Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6782

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201201154/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Balk-Boslust Zuidwest" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/16

Uitspraak

201201154/1/R4.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Gaasterlân-Sleat,

2.    [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Gaasterlân-Sleat,

3.    [appellant sub 3] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Gaasterlân-Sleat,

en

de raad van de gemeente Gaasterlân-Sleat,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Balk-Boslust Zuidwest" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1 A], bijgestaan door G. Folmer, [appellanten sub 2], bij monde van [appellant sub 2 A], [appellant sub 3] en anderen, bij monde van [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door B. Bonnema, wethouder, en H.A. ter Beeke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1.    Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de bouw van tien vrijstaande woningen, vier twee-onder-een-kap woningen en de aanleg van een bosstrook en water.

Ontvankelijkheid

2.    De raad stelt dat het beroep van [appellant sub 3] en anderen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat zij gezien de afstand van hun woningen dan wel eigendommen tot de plangrenzen geen belang hebben bij het bestreden besluit. Volgens de raad wordt het zicht vanaf de dichtstbijzijnde kavel van [appellant sub 3] en anderen belemmerd door een dikke en hoge groensingel en zal de ontsluiting van het plangebied ook niet aan de zijde van de woningen van [appellant sub 3] en anderen plaatsvinden.

2.1.    Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

2.2.    [appellant sub 3] en anderen komen in beroep op tegen het hele plan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat zij op een afstand van ongeveer 350 meter tot 830 meter van het plangebied wonen en hierop geen rechtstreeks zicht hebben. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het bestreden besluit zou worden geraakt. Het door [appellant sub 3] en anderen gestelde belang bij het behoud van hun voorgestelde alternatieve locatie voor de in het bestemmingsplan "Balk-Verbindingsweg" voorziene verbindingsweg in het onderhavige plangebied doet hier niet aan af, nu [appellant sub 3] en anderen daarmee niet rechtstreeks worden geraakt door de ruimtelijke gevolgen van het onderhavige plan.

De conclusie is dat [appellant sub 3] en anderen geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, dan ook geen beroep kunnen instellen.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is niet-ontvankelijk.

Procedurele bezwaren

Kennisgeving

3.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de kennisgeving van het plan in strijd met artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro heeft plaatsgevonden. Zij voeren hiertoe aan dat de kennisgeving en het ontwerpbesluit niet digitaal beschikbaar zijn gesteld.

3.1.    De raad stelt dat uit hetgeen ter inzage heeft gelegen voldoende duidelijk was wat de raad voornemens was te gaan besluiten. Volgens de raad is de kennisgeving via de website www.staatscourant.nl en de gemeentelijke website elektronisch beschikbaar gesteld en is daarmee voldaan aan artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro.

3.2.    Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, met dien verstande dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant wordt geplaatst en voorts via de elektronische weg geschiedt, en het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

3.3.    Een redelijke wetsuitleg van artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro in samenhang bezien met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat uitsluitend het ontwerpplan dient te worden aangemerkt als het ontwerp van het te nemen besluit als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Uit het ontwerpplan blijkt immers in voldoende mate wat de raad voornemens is te gaan besluiten. Gelet op het voorgaande en nu zowel de kennisgeving als het ontwerpplan digitaal beschikbaar waren, mist het betoog van [appellant sub 1] en anderen in zoverre feitelijke grondslag.

Termijnen en informeren

4.    [appellanten sub 2] betogen dat de termijn als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro is overschreden en het bestreden besluit reeds hierom niet in stand kan blijven. Zij betogen voorts dat de termijn als bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, van de Wro is overschreden. Voorts is volgens hen [appellant sub 2 B] ten onrechte niet geïnformeerd over de vaststelling van het plan hetgeen in strijd is met artikel 3:44 van de Awb.

4.1.    De raad stelt dat de door [appellanten sub 2] genoemde termijnen, termijnen van orde betreffen. De raad stelt voorts dat [appellant sub 2 B] woonachtig is op hetzelfde adres als [appellant sub 2 A] en zij derhalve niet in haar belangen is geschaad.

4.2.    Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro is afdeling 3.4 van de Awb op de voorbereiding van een bestemmingsplan van toepassing, met dien verstande dat de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging beslist omtrent vaststelling van het bestemmingsplan.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, wordt het besluit tot vaststelling van het plan, in afwijking van het derde lid, zes weken na de vaststelling bekend gemaakt.

4.3.    [appellanten sub 2] betogen terecht dat de in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro gestelde termijn is overschreden. Uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan echter worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Het door [appellanten sub 2] op dit punt aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

[appellanten sub 2] hebben voorts aangevoerd dat de termijn als bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, van de Wro is overschreden. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een onregelmatigheid na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze onregelmatigheid kan dan ook geen grond vormen voor vernietiging van het bestreden besluit.

4.4.    Ingevolge artikel 3.8, derde lid, van de Wro in samenhang bezien met artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb geschiedt de mededeling van het besluit, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

De beroepsgrond inzake het niet toezenden van het besluit aan [appellant sub 2 B] heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit, die reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. De Afdeling overweegt daarbij dat [appellanten sub 2] woonachtig zijn op hetzelfde adres en [appellant sub 2 B] derhalve kennis heeft kunnen nemen van het besluit tot vaststelling van het plan dat wel is toegezonden aan [appellant sub 2 A]. [appellant sub 2 B] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in haar belangen is geschaad.

Het betoog faalt.

Terinzagelegging

5.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat het niet ter inzage leggen van het archeologisch rapport in strijd is met artikel 3:11 van de Awb. Voorts is volgens hen sprake van strijd met artikel 3.1.6, onder d, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), nu geen inzicht is geboden in het feitelijke archeologische onderzoek door alleen de conclusies en aanbevelingen hiervan als bijlage bij het bestreden besluit op te nemen.

5.1.    De raad stelt dat het volledige archeologierapport bij de tweede terinzagetermijn van het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen en tevens bij het vastgestelde plan.

5.2.    Uit de stukken blijkt dat het ontwerpplan twee keer ter inzage heeft gelegen, omdat het archeologisch onderzoek in eerste instantie ontbrak. Bij de tweede terinzagelegging van het ontwerpplan was het archeologierapport "Drie plangebieden te Balk, gemeente Gaasterlân-Sleat; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek" van 21 augustus 2007 zowel digitaal als analoog in zijn geheel te raadplegen, hetgeen ook blijkt uit de bekendmaking van voornoemde terinzagelegging.

Gelet op het voorgaande mist het betoog van [appellant sub 1] en anderen in zoverre feitelijke grondslag.

Aanvulling stukken

6.    [appellant sub 1] en anderen achten de bekendmaking van het bestreden besluit strijdig met het bepaalde in artikel 3:11, vierde lid, in samenhang bezien met artikel 3:16, eerste lid, van de Awb, nu in de publicatie staat dat stukken gedurende de terinzagelegging kunnen worden aangevuld met nieuwe relevante stukken en gegevens. Volgens [appellant sub 1] en anderen wordt niet voldaan aan de termijn van zes weken indien stukken na aanvang van de terinzagelegging worden toegevoegd.

6.1.    De raad stelt dat op grond van het bepaalde in artikel 3:14 van de Awb het aanvullen van nieuwe relevante stukken en gegevens is toegestaan teneinde het dossier actueel te houden.

6.2.    Ingevolge artikel 3:14, eerste lid, van de Awb vult het bestuursorgaan de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens.

Ingevolge artikel 3:14, tweede lid, van de Awb is artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, van toepassing.

6.3.    Artikel 3:14, eerste lid, van de Awb kent de verplichting om de ter inzage gelegde stukken aan te vullen met nieuwe relevante stukken en gegevens. Niet valt dan ook in te zien waarom niet in de bekendmaking kon worden vermeld dat de ter inzage gelegde stukken tijdens de terinzagelegging mogelijk kunnen worden aangevuld. Overigens is niet gebleken dat de ter inzage gelegde stukken zijn aangevuld.

Het betoog faalt.

Reactienota

7.    [appellanten sub 2] betogen dat de reactienota zienswijzen ten onrechte niet digitaal beschikbaar is gesteld.

7.1.    De raad stelt dat het bestreden besluit inclusief de reactienota zienswijzen is verstuurd aan een ieder die een zienswijze heeft ingediend en dat [appellanten sub 2] derhalve niet in hun belangen zijn geschaad.

7.2.    Ingevolge artikel 3.8, derde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, stellen burgemeester en wethouders het besluit tot vaststelling van het plan met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar.

7.3.    De reactienota "zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Balk-Boslust Zuidwest" maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van het plan en dient derhalve ingevolge artikel 3.8, derde lid, van de Wro langs elektronische weg beschikbaar te zijn. Deze beroepsgrond ziet echter op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit, die reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. De Afdeling overweegt overigens dat, nu [appellanten sub 2] kennis hebben kunnen nemen van de reactienota zienswijzen door toezending hiervan, niet aannemelijk is dat zij op dit punt in hun belangen zijn geschaad.

Het betoog faalt.

Milieueffectrapportage

8.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad heeft nagelaten te onderzoeken of het plan aanzienlijke gevolgen heeft voor het milieu voor zover het omstandigheden betreft als bedoeld in bijlage III van de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten - zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 (hierna: bijlage III van de richtlijn). Volgens [appellant sub 1] en anderen voorziet het plan in een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit).

8.1.    De raad stelt dat niet wordt voldaan aan de in het Besluit opgenomen drempelwaarden. De raad stelt voorts dat in de plantoelichting afdoende wordt ingegaan op de verschillende omgevings- en milieuaspecten als gevolg van de in het plan voorziene veertien woningen.

8.2.    Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het bestreden besluit, worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

Ingevolge categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het bestreden besluit, dient beoordeeld te worden of een besluit-milieueffectrapport dient te worden gemaakt, in het kader van een bestemmingsplan dat voorziet in de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, het een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen betreft of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer omvat.

8.3.    Niet in geschil is dat het plan voorziet in de realisering van veertien woningen. Derhalve wordt de in categorie 11.2 van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit genoemde drempelwaarde niet overschreden. De door [appellant sub 1] en anderen gestelde samenhang met andere bestemmingsplannen binnen de gemeente Gaasterlân-Sleat geeft geen aanleiding voor een andere conclusie.

Voorts hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat andere factoren, zoals de ligging van het plangebied, aanwezig zijn als bedoeld in bijlage III van de richtlijn in verband waarmee, ondanks het feit dat de omvang van het project aanzienlijk onder de drempelwaarde blijft, ook bij het niet overschrijden van de drempelwaarde toch een m.e.r.-beoordeling had moeten worden gemaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de door Altenburg & Wijmenga verrichte onderzoeken "Ecologische aspecten van de structuurschets Balk" van 23 december 2004 en "Ecologische beoordeling herinrichtingsplan zuidoostzijde Balk" van 21 oktober 2010 blijkt dat het plangebied op ruime afstand ligt van de Natura 2000-gebieden en dat, gelet op de afstand tot de Ecologische Hoofdstructuurgebieden (hierna: de EHS-gebieden) en de in het plan voorziene kleinschalige ontwikkeling, wordt verwacht dat het plan geen negatieve invloed op de EHS-gebieden met zich brengt.

Het betoog faalt.

Nationaal Landschap

9.    [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat het plan in strijd is met de uitgangspunten van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân. Uit het plan noch uit het beeldkwaliteitsplan blijkt dat met het plan de kwaliteiten van het Nationaal Landschap behouden blijven, laat staan hierdoor worden versterkt, aldus [appellant sub 1] en anderen. Volgens [appellant sub 1] en anderen heeft het plan een aantasting van de ter plaatse aanwezige waardevolle open ruimte tot gevolg en doet het plan afbreuk aan de belevingswaarde van de nieuwe dorpsrand. [appellanten sub 2] voeren aan dat de raad in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft nagelaten te onderzoeken of de in het plan voorziene ontwikkeling voldoet aan de eisen van het Nationaal Landschap.

[appellant sub 1] en anderen betogen voorts dat het aanbrengen van een groene afscherming in de vorm van een bos, welke nodig is voor de landschappelijke inpassing van de voorziene woningen, onvoldoende door het plan wordt gewaarborgd, hetgeen volgens hen in strijd is met de brief van het college van gedeputeerde staten van Friesland van 24 augustus 2010.

9.1.    De raad stelt dat op grond van het Streekplan 2007 voor ontwikkelingen in het Nationaal Landschap een "ja, mits-principe" geldt. Volgens de raad worden, mede gelet op de ligging van het plangebied direct tegen de bestaande kern, de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap niet aangetast. In de bestaande situatie is reeds sprake van een overgang van achterkantsituaties van woningen en verandert de overgang op perceelsniveau naar het omliggende landschap derhalve niet. De ruime opzet van de kavels en het omliggende groen zal zorgen voor een goede landschappelijke inpassing, aldus de raad.

De raad stelt voorts dat als gevolg van de realisering van het plan bos zal worden gekapt waarvoor een herplantingsplicht geldt. Nu de gronden waarop deze compensatie zal plaatsvinden in eigendom van de gemeente zijn, heeft de raad het niet noodzakelijk geacht een verplichting tot het aanleggen van een bos op te nemen in het plan.

9.2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan is de raad niet gebonden aan beleid van het Rijk dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

In de plantoelichting staat dat de gemeente Gaasterlân-Sleat deel uit maakt van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân, waarvoor het "ja, mits-principe" geldt. Dit houdt in dat er wel ontwikkelingen mogelijk zijn, maar dat hierbij de (kern)kwaliteiten van het Nationale Landschap behouden moeten blijven of zelfs versterkt moeten worden. In dit deel van Friesland is de afwisseling van verschillende landschappen en elementen een kernkwaliteit. De in het plan voorziene bebouwing gaat de overgang van de bebouwde kom naar het open landschappelijk gebied bepalen. De strook tussen deze bebouwing en de aanwezige provinciale weg krijgt, mede vanwege de ligging in het Nationaal Landschap, een overwegend groene invulling. Het groene karakter van het gebied wordt benadrukt door de ruime opzet van het plan. In het plangebied wordt een brede afscheiding met groen en water gerealiseerd tussen de nieuwbouw en de bestaande woningen aan It Hoefizer. Voorts wordt wat betreft de bouwstijl van de voorziene woningen aansluiting gezocht bij de woningen in Boskrânne, aldus de plantoelichting.

Gelet op het voorgaande heeft de raad bij de vaststelling van het plan rekening gehouden met het beleid van het Rijk ten aanzien van het Nationaal Landschap. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met voornoemd beleid tot stand is gekomen. In het aangevoerde ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot zodanige aantasting van het open landschap dat de raad daaraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

De betogen falen in zoverre.

9.3.    Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de landschappelijke inpassing door middel van het aanleggen van een bos onvoldoende wordt gewaarborgd in het plan, overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting staat dat ten behoeve van de realisatie van het bestemmingsplan "Op ‘e Golfbaan" 6.816 m² bos wordt gekapt. Het te kappen bos is jong ruilverkavelingsbos en dient gecompenseerd te worden met 10.224 m² te planten bos. In het plangebied wordt 10.000 m² grasland, dat grenst aan het Balkster bos, ingeplant en bij het Balkster bos getrokken. In de plantoelichting staat voorts dat voor het compenseren van het gekapte bos op de locatie Op é Golfbaan in de exploitatieopzet van dat plan een bedrag is gereserveerd. Dit bedrag wordt gebruikt voor het aanleggen van het bos in het onderhavige plangebied.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat de provincie een compensatieplicht heeft opgelegd voor het kappen van de bomen ten behoeve van de locatie Op é Golfbaan. De raad heeft ter zitting voorts verklaard dat de gemeente zich aan voornoemde verplichting zal houden en de benodigde gronden hiervoor in eigendom heeft.

In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op de ter zitting door de raad als eigenaar gedane toezegging, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van het bos als landschappelijke inpassing van de voorziene woningen voldoende is gewaarborgd.

Het betoog faalt.

Provinciaal beleid / provinciale verordening

10.    [appellanten sub 2] betogen dat het plan in strijd is met de provinciale verordening "Romte Fryslân" (hierna: de Verordening) en het Streekplan Fryslân, vastgesteld op 13 december 2006 (hierna: het Streekplan). Volgens hen is het plangebied buiten de bebouwde kom gelegen en mag alleen binnen de bebouwde kom worden gebouwd. Voorts is volgens [appellanten sub 2] door de raad niet onderbouwd waarom het plangebied buiten de bebouwde kom geschikt is voor de voorziene woningbouw, nu binnen de bebouwde kom voldoende alternatieven voorhanden zijn. Zij betogen tot slot dat alleen woningbouw mag plaatsvinden ten behoeve van de eigen behoefte.

10.1.    De raad stelt dat de Verordening uitsluitend van toepassing is op nieuwe bestemmingsplannen en dat het onderhavige plan gelet op artikel 12.2.2 van de Verordening niet onder de werking van de Verordening valt. De raad stelt voorts dat Balk op grond van het Streekplan is aangemerkt als regionaal centrum en derhalve een functie heeft ten behoeve van de regionale woningbehoefte waardoor de beperking dat alleen voor de eigen bevolking mag worden gebouwd, niet geldt.

10.2.    De Verordening is door provinciale staten van Fryslân vastgesteld op 15 juni 2011 en in werking getreden per 1 augustus 2011.

Ingevolge artikel 12.2.2 van de Verordening zijn de bepalingen van de Verordening niet van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht of ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat voor de datum van inwerkingtreding van deze Verordening in werking is getreden en onherroepelijk is, of in een ruimtelijk plan dat voor de datum van inwerkingtreding van deze Verordening formeel in ontwerp ter inzage is gelegd volgens de daarvoor geldende wettelijke procedures.

Nu het ontwerpplan met ingang van 10 december 2010 ter inzage heeft gelegen, is de Verordening ingevolge artikel 12.2.2 niet van toepassing op het bestreden besluit.

Het betoog van [appellanten sub 2] faalt in zoverre.

10.3.    De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan het provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad hiermee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

In de plantoelichting staat dat het ruimtelijk beleid van de provincie een belangrijk kader vormt voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is onder meer neergelegd in het Streekplan. Balk is in het Streekplan aangewezen als één van de regionale centra. Deze centra hebben een regionale verzorgingsfunctie en vormen essentiële schakels tussen de vele kleine kernen in hun omgeving en de stedelijke centra. Naast de toeristische betekenis van Balk, is het dorp een concentratiepunt voor voorzieningen, bedrijven en wonen in de regio. De uitgangspunten van het Streekplan zien op bundeling en concentratie van wonen en werken en een robuust draagvlak voor voorzieningen door onder meer het behoud en verdere ontwikkeling van aantrekkelijke woonmilieus voor opvang van de woningbehoefte in de regio. Daarbij wordt uitgegaan van een meer dan evenredige woningtoename in de regionale centra. In het Streekplan wordt voorzien in ruimte voor gemeenten om de regionale potenties in te zetten; beleid hiervoor kan onder meer in bestemmingsplannen worden neergelegd, aldus de plantoelichting.

Gelet op het voorgaande heeft de raad bij de vaststelling van het plan rekening gehouden met het beleid van de provincie ten aanzien van woningbouw. In [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met voornoemd beleid tot stand is gekomen. Voor zover [appellanten sub 2] betogen dat volgens het provinciale beleid alleen woningbouw mag plaatsvinden binnen de bebouwde kom en ten behoeve van de eigen behoefte, overweegt de Afdeling dat, nu Balk in het Streekplan is aangewezen als regionaal centrum, Balk daarmee een functie heeft toebedeeld gekregen in het opvangen van de regionale woningbehoefte. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beperking dat alleen voor de eigen behoefte en binnen de bebouwde kom mag worden gebouwd niet geldt.

Het betoog faalt.

Gemeentelijk beleid

11.    [appellanten sub 2] betogen dat de door de raad op 15 maart 2007 vastgestelde visie "Bouwen aan Balk" (hierna: de visie) geen ruimtelijke visie is op basis waarvan ruimtelijk beleid kan worden ontwikkeld en dat deze visie derhalve niet kan dienen als ruimtelijke grondslag voor het plan. Volgens hen diende een herijking van de visie plaats te vinden naar aanleiding van de wijzigingen op de woningmarkt en de demografische ontwikkelingen. Voorts is het plan volgens [appellanten sub 2] in strijd met het raadsprogramma.

11.1.    De raad stelt dat in de visie een ruimtelijke onderbouwing is gegeven voor de locaties die als eerste voor nieuwbouw van woningen in aanmerking komen. Volgens de raad wordt voldaan aan de speerpunten die zijn opgenomen ten aanzien van wonen en leefbaarheid in het raadsprogramma 2010-2014.

11.2.    In de plantoelichting staat dat de visie een ruimtelijk raamwerk tot 2030 betreft, welke richtinggevend is voor en ruimte biedt aan nieuwe ontwikkelingen in Balk. In de visie zijn de programma’s voor wonen, werken en voorzieningen en de ambities voor de ruimtelijke kwaliteit vertaald naar een langetermijnvisie voor Balk. Het uitvoeringsprogramma 2010 behelst de eerste stappen waarin wordt toegewerkt naar het in de visie vastgelegde toekomstbeeld. In de visie worden onder meer uitgangspunten, randvoorwaarden en de situering toegelicht van de woningbouwprojecten, waarvan het onderhavige plan er één is.

[appellanten sub 2] hebben hun standpunt dat de visie, die in de plantoelichting als breder kader wordt aangehaald, geen ruimtelijke visie zou zijn op basis waarvan ruimtelijk beleid kan worden ontwikkeld, niet nader onderbouwd. In hetgeen zij hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze visie heeft kunnen betrekken bij de vaststelling van het plan. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met het raadsprogramma.

Het betoog faalt.

Woningbehoefte

12.    [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat geen behoefte bestaat aan uitbreiding van het aantal woningen in Balk. [appellant sub 1] en anderen voeren hiertoe aan dat reeds diverse woningbouwlocaties door andere bestemmingsplannen mogelijk zijn gemaakt en dat de in dit plan voorziene woningen dan ook niet nodig zijn. Momenteel staan volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] vele woningen in Balk te koop en daalt het aantal inwoners van Gaasterlân-Sleat. De raad heeft nagelaten door middel van demografisch onderzoek dan wel een onderzoek naar de woningbehoefte aan te tonen dat op middellange termijn een ruimere behoefte bestaat aan woningbouw in het segment waarin het plan voorziet, aldus [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2]. [appellanten sub 2] wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010 in zaak nr. 200905415/1/R3, waarin de Afdeling heeft overwogen dat de raad inzichtelijk dient te maken in hoeverre met een krimpende bevolking is rekening gehouden.

12.1.    De raad stelt dat afspraken zijn gemaakt met de provincie Fryslân om 100 woningen te realiseren. Uit de provinciale cijfers blijkt dat er tot 2025 behoefte blijft bestaan aan nieuwe woningen. De raad verwijst in dit verband naar de notitie "Woningbehoefte in Balk" (hierna: de notitie).

De raad stelt voorts dat een herverkaveling naar meer compacte kavels ter plaatse heeft plaatsgevonden om te voldoen aan de vraag hiernaar. Volgens de raad zijn er genoeg belangstellenden voor voornoemde kavels.

12.2.    In de plantoelichting staat dat bij brief van 16 december 2009 tussen de gemeente en de provincie nieuwe woningbouwafspraken tot 2016 zijn vastgelegd. Anders dan in andere regio ‘s in de provincie is hier gekozen voor woningbouwafspraken per gemeente. Er zijn zowel kwantitatieve als kwalitatieve afspraken gemaakt. Kwantitatief is ingestemd met het provinciale uitgangspunt om de eerder afgesproken woningbouwruimte tot 2010 in tijd door te schuiven naar 2016. In totaal gaat het volgens de plantoelichting om 274 woningen in de periode 2008 tot 2016. De gemeente kiest voor de variant om een maximum te stellen aan buitenstedelijke invulling (60%), en voor de mogelijkheid om binnenstedelijk desgewenst meer dan de complementaire 40% te bouwen ("plafondloos bouwen"). Dit betekent dat in de periode 2008 tot 2016 164 wooncontingenten beschikbaar zijn voor buitenstedelijke dan wel dorpse uitbreiding, aldus de plantoelichting.

In de notitie wordt ingegaan op de verwachte demografische ontwikkelingen in relatie tot de voorziene woningbouw. Hieraan ligt onder meer het rapport "Krimp en groei, Demografische verandering in de provincie Fryslân" ten grondslag. Uit de notitie blijkt dat weliswaar de bevolking binnen de gemeente zal afnemen, maar dat het aantal huishoudens zal gaan toenemen. Gelet hierop zal volgens de notitie de woningvoorraad met dezelfde omvang dienen toe te nemen, waarbij deze zal moeten worden afgestemd op de aard van de woningbehoefte.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat met de provincie de woningbehoefte in regionaal verband is bekeken waarbij, rekening houdend met de economische en demografische ontwikkelingen, de in de plantoelichting genoemde hoeveelheid wooncontingenten beschikbaar zijn tot 2020. In reactie op het betoog van appellanten dat momenteel veel woningen te koop staan, heeft de raad voorts ter zitting toegelicht dat deze leegstand niet significant afwijkt van de rest van de regio en zich voordoet binnen een ander woningsegment dan waarin het plan beoogt te voorzien.

12.3.    Gelet op het vorenoverwogene heeft de raad de demografische en economische ontwikkelingen in zijn afweging betrokken. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat binnen de planperiode behoefte bestaat aan de veertien voorziene woningen. De stelling van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] dat de noodzaak van de woningbouw is weggevallen door de economische crisis maakt dit, gelet op de periode waarover het plan zich uitstrekt, niet anders. Voorts treft de verwijzing van [appellanten sub 2] naar de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010 geen doel, nu de raad, gelet op de notitie, rekening heeft gehouden met de demografische ontwikkelingen binnen de regio.

De betogen falen.

Aanleg sloot

13.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de toegezegde te realiseren sloot ter breedte van tien meter niet wordt gewaarborgd in het plan.

13.1.    De raad stelt dat de bestemming "Water" het niet mogelijk maakt de gronden met die bestemming anders in te richten of te gebruiken dan de  bestemming toelaat. De gronden zijn in eigendom van de gemeente en zullen worden ingericht in overeenstemming met de bestemming, aldus de raad.

13.2.    De Afdeling overweegt dat de bestemming "Water" uitsluitend water en daaraan ondergeschikte voorzieningen toelaat. Gelet hierop en gezien het feit dat de gronden in eigendom zijn van de gemeente ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de realisatie van deze bestemming onvoldoende is gewaarborgd.

Het betoog faalt.

Ontsluiting plangebied

14.    [appellant sub 1] en anderen betogen, voor zover het [4 der appellanten sub 1] betreft, dat als gevolg van de aan hun woningen grenzende ontsluiting, zij onevenredig zullen worden geschaad in hun privacy en woongenot. Volgens hen zal het autoverkeer overlast veroorzaken in de vorm van geluid, uitlaatgassen en lichthinder.

14.1.    De raad stelt dat, gezien de kleinschalige uitbreiding die het plan mogelijk maakt, slechts sprake zal zijn van een lichte stijging van het aantal verkeersbewegingen. Nu het gaat om een 30 km/uur-gebied zal het plan volgens de raad niet leiden tot onevenredige overlast ter plaatse. De bestaande wegenstructuur kan de lichte verkeerstoename gemakkelijk verwerken, aldus de raad.

14.2.    In de plantoelichting staat dat met uitzondering van de Suderseewei de hele bebouwde kom van Balk is aangewezen als 30 km/uur-gebied. Hiervoor geldt op grond van de Wet geluidhinder geen voorkeursgrenswaarde, aldus de plantoelichting.

Gelet op het aantal in het plan voorziene woningen, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat slechts sprake zal zijn van een lichte stijging van het aantal verkeersbewegingen aannemelijk. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen onaanvaardbare toename van de geluidbelasting te verwachten valt. Voorts hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat, gelet op de geringe verkeerstoename, niettemin moet worden gevreesd voor ernstige overlast in de vorm van lichthinder.

14.3.    Ingevolge de Wet milieubeheer is van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze "niet in betekenende mate" bijdragen aan de luchtverontreiniging. Projecten die "niet in betekenende mate" bijdragen aan de luchtverontreiniging mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Deze projecten betreffen onder meer: woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen. Het plan maakt de bouw van veertien woningen mogelijk, waarvoor één ontsluitingsweg aanwezig is. De regeling "niet in betekenende mate" is derhalve van toepassing, waardoor niet behoeft te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in verband met de luchtkwaliteit het plan niet had mogen vaststellen. Ten aanzien van de gevreesde hinder overweegt de Afdeling dat gezien de geringe verkeerstoename [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat moet worden gevreesd voor ernstige hinder.

14.4.    Gezien de afstand van de voorziene ontsluiting tot de desbetreffende woningen van appellanten van minimaal ongeveer 20 m ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten inzien dat het plan een ernstige inbreuk vormt op hun privacy.

Gelet op het vorenoverwogene ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat voor appellanten.

Het betoog faalt.

[appellant sub 1 A]

15.    [appellant sub 1] en anderen, voor zover het [appellant sub 1 A] betreft, voeren aan dat het plan ten onrechte woningbouw mogelijk maakt ten opzichte van het vorige plan. [appellant sub 1 A] betoogt dat hij zich wat betreft de planologische mogelijkheden mocht baseren op het vorige plan en dat hiervan alleen mag worden afgeweken indien zwaarwegende motieven aanwezig zijn. Voorts zijn de belangen van [appellant sub 1 A] onvoldoende betrokken in de besluitvorming ten aanzien van het plan. Volgens hem doet het gewijzigde uitzicht ernstig afbreuk aan zijn woongenot en leidt het plan tot een waardedaling van zijn woning. Gelet op het voorgaande is het plan in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel vastgesteld, aldus [appellant sub 1 A].

15.1.    De raad stelt dat aan een bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Volgens de raad is de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt vanuit het oogpunt van volkshuisvesting nodig en is de desbetreffende locatie ruimtelijk goed inpasbaar.

15.2.    De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. Niet in geschil is dat het plan zal leiden tot enige aantasting van het huidige uitzicht vanaf de woning van [appellant sub 1 A]. In dit verband merkt de Afdeling echter op dat geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 1 A] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang van volkshuisvesting dan aan het belang dat [appellant sub 1 A] heeft bij het behoud van de planologische mogelijkheden op grond van het vorige plan.

Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

16.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de financiële onderbouwing van het plan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. Volgens hen is geen inzicht verschaft in de directe aan de realisering van het plan inherente kosten zoals de aanleg van de benodigde infrastructuur en de plankosten. Evenmin is inzicht geboden in de kosten als gevolg van de tegemoetkoming in planschade, aldus [appellant sub 1] en anderen.

16.1.    De raad stelt dat het plangebied in eigendom is van de gemeente en tevens in ontwikkeling zal worden gebracht door de gemeente. De uitgifteprijs van de kavels is volgens de raad zodanig dat wordt uitgegaan van een positieve opbrengst. In deze uitgifteprijs zullen de kosten van het bouw- en woonrijp maken van de gronden worden verdisconteerd. De raad stelt voorts dat in overeenstemming met de nota Grondbeleid van 21 december 2011 in de uitgifteprijs een bijdrage is verwerkt voor planschade.

16.2.    In de plantoelichting staat dat de bouwrijpe gronden door de gemeente zelf worden verkocht. De gemaakte kosten voor het bouwrijp maken van de gronden en het opstellen van dit plan worden verhaald via verkoopovereenkomsten van de kavels. Het plangebied is geheel in eigendom van de gemeente. De boekwaarde van de locatie is volgens de plantoelichting zeer gering. Rekening houdend met deze boekwaarde, de voorbereidingskosten, de bijdragen aan de binnen de gemeente Gaasterlân-Sleat gebruikelijke bovenwijkse voorzieningen, de kosten voor bouw- en woonrijp maken en de verwachte opbrengsten van de kavels verwacht de raad een positieve netto opbrengst, aldus de plantoelichting.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat de boekwaarde nihil is en alle grond die wordt verkocht als winst kan worden beschouwd.

Naar het oordeel van de Afdeling biedt de plantoelichting voldoende inzicht in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door de raad, als eigenaar van de desbetreffende gronden, gestelde dekking van de kosten voor de realisering van het plan onvoldoende is gegarandeerd. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen betogen, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten tijde van de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan financieel uitvoerbaar is.

Het betoog faalt.

Zienswijze

17.    [appellanten sub 2] hebben zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellanten sub 2] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog faalt.

Conclusie

18.    Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is niet-ontvankelijk

In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] zijn ongegrond.

Proceskosten

19.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 3] en anderen niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten    w.g. Postma

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

539-690.