Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201200881/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herroeping intrekking verleende vergunning om met een woonschip ligplaats in te nemen.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de roef de op grond van de Verordening toegestane maximale hoogte met 31 cm. overschrijdt. Met de rb. is de Afdeling verder van oordeel dat het college om die reden op grond van art. 11, tweede lid, onder c, van de Verordening bevoegd was de aan belanghebbende verleende vergunning in te trekken. De rb. heeft in dit verband tevens op goede gronden overwogen dat het college de ligplaatsvergunning bij besluit van 1 juli 2008, op basis van de door belanghebbende overgelegde tekening met de maatvoeringen, heeft verleend, hoewel het op de hoogte was, althans had kunnen zijn van het feit dat met de roef de op grond van de Verordening maximaal toegestane hoogte zou worden overschreden. Gelet hierop heeft de rb. terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college onder die omstandigheden gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de aan belanghebbende verleende vergunning dan wel dat het handhavend had moeten optreden, zoals door appellant ter zitting is betoogd. De Afdeling acht bij haar oordeel van belang dat de bij besluit van 1 juli 2008 verleende ligplaatsvergunning in rechte onaantastbaar is, omdat daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend en dat een ander oordeel zou afdoen aan de rechtszekerheid die de in rechte onaantastbare vergunning met zich brengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201200881/1/A3.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 13 december 2011 in zaak nr. 10/386 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2009 heeft het college de bij besluit van 1 juli 2008 aan [belanghebbende] verleende vergunning om met het [woonschip], (hierna: het schip) ligplaats in te nemen aan de [locatie] te Groningen, ingetrokken.

Bij besluit van 19 maart 2010 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 25 mei 2009 herroepen.

Bij uitspraak van 13 december 2011, verzonden op 15 december 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende], die door de Afdeling in de gelegenheid is gesteld om op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan het geding deel te nemen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, het college, vertegenwoordigd door mr. I. Simonides, werkzaam bij de gemeente en [belanghebbende], bijgestaan door K. Koetje, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Verordening openbaar vaarwater 2006 van de gemeente Groningen (hierna: de Verordening) wordt verstaan onder:

(…);

b. kanaalvak: een gedeelte van het openbaar vaarwater bestemd voor het innemen van één of meer ligplaatsen;

c. ligplaats: plaats in het water, die door een woon-, bedrijfs-, recreatie- of beroepsschip bij verblijf wordt ingenomen;

(…);

n. niet-kwetsbaar schip:

1. schepen als bedoeld onder p en q van dit artikel

2. in geval van andere schepen: een schip

- dat van staal is gebouwd;

- waarvan de hoogte boven water van de waterlijn tot het laagst gelegen punt waarboven de romp van een vaartuig niet meer waterdicht is (vrijboord) tenminste 60 cm is;

- waarvan de bovenbouw aan beide zijden tenminste 40 cm binnen de grootste breedte van de romp van het schip blijft (gangboord);

- dat is voorzien van deugdelijke bolders, die zowel vanaf de wal als vanaf het water bereikbaar zijn;

- dan wel een anderszins gebouwd schip dat aan de criteria onder 3º en 4º voldoet, en waarvan door een scheepsbouwkundig expertisebureau aan de hand van een constructiebeoordeling en een sterkteberekening wordt aangetoond dat de niet-kwetsbaarheid gelijkwaardig is aan dat van een schip dat (ook) aan de onder de 1º en 2º genoemde criteria voldoet;

(…)

p. authentiek schip: een schip dat:

1. voorheen is gebruikt ter uitoefening van een beroep zoals ten behoeve van de beroepsvaart of de visserij of als sleepboot; en

2. door het behoud van de oorspronkelijke casco-met-opbouw de oorspronkelijke contouren niet wezenlijk verloren heeft;

q. historisch schip: een authentiek schip dat aan de criteria van de Federatie Oud Nederlandse Vaartuigen (FONV) voldoet;

r. maatvoering: in deze verordening wordt verstaan onder:

1º lengte schip: de afstand tussen voor- en achterkant van een schip over alles gemeten, inclusief eventuele aanbouwsels, maar exclusief roer en een eventuele boegspriet of kluiverboom;

2º breedte schip: de afstand tussen de zijkanten van het schip, daarin begrepen gangboorden en eventuele aanbouwsels aan de zijkanten;

3º (bouw)hoogte schip: de afstand tussen de waterlijn en de bovenkant (dek of dak) van het schip, masten, antennes en schoorstenen daaronder niet begrepen.

Ingevolge artikel 6, derde lid, is het verboden met een ander dan een niet-kwetsbaar schip een ligplaats in te nemen of te hebben in de door burgemeester en wethouders aan te wijzen kanaalvakken voor niet-kwetsbare schepen.

Ingevolge het vierde lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod van het derde lid.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, worden als standaardbepaling, met inachtneming van de definities en mits de nautische situatie ter plaatse een en ander mogelijk maakt, de volgende maten gehanteerd:

a. de maximale lengte mag 26 meter bedragen;

b. de maximale breedte mag 5.10 meter bedragen;

c. de maximale hoogte mag 3.50 meter boven de waterlijn bedragen, met dien verstande dat:

1º - het hoogste punt van (de hoofdmassa van) een schip niet meer dan 1.50 meter boven de aanliggende kade of oever mag uitsteken, gemeten bij het gemiddelde waterpeil in het kanaalvak. Het college kan van deze maatvoeringsbepaling ontheffing verlenen in geval de feitelijke omstandigheden het onmogelijk maken om ter plaatse ligplaats in te nemen;

2º - voor maximaal 25 % van het totaal aanwezige horizontale oppervlak van het schip, kajuiten en andere ondergeschikte dakopbouwen tot een hoogte van maximaal 5 meter boven de waterlijn zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, kan de vergunning worden ingetrokken of gewijzigd:

a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd in het belang of de belangen van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne of het aanzien van de gemeente;

c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

(…).

Ingevolge het tweede lid, kan, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, een vergunning voor een woonschip eveneens worden gewijzigd of ingetrokken:

(…);

c. indien de houder van de vergunning of ontheffing de bepalingen in deze verordening, de nadere regels als bedoeld in artikel 5, dan wel de voorschriften behorende bij de vergunning of ontheffing overtreedt;

d. bij vergroting of substantiële wijziging van het schip zonder daarvoor verkregen vergunning of ontheffing.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, mogen in de kanaalvakken die vallen onder c.q. grenzen aan die gebieden die zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht, enkel authentieke schepen ligplaats innemen.

Ingevolge het tweede lid kunnen in de kanaalvakken als bedoeld in het eerste lid ook schepen ligplaats innemen die voor wat betreft hun uiterlijke verschijningsvorm in overwegende mate gelijkenis vertonen met de in het vorige lid bedoelde schepen.

2.    Het college heeft de aan [belanghebbende] verleende ligplaatsvergunning op grond van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verordening ingetrokken, omdat ligplaats wordt ingenomen met een niet-authentiek schip als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Verordening en met dat schip de maximaal toegestane hoogte als neergelegd in artikel 7, eerste lid, onder c, sub 1°, van de Verordening wordt overschreden.

In het besluit van 19 maart 2010 heeft het college overwogen dat de door [belanghebbende] bij de aanvraag overgelegde tekening geen deel uitmaakt van de verleende ligplaatsvergunning. Dat het afgemeerde schip door de breedte van de geplaatste opbouw dan wel de breedte van de gangboord afwijkt van die tekening, betekent volgens het college niet dat ligplaats wordt ingenomen in strijd met de vergunning. Vervolgens heeft het college overwogen dat het schip niet is aan te merken als een authentiek schip als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder p, van de Verordening. Het schip vertoont echter wat zijn uiterlijke verschijningsvorm betreft in overwegende mate gelijkenis met een authentiek schip en om die reden kan het op grond van artikel 20, tweede lid, van de Verordening ligplaats innemen in het kanaalvak aan de Dr. C. Hofstede de Grootkade, aldus het college. Het schip is verder niet aan te merken als een niet-kwetsbaar schip als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder n, sub 2, van de Verordening, omdat het gangboord aan weerszijden van de geplaatste opbouw niet de vereiste breedte van 40 cm heeft. Het college heeft evenwel aanleiding gezien om op grond van artikel 6, vierde lid, van de Verordening bij het besluit van 19 maart 2010 ontheffing te verlenen van het verbod om ter plaatse ligplaats in te nemen met een ander dan een niet-kwetsbaar schip.

Wat de overschrijding van de maximaal toegestane hoogte van het schip betreft, heeft het college overwogen dat de roef ongeveer 31 cm hoger is dan op grond van artikel 7, eerste lid, onder c, sub 1°, van de Verordening is toegestaan, hetgeen een overtreding van die bepaling oplevert. Handhavend optreden is echter zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat volgens het college in dit concrete geval van dat optreden moet worden afgezien. Het heeft daartoe overwogen dat de roef nu juist een authentiek onderdeel is van het schip dat van geringe invloed is op de contouren van het schip en dat met deze geringe overtreding geen afbreuk wordt gedaan aan het oogmerk van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, onder c, sub 1°, van de Verordening.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat uit de aanvraag en de daarbij gevoegde tekening van [belanghebbende] is af te leiden dat het college heeft beoordeeld of het schip een authentiek schip is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder p, van de Verordening en dat gelet op het feit dat vergunning is verleend, het college tot de conclusie is gekomen dat het een authentiek schip betreft. Verder heeft het college, volgens de rechtbank, in dat verband tevens geconcludeerd dat het schip een niet-kwetsbaar schip is.

Vervolgens heeft de rechtbank aan de hand van de bij de aanvraag overgelegde tekening onderzocht of het schip, waarmee na verlening van de vergunning ligplaats is ingenomen, overeenkomstig die vergunning is. De rechtbank heeft in dat verband geoordeeld dat, gezien de grootte van het schip, de afwijkingen in de maatvoeringen van het afgemeerde schip ten opzichte van de maatvoering die gelet op de tekening is vergund, dusdanig marginaal zijn dat geen grond bestaat voor het oordeel dat in strijd met de bepalingen van de vergunning ligplaats is ingenomen. Daartoe heeft de rechtbank verder vastgesteld dat de contouren van het schip niet wezenlijk afwijken van hetgeen op de tekening is weergegeven en dat het schip wat de gangboorden betreft in redelijke mate overeenstemt met de bij de aanvraag overgelegde tekening.

Volgens de rechtbank is met de verlening van de vergunning tevens beoordeeld of de hoogte van het schip toelaatbaar is op grond van de Verordening. Daarmee staat vast dat artikel 11, tweede lid, onder c, van de Verordening niet aan [belanghebbende] kan worden tegengeworpen en niet als grond kan dienen om de ligplaatsvergunning in te trekken, aldus de rechtbank. Verder is volgens de rechtbank niet gebleken dat [belanghebbende] onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt ter verkrijging van de vergunning, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening. Het college heeft het standpunt mogen innemen dat het schip niet substantieel is vergroot dan wel substantieel is gewijzigd ten opzichte van de verleende vergunning. De rechtbank heeft geconcludeerd dat geen gronden bestaan om de bij besluit van 1 juli 2008 verleende vergunning in te trekken. Gelet daarop bestaat eveneens geen grond voor handhavend optreden, aldus de rechtbank.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat door de aanvrager ter verkrijging van de vergunning onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt. Uit de tekst van artikel 11, eerste lid, onder a, van de Verordening noch uit de toelichting op die bepaling volgt dat deze bepaling slechts kan worden toegepast indien opzettelijk onjuiste gegevens zijn verstrekt. Volgens [appellant] staat vast dat onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt, omdat de tekening afwijkt van het schip dat ligplaats heeft ingenomen. [belanghebbende] heeft met het overleggen van de tekening een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. Indien [belanghebbende] juiste informatie had verstrekt, bijvoorbeeld over de hoogte van de roef die in strijd is met artikel 7, eerste lid, onder c, sub 1°, van de Verordening, dan was de vergunning niet verleend.

4.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college het standpunt mocht innemen dat niet is gebleken dat [belanghebbende] bij de aanvraag onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt ter verkrijging van de bij besluit van 1 juli 2008 verleende vergunning. Vast staat dat de vergunning is aangevraagd ten behoeve van [schip] maar dat het schip ten tijde van de aanvraag werd verbouwd. Verder is tussen partijen niet in geschil dat [belanghebbende] bij de aanvraag voor de ligplaatsvergunning ten behoeve van de beoordeling ervan een (bouw)tekening heeft overgelegd van het schip zoals dat gerealiseerd zou worden. Na verlening van de vergunning is vervolgens met het [woonschip] daadwerkelijk ligplaats ingenomen. Dat achteraf bezien het verbouwde schip, mede wat de maatvoeringen betreft, afwijkt van de door [belanghebbende] overgelegde tekening, maakt echter niet dat reeds om die reden bij de aanvraag onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning.

Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt vervolgens dat de rechtbank heeft miskend dat [belanghebbende] de aan de vergunning verbonden voorschriften niet is nagekomen en dat de vergunning om die reden op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening voor intrekking in aanmerking komt. In dat verband is van belang dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de bij de aanvraag behorende tekening deel uitmaakt van de verleende ligplaatsvergunning en dat die tekening volgens [appellant] kan worden opgevat als een aan de vergunning verbonden voorschrift of beperking. Het schip wijkt af van de tekening, omdat de kajuit in werkelijkheid hoger is dan op de tekening is vermeld en omdat de gangboorden smaller zijn dan op de tekening is vermeld. Verder is volgens de tekening een schip vergund waarvan het hoogste punt 4,60 meter boven de waterlijn ligt, terwijl de stuurhut van het afgemeerde schip 5,43 meter boven de waterlijn ligt. Volgens [appellant] staat daarmee vast dat het schip in strijd met de verleende vergunning is afgemeerd, hetgeen dient te leiden tot intrekking van de vergunning op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening.

5.1.    Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college vergunning verleend aan [belanghebbende]. In deze vergunning is vermeld dat op grond van artikel 8, tweede lid, van de Verordening, tot wederopzegging, vergunning wordt verleend om met het woonschip genaamd [schip] met een lengte van 29,5 m., een breedte van 5,05 m. en een hoogte van 2,42 m. ligplaats in te nemen op de locatie [locatie] te Groningen. De in de vergunning vermelde afmetingen zijn, zoals het college gemotiveerd heeft gesteld, afkomstig uit de meetbrief behorende bij [schip].

Bij brief van 23 december 2010 heeft het college op verzoek van de rechtbank een overzicht van de resultaten verstrekt van door de afdeling Geo-informatie op 5 februari 2009 ter plaatse verrichte metingen en een toelichting gegeven op de maatvoering van het schip ten opzichte van de verleende vergunning en ten opzichte van de maatvoeringen als neergelegd in de Verordening.

De rechtbank heeft, naar aanleiding van die door het college verrichte metingen, vastgesteld dat in vergelijking met de door [belanghebbende] bij haar aanvraag overgelegde tekening, het voor- en achterdek van het schip iets lager zijn dan één van de opgegeven hoogtematen, dat de hoogte van de roef op het achterdek lager is dan de opgegeven 3,40 m. en dat de hoogte van het stuurhuis aan de voorkant ongeveer 10 cm. hoger en aan de achterkant ongeveer 20 cm. hoger is dan op de tekening is vermeld. Tussen partijen is in zoverre ook niet in geschil dat de maten van het schip waarmee ligplaats is ingenomen, afwijken van de maten zoals die zijn weergegeven op de door [belanghebbende] bij haar aanvraag overgelegde tekening.

Anders dan [appellant] betoogt, zijn de in de tekening opgenomen maten bij een vergunning als de onderhavige, waarbij vergunning is verleend voor het innemen van een ligplaats, evenwel niet op te vatten als aan de vergunning verbonden voorschriften. De Afdeling wijst in dit verband op het onderscheid tussen artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c en artikel 11, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verordening.

De Afdeling is daarom van oordeel dat het college, anders dan [appellant] betoogt, reeds om die reden niet bevoegd was op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening de aan [belanghebbende] verleende vergunning in te trekken.

6.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat [belanghebbende] in strijd met artikel 7, eerste lid, onder c, sub 1°, van de Verordening, ligplaats heeft ingenomen met het schip en dat het college om die reden op grond van artikel 11, tweede lid, onder c, van de Verordening de vergunning had moeten intrekken. Daarbij wijst [appellant] er op dat met de roef de maximaal toegestane hoogte als neergelegd in de Verordening met meer dan 31 cm. wordt overschreden, omdat het college ten onrechte heeft gemeten vanaf het wegdek en niet vanaf de aanliggende kade of oever, zoals is vereist op grond van de Verordening.

6.1.    Het college heeft zich wat de wijze van meten van de in artikel 7, eerste lid, onder c, sub 1°, van de Verordening neergelegde hoogtemaat, op het standpunt gesteld dat die bepaling aldus wordt uitgelegd dat de hoogte van de kade of aanliggende oever te allen tijde wordt bepaald ter plaatse van het midden van de aangrenzende weg, hetgeen in dit geval ook is geschied. Het college heeft in dit verband gewezen op de toelichting bij die bepaling, waarin is vermeld dat met de daarin voorgeschreven hoogtematen en de daaraan verbonden regeling als neergelegd in artikel 7, eerste lid, onder c, sub 2°, van de Verordening, is beoogd te voorkomen dat over de volle horizontale oppervlakte van woonschepen een massieve muur ontstaat. Volgens het college betreft dit oogmerk zowel het aanzicht vanaf het water als het aanzicht vanaf het land. Een andere lezing is volgens het college niet aannemelijk, omdat die lezing erin zou resulteren dat slechts met schepen met een hoogte van maximaal 1,70 m. ligplaats mag worden ingenomen.

De Afdeling komt dit standpunt van het college - mede bezien in het licht van de toelichting op de bepaling - niet onjuist voor. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de roef de op grond van de Verordening toegestane maximale hoogte met 31 cm. overschrijdt. Met de rechtbank is de Afdeling verder van oordeel dat het college om die reden op grond van artikel 11, tweede lid, onder c, van de Verordening bevoegd was de aan [belanghebbende] verleende vergunning in te trekken. De rechtbank heeft in dit verband tevens op goede gronden overwogen dat het college de ligplaatsvergunning bij besluit van 1 juli 2008, op basis van de door [belanghebbende] overgelegde tekening met de maatvoeringen, heeft verleend, hoewel het op de hoogte was, althans had kunnen zijn van het feit dat met de roef de op grond van de Verordening maximaal toegestane hoogte zou worden overschreden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college onder die omstandigheden gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de aan [belanghebbende] verleende vergunning dan wel dat het handhavend had moeten optreden, zoals door [appellant] ter zitting is betoogd. De Afdeling acht bij haar oordeel van belang dat de bij besluit van 1 juli 2008 verleende ligplaatsvergunning in rechte onaantastbaar is, omdat daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend en dat een ander oordeel zou afdoen aan de rechtszekerheid die de in rechte onaantastbare vergunning met zich brengt. De Afdeling wijst in dit verband op overweging 10.1 van haar uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201108819/1/A3.

7.    [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank het bepaalde in artikel 11, tweede lid, onder d, van de Verordening op onjuiste wijze heeft geïnterpreteerd. Volgens [appellant] is intrekking op grond van die bepaling aan de orde bij een vergroting of substantiële wijziging van het schip. Op grond van die bepaling kan ook een vergroting van het schip die niet substantieel is leiden tot intrekking van de vergunning. Vast staat dat de stuurhut van het afgemeerde schip ten opzichte van de tekening groter is. Daarnaast is het afgemeerde schip substantieel gewijzigd ten opzichte van de vergunde tekening. De contouren van het schip, in het bijzonder van de stuurhut, wijken substantieel af van de bij de aanvraag overgelegde tekening, aldus [appellant]  .

7.1.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit artikel 11, tweede lid, onder d, van Verordening niet dat het college de bevoegdheid tot intrekking van de vergunning eerst toekomt bij een substantiële vergroting van het schip. Uit die bepaling volgt dat het college de bevoegdheid tot intrekking van de vergunning op grond van artikel 11, tweede lid, onder d, van de Verordening reeds toekomt bij een vergroting van het schip, die niet substantieel is. In zoverre heeft [appellant] het betoog dat de rechtbank bij de toepassing van die bepaling door het college van een onjuiste interpretatie is uitgegaan, terecht voorgedragen. Het leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de afwijkingen in de maatvoering van het schip ten opzichte van de door [belanghebbende] overgelegde tekening, niet meebrengen dat in strijd met de vergunning ligplaats is ingenomen. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat het uiteindelijk afgemeerde schip wat de stuurhut betreft aan de voorkant slechts 10 cm. en aan de achterkant slechts 20 cm. hoger is dan op de tekening is vermeld. De Afdeling gaat in dit verband voorbij aan het betoog van [appellant] dat het college de hoogte van het schip, ten onrechte heeft gemeten onder aftrek van het "Normaal Amsterdams Peil" (hierna: NAP). [appellant] heeft zijn ter zitting ingenomen standpunt dat het waterpeil ter plaatse van de Dr. C. Hofstede de Grootkade niet fluctueert niet gestaafd, terwijl het college reeds in zijn brief van 23 december 2010 gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom het de metingen, mede gezien artikel 7, eerste lid, onder c, sub 1°, van de Verordening, op basis van het Winschoterpeil onder aftrek van het NAP heeft verricht.

Zoals de rechtbank verder heeft overwogen zijn ook de andere afwijkingen in de maatvoering niet dusdanig dat die de conclusie rechtvaardigen dat het college ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat het schip niet substantieel is gewijzigd. Het heeft zich in dit verband tevens op goede gronden op het standpunt gesteld dat de contouren van het schip niet wezenlijk zijn veranderd. Onder die omstandigheden heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afzien van zijn bevoegdheid tot intrekking van de vergunning op grond van artikel 11, tweede lid, onder d, van de Verordening.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak    w.g. Grimbergen

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

581.