Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201112728/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenen vergunning voor het realiseren van een uitweg ten behoeve van een perceel.

Aan de vergunningverlening heeft het college ten grondslag gelegd dat als gevolg van de nieuwe uitweg de verkeersveiligheid ter plaatse verbetert. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 19 oktober 2011, no. 201101018/1/H3, LJN: BT8579 is het verlenen van een uitwegvergunning een discretionaire bevoegdheid. Bij de beoordeling of de belangen die zijn genoemd in artikel 20, derde lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Apv, door de uitweg in geding komen, komt het college beoordelingsvrijheid toe. Die beoordeling dient terughoudend te worden getoetst en naar de situatie ten tijde van de besluitvorming. Indien het college een of meer in die bepaling genoemde belangen in geding acht, dient het onder afweging van alle betrokken belangen, te beoordelen of dat reden is de vergunning te weigeren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2007 in zaak nr. 200703674/1 LJN: BB8375).

Op grond van het bestemmingsplan hebben de gronden waarop de uitweg is aangelegd de bestemming "Groenvoorziening". Art. 12.1 van de planvoorschriften laat de aanleg van een uitweg ter plaatse niet toe. Met betrekking tot het betoog van appellant dat de vergunning om deze reden geweigerd had moeten worden, wordt overwogen dat nu belangen als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Apv in geding zijn, alle betrokken belangen tegen elkaar dienen te worden afgewogen. In dit geval brengt dat met zich dat het belang van de handhaving van het bestemmingsplan bij de besluitvorming diende te worden betrokken. De rb. heeft dit niet onderkend. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat het belang dat de groenbestemming met betrekking tot de gronden ter plaatse beoogt te beschermen is afgewogen bij de toetsing van de aanvraag aan art. 20, derde lid, aanhef en onder c en d, van de Apv. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de rb. daaromtrent terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de groenvoorzieningen ter plaatse niet op onaanvaardbare wijze worden aangetast als gevolg van de nieuwe uitweg. Overigens is ter zitting gebleken dat het bestemmingsplan inmiddels wordt aangepast en de gronden overeenkomstig het huidige gebruik zullen worden bestemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112728/1/A3.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 oktober 2011 in zaak nr. 10/4175 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het realiseren van een uitweg ten behoeve van het perceel [locatie A] te Rosmalen.

Bij besluit van 19 november 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 oktober 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[vergunninghouder] heeft een nader stuk ingediend, gedateerd

16 augustus 2012.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. D.A.C. Janssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.B.A.M. Gerritse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghouder] en [partij] gehoord.

Krachtens artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren naar aanleiding van het nadere stuk van [vergunninghouder] van 16 augustus 2012. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

2.    Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 's-Hertogenbosch 1996 (hierna: de Apv) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. een uitweg te maken naar de weg;

b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Ingevolge het derde lid kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

3.    Aan de vergunningverlening heeft het college ten grondslag gelegd dat als gevolg van de nieuwe uitweg de verkeersveiligheid ter plaatse verbetert. Het zicht vanuit de bestaande uitweg naar de Haydnlaan wordt belemmerd door een haag. De nieuwe uitweg is elders op het perceel voorzien en komt uit op een weg die het perceel van [appellant] op de Haydnlaan ontsluit. Het zicht vanuit deze weg op de Haydnlaan is goed, aldus het college.

Voorts acht het college het belang van [vergunninghouder] zwaarder wegen dan het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

4.    Met betrekking tot het betoog dat het college in strijd met artikel 4:8 van de Awb heeft gehandeld omdat de termijn voor het indienen van zienswijzen te kort was, wordt overwogen dat de aanvraag is gepubliceerd in de Bossche Omroep op 18 juli 2010. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de daarin genoemde termijn van twee weken redelijk was om een zienswijze kenbaar te maken. Het betoog faalt.

5.    Anders dan [appellant] aanvoert heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat de aanvraag niet gebrekkig was. Bij de aanvraag was een situatieschets gevoegd waarop de plaats van de uitweg voldoende duidelijk is aangegeven. Daarom bestaat geen aanleiding te oordelen dat het college toepassing had moeten geven aan artikel 4:5 van de Awb dat, indien een aanvraag gebrekkig is, de aanvrager de gelegenheid wordt geboden de aanvraag aan te vullen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat indien en voor zover de uitweg niet overeenkomstig de vergunning zou zijn aangelegd verzocht kan worden om handhaving. Het betoog faalt.

6.    Verder voert [appellant] aan dat de vergunning geweigerd had moeten worden in het belang van de bruikbaarheid van de weg, het veilig en doelmatig gebruik van de weg, de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

6.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 19 oktober 2011, no. 201101018/1/H3, is het verlenen van een uitwegvergunning een discretionaire bevoegdheid. Bij de beoordeling of de belangen die zijn genoemd in artikel 20, derde lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Apv, door de uitweg in geding komen, komt het college beoordelingsvrijheid toe. Die beoordeling dient terughoudend te worden getoetst en naar de situatie ten tijde van de besluitvorming. Indien het college een of meer in die bepaling genoemde belangen in geding acht, dient het onder afweging van alle betrokken belangen, te beoordelen of dat reden is de vergunning te weigeren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2007 in zaak nr. 200703674/1).

6.2.    Wat betreft de stelling van [appellant] dat de verkeersveiligheid ter plaatse verslechtert als gevolg van de nieuwe uitweg wordt het volgende overwogen.

Het college heeft een advies overgelegd, gedateerd 6 juli 2011, waarin een verkeerskundige van de gemeente tot de conclusie komt dat de verkeersveiligheid ter plaatse licht verbetert als gevolg van de verplaatsing van de uitweg. Daartoe acht de verkeerskundige bepalend dat het zicht vanaf de bestaande uitweg minder goed is, omdat dat wordt belemmerd door een haag. De aansluiting op de Haydnlaan van de weg waarop de nieuwe uitweg uitkomt is volgens de verkeersdeskundige niet onveilig en het zicht vanaf die weg op de Haydnlaan is beter dan het zicht in de bestaande situatie. Het zicht vanaf de Haydnlaan naar de weg waarop de nieuwe uitweg uitkomt levert evenmin problemen op voor de verkeersveiligheid. Het incidentele verschil in lichtsterkte vanwege het aanwezige bladerdek bij felle zonneschijn is in de nieuwe situatie volgens de verkeerskundige zeer gering. Dat de toegangsweg formeel als een zijweg dient te fungeren en dit mogelijk niet altijd voor elke weggebruiker duidelijk zal zijn, levert volgens de verkeerskundige geen verkeersonveilige situatie op.

Ook in het advies van Goudappel Coffeng, gedateerd 28 februari 2012, dat is opgesteld in opdracht van [vergunninghouder], wordt geconcludeerd dat de verplaatsing van de uitweg een lichte verbetering van de verkeersveiligheid met zich brengt. Daarin wordt voorts opgemerkt dat in de nieuwe situatie het aantal erfaansluitingen op de Haydnlaan is gereduceerd. Ondanks het feit dat de Haydnlaan geschikt is voor veel erfaansluitingen, is een reductie van het aantal aansluitingen positief voor de verkeersveiligheid, aldus Goudappel Coffeng.

In het rapport van MGX, gedateerd 15 januari 2011, dat [appellant] heeft overgelegd ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de verkeersveiligheid ter plaatse licht verbetert. Daarbij heeft de rechtbank terecht betekenis gehecht aan de omstandigheid dat [appellant] niet betwist dat het zicht op de Haydnlaan vanuit de bestaande uitweg minder goed is, dat er weinig verkeer op de Haydnlaan is en dat de weg waarop de nieuwe uitweg uitkomt alleen verkeersbewegingen van en naar de percelen van [appellant] en [vergunninghouder] genereert.

Dat, zoals [appellant] onder andere in zijn nadere reactie van 8 oktober 2012 stelt, de weg waarop de nieuwe uitweg uitkomt niet in overeenstemming is met de minimale breedte van 4,60 meter zoals die genoemd is in paragraaf 12.2.9 van de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (hierna: de ASVV), maakt dit niet anders. Met deze stelling heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de breedte van de weg in dit geval niet toereikend is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de in de ASVV opgenomen normen richtlijnen zijn en de weg feitelijk wordt gebruikt om twee woningen op de Haydnweg te ontsluiten. Bovendien is de weg thans ook al in gebruik, zij het alleen als ontsluiting voor de woning van [appellant].

Het betoog faalt.

6.3.    Wat betreft de stelling van [appellant] dat het uiterlijk aanzien van de omgeving en dat groenvoorzieningen in de gemeente op onaanvaardbare wijze worden aangetast wordt het volgende overwogen.

Het college heeft een advies van een bomendeskundige overgelegd, gedateerd 5 juli 2011. De deskundige constateert dat bij het aanleggen van de inrit geen hoge struiken, bomen of een heg zijn verwijderd. Wel is schade aan lage beplanting en natuurlijk opschot ontstaan. Voorts zijn bij de aanleg wortels van de bomen verwijderd, maar nu niet aannemelijk is dat meer dan 20% van de beworteling is verwijderd en nog voldoende doorwortelbare ruimte beschikbaar is, is dat niet problematisch, aldus de deskundige.

Omdat er geen hogere struiken of bomen zijn verwijderd heeft de aanleg van de inrit alleen een direct effect op de grondgebonden flora en fauna. Hun voortbestaan is niet in geding. Het oordeel van de bomendeskundige wordt bevestigd in het advies van Pius Floris, gedateerd 2 mei 2012, dat in opdracht van [vergunninghouder] is opgesteld.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de vaststelling van de bomendeskundige van de gemeente dat ter plaatse van de uitweg het groen enkel bestond uit lage beplanting van natuurlijk opschot en dat de uitweg weliswaar schade toebrengt aan de groenstrook maar dat deze aantasting gering is. Niet is gebleken dat daadwerkelijk schade is toegebracht aan bestaande bomen. In het advies van Buro Lubbers, gedateerd 17 januari 2011, dat [appellant] heeft ingebracht, wordt weliswaar gesteld dat schade aan het groen ter plaatse is ontstaan en [appellant] herhaalt dit in zijn nadere reactie van 8 oktober 2012, maar hij heeft nagelaten deze concreet te motiveren.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de groenvoorzieningen ter plaatse en het uiterlijk aanzien van de omgeving niet op onaanvaardbare wijze worden aangetast als gevolg van de nieuwe uitweg.

Het betoog faalt.

6.3.1.    Op grond van het bestemmingsplan hebben de gronden waarop de uitweg is aangelegd de bestemming "Groenvoorziening".

Ingevolge artikel 12.1 van de planvoorschriften zijn de gronden met die bestemming bestemd voor groenvoorziening, groen met een afschermende functie waar dat op de plankaart is aangegeven, fiets- en/of voetpaden, nutsvoorzieningen, kleinschalige sport- en speelvoorzieningen, abri's, telefooncellen, straatmeubilair en dergelijke en bijbehorende verhardingen en watergangen.

Het planvoorschrift laat de aanleg van een uitweg ter plaatse niet toe. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat de vergunning om deze reden geweigerd had moeten worden, wordt overwogen dat nu, zoals het college in het besluit op bezwaar heeft gesteld, belangen als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Apv in geding zijn, alle betrokken belangen tegen elkaar dienen te worden afgewogen. In dit geval brengt dat met zich dat het belang van de handhaving van het bestemmingsplan bij de besluitvorming diende te worden betrokken. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat het belang dat de groenbestemming met betrekking tot de gronden ter plaatse beoogt te beschermen is afgewogen bij de toetsing van de aanvraag aan artikel 20, derde lid, aanhef en onder c en d, van de Apv. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de rechtbank daaromtrent terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de groenvoorzieningen ter plaatse niet op onaanvaardbare wijze worden aangetast als gevolg van de nieuwe uitweg. Overigens is ter zitting gebleken dat het bestemmingsplan inmiddels wordt aangepast en de gronden overeenkomstig het huidige gebruik zullen worden bestemd.

Het betoog faalt.

6.4.    Gelet op hetgeen in rechtsoverwegingen 6.2. tot en met 6.3.1. is overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat als gevolg van de nieuwe uitweg de verkeersveiligheid ter plaatse verbetert. Evenzeer terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang dat is gemoeid met de aanleg van de uitweg zwaarder weegt dan het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann    w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

280.