Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6764

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201107537/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Karissteeg 5, Nederweert" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107537/1/R1.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Nederweert,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Karissteeg 5, Nederweert" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door C.E. Bongers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door Ir. H.J. van Vilsteren-Makkinga, bedrijfsadviseur bij Bergs Advies.

Bij tussenuitspraak van 30 mei 2012, in zaak nr. 201107537/1/T1/R1, heeft de Afdeling het college van burgemeester en wethouders opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 mei 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Het college van burgemeester en wethouders heeft ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak een nadere motivering gegeven.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 46, eerste en zesde lid, van de Wet op de raad van State (hierna: de WRvS), heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.    Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de WRvS, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

3.    Zoals overwogen onder 2.6.4 van de tussenuitspraak kleeft aan het besluit van 17 mei 2011 het gebrek dat het college van burgemeester en wethouders niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onderzoek naar de geurbelasting vanwege de intensieve veehouderij is verricht voor de juiste aantallen diersoorten.

3.1.    [appellant] heeft in zijn zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld naar voren gebracht dat het college van burgemeester en wethouders niet op voormeld gebrek is ingegaan.

3.2.    De Afdeling stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders in zijn nadere motivering, ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak, geen inzicht heeft gegeven in de juistheid van de aantallen diersoorten waarvoor het onderzoek naar de geurbelasting is verricht.

Hieruit volgt dat het college van burgemeester en wethouders niet met inachtneming van het overwogene in de tussenuitspraak uitvoering heeft gegeven aan de door de Afdeling geformuleerde opdracht om met inachtneming van overwegingen 2.6.4 en 2.6.5 van de tussenuitspraak aan de hand van onderzoek inzichtelijk te maken dat een intensieve veehouderij, als mogelijk gemaakt in het wijzigingsplan, mede in het licht van cumulatieve effecten niet tot gevolg zal hebben dat ter plaatse van de woning van [appellant] aan de [locatie] geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal bestaan. Het college van burgemeester en wethouders heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 46, zesde lid, van de WRvS. Het in de tussenuitspraak door de Afdeling vastgestelde gebrek is niet hersteld en het bestreden besluit is derhalve evenzeer in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

3.3.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 46, zesde lid, van de WRvS en artikel 3:46 van de Awb. De Afdeling zal het college van burgemeester en wethouders opdragen binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak en deze uitspraak is overwogen.

Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant] voor het overige naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld geen bespreking meer.

3.4.    Het college van burgemeester en wethouders dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nederweert van 17 mei 2011 omtrent vaststelling van het wijzigingsplan "Karissteeg 5, Nederweert";

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Nederweert op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen onder 3.2 en 3.3 van deze uitspraak en onder 2.6.4 en 2.6.5 van de tussenuitspraak van 30 mei 2012, nr. 201107537/1/T1/R1, is overwogen;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nederweert tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nederweert aan [appellanten] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Hupkes

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

635.