Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6771

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201203917/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2010 heeft het dagelijks bestuur aan [wederpartij] ontheffing verleend voor het afmeren van een dekschuit bij zijn woonschip [naam woonschip] aan de [locatie A] te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/355

Uitspraak

201203917/1/A3.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2012 in zaak nr. 11/5199 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2010 heeft het dagelijks bestuur aan [wederpartij] ontheffing verleend voor het afmeren van een dekschuit bij zijn woonschip [naam woonschip] aan de [locatie A] te Amsterdam.

Bij besluit van 20 september 2011 heeft het dagelijks bestuur het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 november 2011 vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2012, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Nooij en mr. E.R. Slot, beiden werkzaam bij het stadsdeel, en [wederpartij], bijgestaan door mr. E. van Kampen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur het bezwaar van [wederpartij] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 13 december 2010 op 21 december 2010 is verzonden. Zij heeft overwogen dat met de stempel op het besluit met de tekst "verzonden 21 dec. 2010" slechts aannemelijk is gemaakt dat het besluit de behandelende afdeling op die datum heeft verlaten. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat het besluit op die datum daadwerkelijk, via de postkamer, het stadsdeelkantoor heeft verlaten, aldus de rechtbank.

3.    Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de uitspraken van de Afdeling van 18 augustus 2010 in zaak nr. 201000189/1/H3 en van 15 december 2010 in zaak nr. 201005033/1/H3, nu de omstandigheden waarop die uitspraken betrekking hebben wezenlijk verschillen van de omstandigheden in dit geval. In de eerste zaak had het college ter zitting te kennen gegeven dat het gemeentehuis in de betreffende periode werd verbouwd, waardoor de brief binnen de organisatie kan zijn zoek geraakt. Dergelijke omstandigheden dienen, ook volgens het dagelijks bestuur, niet voor rekening van de indiener van een bezwaarschrift te komen. In dit geval doet een dergelijke situatie zich echter niet voor. In de uitspraak van 15 december 2010 ging het om een besluit waarop alleen een dagtekening stond. In dit geval bevat het besluit naast een dagtekening van 13 december 2010 tevens een stempel "verzonden 21 dec. 2010". Nu het besluit van 13 december 2010 al een dagtekening bevat, dient het stempel "verzonden 21 dec. 2010" te worden gezien als de feitelijke postregistratie, zodat daarmee aannemelijk is dat het besluit op die dag is verzonden.

Nu het de verzending van het besluit van 13 december 2010 aannemelijk heeft gemaakt, is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan de vraag of [wederpartij] het vermoeden van een tijdige ontvangst heeft ontzenuwd, aldus het dagelijks bestuur.

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 mei 2012 in zaak nr. 201106649/1/A3), is het, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit, bij betwisting aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit op de gestelde datum is verzonden. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.

Voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 18 augustus 2010 in zaak nr. 201000189/1/H3 en van 15 december 2010 in zaak nr. 201005033/1/H3 bestaat geen grond, nu uit die uitspraken eveneens volgt dat een bestuursorgaan, indien het een besluit niet aangetekend heeft verzonden, aannemelijk dient te maken dat dat besluit op de vermelde datum is verzonden.

3.2.    De brief van 13 december 2010 waarin aan [wederpartij] ontheffing is verleend voor het afmeren van een dekschuit bij zijn woonschip, is niet aangetekend verzonden. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting bij de rechtbank te kennen gegeven dat er een vaste werkwijze wordt gehanteerd bij niet aangetekende verzending van besluiten. Een besluit wordt door de behandelend ambtenaar voorzien van een stempel met de verzenddatum. Vervolgens wordt dat besluit in een postbak op het bureau van de behandelend ambtenaar gelegd en opgehaald door een medewerker van de postkamer. Indien dat voor 15.00 uur gebeurt, wordt het besluit dezelfde dag nog verzonden. Besluiten worden geregistreerd in een postregistratiesysteem. Na de verzending van het besluit van 13 december 2010 is echter een nieuw postregistratiesysteem ingevoerd waardoor de oude gegevens niet meer voorhanden zijn. Ter zitting bij de Afdeling heeft het dagelijks bestuur te kennen gegeven dat uit de gegevens uit het postregistratiesysteem, indien die nog voorhanden waren, niet zou kunnen worden afgeleid wanneer een besluit daadwerkelijk is verzonden. Er wordt volgens het dagelijks bestuur geen verzendadministratie bijgehouden.

3.3.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat met het plaatsen van een stempel met de tekst "verzonden 21 dec. 2010" niet aannemelijk is gemaakt dat het besluit op die datum daadwerkelijk via de postkamer het stadsdeelkantoor heeft verlaten. Immers, bij gebreke van een door een medewerker van de postkamer vermelde verzenddatum of een deugdelijke verzendadministratie is slechts aannemelijk geworden dat de brief op 21 december 2010 de kamer van de behandelend ambtenaar heeft verlaten. Derhalve is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 13 december 2010 op 21 december 2010 is verzonden. Aan een oordeel over de vraag of [wederpartij] het vermoeden van een tijdige ontvangst heeft ontzenuwd, komt de Afdeling niet toe, nu die beoordeling eerst dan plaatsvindt als het bestuursorgaan de verzending op de door hem gestelde datum aannemelijk heeft gemaakt.

Gelet hierop moet het bezwaarschrift van [wederpartij] van 28 januari 2011, door het dagelijks bestuur ontvangen op 4 februari 2011, worden geacht tijdig te zijn ingediend. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur het bezwaar van [wederpartij] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze over te gaan tot vergoeding van de bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom    w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

97-730.