning is aangevraagd en de aanvraag in behandeling is genomen. Voor zover [verzoeker] stelt dat in strijd wordt gehandeld met de Natuurbeschermingswet 1998 gaat het om een handhavingskwestie die in deze procedure niet aan de orde is.

3.     Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann    w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012

190-738.