Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201205119/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Balk-Verbindingsweg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 74
Wet geluidhinder 76
Wet geluidhinder 77
Wet geluidhinder 100
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/22 met annotatie van F. Arents

Uitspraak

201205119/1/R4.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Gaasterlân-Sleat,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Gaasterlân-Sleat,

3.    [appellant sub 3] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Gaasterlân-Sleat,

4.    de stichting Stichting Gaasterlân Natuerlân (hierna: Gaasterlân Natuerlân), gevestigd te Rijs, gemeente Gaasterlân-Sleat,

5.    [appellant sub 5] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Gaasterlân-Sleat,

6.    [appellanten sub 6], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Gaasterlân-Sleat,

7.    [appellant sub 7], wonend te Ruigahuizen, gemeente Gaasterlân-Sleat,

en

de raad van de gemeente Gaasterlân-Sleat,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Balk-Verbindingsweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] beroep ingesteld.

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft de raad het besluit van 27 maart 2012 gewijzigd.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], Gaasterlân Natuerlân, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] hebben nadere reacties op het besluit van 29 mei 2012 ingediend.

[appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 7] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2012, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 6], bijgestaan onderscheidenlijk vertegenwoordigd door [appellant sub 7], werkzaam bij Juridisch adviesbureau [appellant sub 7], [appellant sub 3], Gaasterlân Natuerlân, vertegenwoordigd door M. Lodeweges, [belanghebbende], [appellant sub 7], en de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. P. Woudstra, werkzaam bij Buro Vijn, B. Bonnema, wethouder, T.J. Jagersma, werkzaam bij de gemeente, en J.V. Munsterman, werkzaam bij Goudappel Coffeng, zijn verschenen.

Overwegingen

Plan

1.    Het plan voorziet in de aanleg van een verbindingsweg tussen de Suderséwei en de Jachtlustweg. Het plangebied ligt in het buitengebied ten zuidoosten van Balk, gemeente Gaasterlân-Sleat, tussen de provinciale weg Suderséwei (N359) en de Wikelerdyk/Jachtlustweg.

Crisis- en herstelwet

2.    [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat ten onrechte de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) van toepassing is verklaard op het bestreden besluit. Zij voeren aan dat niet in de publicatie van het bestreden besluit is vermeld dat de Chw van toepassing is. Daarnaast voeren [appellant sub 3] en anderen aan dat het plan niet onder de Chw valt.

2.1.    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de bij bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Voor de toepassing van de Chw op het bestreden besluit is, anders dan [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] aanvoeren, niet van belang of dit in de publicatie van het bestreden besluit is vermeld. Van belang is of het besluit betrekking heeft op een categorie projecten genoemd in bijlage I of een project genoemd in bijlage II van de Chw.

2.2.    Het bestreden besluit voorziet in de aanleg van een verbindingsweg. In categorie 3, onder 3.4, van bijlage I van de Chw wordt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aangemerkt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ten behoeve van de aanleg of wijziging van wegen.

Nu het bestreden besluit vereist is voor de ontwikkeling dan wel verwezenlijking van een gebied ten behoeve van de aanleg van een verbindingsweg is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op dit besluit.

3.    Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Eerst ter zitting en derhalve na afloop van het instellen van de termijn voor het instellen van het beroep hebben [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] aangevoerd dat de raad ten onrechte geen milieueffectrapportage heeft laten uitvoeren over de gevolgen die het plan in samenhang met andere bestemmingsplannen met zich brengt. Deze beroepsgrond dient gelet op artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing te worden gelaten.

Overige procedurele aspecten

4.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] voeren aan dat de raad bij het nemen van het besluit van 27 maart 2012 tot vaststelling van het plan ten onrechte drie zienswijzen buiten beschouwing heeft gelaten.

4.1.        De raad heeft erkend dat hij drie zienswijzen abusievelijk niet heeft betrokken bij het nemen van het besluit van 27 maart 2012. Gelet hierop is dat besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot stand gekomen. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de schending van dit artikel met toepassing van artikel 1.5, eerste lid, van de Chw te passeren. Hiertoe overweegt zij als volgt.

4.2.    Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Chw kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

4.3.    Het is aannemelijk dat belanghebbenden door de schending van artikel 3:2 van de Awb in dit geval niet zijn benadeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad bij besluit van 29 mei 2012 het besluit van 27 maart 2012 heeft gewijzigd, uitsluitend in die zin dat de nota zienswijzen is aangevuld met een reactie op de drie zienswijzen die bij de vaststelling van het plan op 27 maart 2012 niet waren meegenomen. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen dat de raad van de drie aanvankelijk buiten beschouwing gelaten zienswijzen vermoedelijk niet alsnog in samenhang met alle andere over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijzen kennis heeft genomen, overweegt de Afdeling dat daarvoor in de stukken - waaronder de gewijzigde nota zienswijzen - bezien in samenhang met de toelichting die de raad ter zitting op de gevolgde werkwijze heeft gegeven geen steun kan worden gevonden.

5.    [appellant sub 3] en anderen betogen dat het ontwerpplan door de raad opnieuw ter inzage had moeten worden gelegd in plaats van door het college van burgemeester en wethouders.

5.1.    De bevoegdheid beslissingen van de raad voor te bereiden, waaronder het ter inzage leggen van een ontwerpplan, komt het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, toe. Het betoog faalt.

6.    [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat ten onrechte in de bekendmaking van de terinzagelegging van het ontwerpplan is vermeld dat de ter inzage gelegde stukken tijdens de terinzagelegging mogelijk kunnen worden aangevuld.

6.1.    Ingevolge artikel 3:14, eerste lid, van de Awb, vult het bestuursorgaan de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens.

6.2.    Artikel 3:14, eerste lid, van de Awb kent de verplichting om de ter inzage gelegde stukken aan te vullen met nieuwe relevante stukken en gegevens. Niet valt in te zien dat in dit licht bezien niet in de bekendmaking van het ontwerpplan kon worden vermeld dat de ter inzage gelegde stukken tijdens de terinzagelegging mogelijk kunnen worden aangevuld. Overigens is niet gebleken dat de ter inzage gelegde stukken zijn aangevuld. Het betoog faalt.

7.    [appellant sub 3] en anderen betogen dat hun verzoek om verlenging van de termijn voor het indienen van zienswijzen ten onrechte door de raad niet is ingewilligd. Zij voeren aan dat meer tijd nodig was om informatie te achterhalen met betrekking tot onder meer het rapport "Actualisatie verkeersmodel" van Goudappel Coffeng van 18 januari 2010 dat ten grondslag ligt aan het plan.

7.1.    Volgens de raad was de door [appellant sub 3] en anderen ingediende zienswijze voldoende gemotiveerd zodat geen aanleiding bestond om nog een termijn te stellen voor een nadere onderbouwing.

7.2.    Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken.

7.3.    Uit de stukken blijkt dat [appellant sub 3] en anderen tijdig gemotiveerde zienswijzen ten aanzien van het bestreden besluit hebben ingediend. Gelet hierop bestond er voor de raad geen reden om een nadere termijn te stellen. Het betoog faalt.

8.    [appellant sub 3] en anderen betogen dat de wijze waarop de raad de door hen naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Volgens hen heeft de raad ten onrechte niet afzonderlijk gereageerd op hun gronden met betrekking tot onder meer de breedte van de verbindingsweg in verhouding tot de omvang van het plangebied, het aantal te kappen bomen, de verkeerssituatie op de provinciale weg, de situering van de voorziene verbindingsweg en alternatieven.

8.1.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

9.        [appellant sub 3] en anderen betogen dat de raad ten onrechte niet binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging van het ontwerpplan het plan heeft vastgesteld.

9.1.     Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro, is afdeling 3.4 van de Awb op de voorbereiding van een bestemmingsplan van toepassing, met dien verstande dat de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzageligging beslist omtrent vaststelling van het bestemmingsplan.

9.2.    Niet in geschil is dat de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.8 van de Wro is overschreden. Uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Het door [appellant sub 3] en anderen op dit punt aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

10.    [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat niet is gebleken dat het vaststellingsbesluit is verzonden aan het college van gedeputeerde staten en aan de inspecteur en dat niet is gebleken of zij kenbaar hebben gemaakt geen bezwaar te hebben tegen het vaststellingsbesluit, hetgeen volgens hen in strijd met artikel 3.8, vierde lid, van de Wro is.

Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

11.    Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] dat ten onrechte de zienswijzen in de reactienota zijn geanonimiseerd overweegt de Afdeling als volgt. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling

3.4 van de Awb. Deze afdeling, noch enig ander wettelijk voorschrift verzet zich er tegen dat de zienswijzen geanonimiseerd worden weergegeven. Het betoog van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] faalt.

12.    Hetgeen [appellant sub 3] en anderen voor het overige over de gevolgde procedure hebben aangevoerd, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb onjuist is toegepast.

Inhoudelijke aspecten

Verkeersonderzoek

13.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat de uitgangspunten van het verkeersonderzoek waarop de raad zich ten aanzien van ondermeer de noodzaak van de verbindingsweg heeft gebaseerd niet deugdelijk zijn. [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat het gehanteerde verkeersmodel ten onrechte geen inzicht geeft in de capaciteit van de wegen. [appellant sub 1], Gaasterlân Natuerlân en [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat de ontwikkeling van de woningbouw en de bevolkingsgroei waarvan wordt uitgegaan achterhaald zijn. Gaasterlân Natuerlân wijst hierbij op de bevolkingskrimp waar Gaasterlân-Sleat volgens haar mee te maken heeft. [appellant sub 1] voert aan dat ten onrechte het plan Havendiken is meegenomen nu het aantal te realiseren woningen in dit plan naar beneden is bijgesteld. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] voeren aan dat in het gehanteerde verkeersmodel bij de vergelijking van de varianten met en zonder verbindingsweg de veronderstelde routes die personen nemen onlogisch zijn en dat onduidelijk is waarop de veronderstelde routes zijn gebaseerd. Volgens [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] is onder meer de afname van het verkeer op de Vinkebuorren en de Lynbaen veel minder dan waarvan het gehanteerde verkeersmodel uitgaat. Volgens [appellant sub 3] en anderen is het woningbouwplan de Golfbaan niet van invloed op de verkeersintensiteit aan de zuidwestkant van Balk. Ten slotte voert [appellant sub 1] aan dat de verkeersmaatregelen die het college van burgemeester en wethouders heeft getroffen ten onrechte niet zijn meegenomen in het gehanteerde verkeersmodel.

13.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de uitgangspunten van het verkeersonderzoek en het daarbij gehanteerde verkeersmodel deugdelijk zijn.

13.2.    Ten behoeve van het plan is onderzoek gedaan naar de verkeerseffecten van de nieuw aan te leggen verbindingsweg. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het door Goudappel Coffeng opgestelde rapport "Actualisatie verkeersmodel" van 18 januari 2010 (hierna: het verkeersrapport). In het verkeersrapport is vermeld dat voor de berekening van de verkeersprognose gebruik is gemaakt van het verkeersmodel Balk dat is opgezet met het verkeersmodelleringspakket Omnitrans met gebruikmaking van het Nieuw Regionaal Model Noord Nederland versie 3.3 (hierna: het NRM). Het verkeersmodel Balk heeft als basisjaar 2009 en als toekomstjaar 2020. Voor het jaar 2020 is een variant "2020 autonoom" en een variant "2020 verbindingsweg" gemodelleerd. Uitgangspunt voor de autonome ontwikkeling voor het wegennetwerk is het in 2009 bestaande wegennet, aangepast met te verwachten nieuwe infrastructuur en wijzigingen in bestaande infrastructuur in de provincie Fryslân, Leeuwarden en Balk. Voor de variant "2020 verbindingsweg" is de verbindingsweg aan het wegennetwerk toegevoegd. Uit het verkeersrapport blijkt dat bij de toedeling van het verkeer aan het wegennetwerk rekening is gehouden met snelheid, capaciteit, toegestane rijrichting, kruispuntweerstanden en routekeuze effecten. De sociaaleconomische gegevens die in het verkeersmodel zijn gehanteerd, waaronder de ontwikkeling van het aantal inwoners en arbeidsplaatsen zijn gebaseerd op het NRM. Daarin is een aantal verwachte woningbouwontwikkelingen in de gemeente Gaasterlân-Sleat verwerkt.

13.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in onder meer de uitspraak van 3 december 2008 in zaak nr. 200703693/1, geven modellen noodzakelijkerwijs een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weer. De validiteit van een model wordt pas aangetast wanneer de uitkomsten te zeer afwijken van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid.

Uit het nader ingediende stuk van de raad van 16 augustus 2012 blijkt dat in het provinciaal rapport "Prognose Fryslân" is geconcludeerd dat het aantal huishoudens in Gaasterlân-Sleat zal toenemen tot 4612 en daarna zal stijgen naar 4716, waardoor geen sprake is van krimp. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde uitgangspunten van het verkeersmodel met betrekking tot de ontwikkeling van het aantal inwoners en arbeidsplaatsen en het aantal verwachte woningbouwontwikkelingen onjuist zijn. Ook voor het overige hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7], mede gezien de uiteenzetting van de raad ter zitting, niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde uitgangspunten van het verkeersmodel zodanige gebreken vertonen dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat de uitkomsten van de met het verkeersmodel berekende verkeersintensiteiten te zeer afwijken van de werkelijkheid. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in zoverre niet in redelijkheid in op het gehanteerde verkeersmodel heeft mogen baseren.

14.    [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 5] en anderen betogen dat van onjuiste verkeersgevens is uitgegaan. [appellant sub 3] en anderen voeren in dit verband aan dat in het verkeersrapport ten onrechte geen inzicht wordt gegeven in de verkeerstellingen waaraan de uitkomsten van het verkeersmodel zijn getoetst. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat in het verkeersrapport ten onrechte geen rekening is gehouden met het toeristenseizoen. [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat in het verkeersrapport bij de berekende toename van verkeersintensiteiten in 2020 op de Jachtlustweg en Menno van Coehoornweg 770 voertuigen ontbreken gelet op de berekende verkeersintensiteiten op de in het plan voorziene verbindingsweg. Ten slotte voeren [appellant sub 3] en anderen aan dat de uitkomsten uit het verkeersmodel afwijken van eerdere rapportages van Heidemij en Goudappel Coffeng.

14.1.    Ter zitting heeft Goudappel Coffeng namens de raad toegelicht dat is gecontroleerd of met het in het verkeersrapport gehanteerde verkeersmodel een voldoende representatieve weergave van de werkelijkheid kan worden gegeven door de uitkomsten van het verkeersmodel voor het basisjaar 2009 te toetsen aan verkeerstellingen van de gemeente Gaasterlân-Sleat uit 2009. Uit deze controle is volgens Goudappel gebleken dat de uitkomsten van het verkeersmodel overeenkomen met de verkeerstellingen. Voorts heeft Goudappel Coffeng ter zitting namens de raad gesteld dat ervaring heeft geleerd dat door het wel of niet meenemen van toerismeverkeer de uitkomsten van het verkeersmodel niet relevant worden beïnvloed. Ter zitting heeft Goudappel Coffeng verder namens de raad toegelicht dat, anders dan [appellant sub 3] en anderen veronderstellen, verkeersintensiteiten niet bij elkaar kunnen worden opgeteld en dat daarom niet uit de toename van de verkeersintensiteit op de verbindingsweg is te herleiden dat op de Jachtlustweg en de Menno van Coehoornweg 770 voertuigen ontbreken.

14.2.    De Afdeling ziet in hetgeen door [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 5] en anderen is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen ter zitting door Goudappel Coffeng namens de raad is verklaard. Gelet hierop hebben [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 5] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de uitkomsten van de met het verkeersmodel berekende verkeersintensiteiten in het verkeersrapport te zeer afwijken van de werkelijkheid. [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 5] en anderen hebben ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat het verkeersrapport zodanige gebreken vertoont dat de uitkomsten hiervan niet als representatief kunnen worden beschouwd. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op het verkeersrapport heeft mogen baseren.

Noodzaak

15.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat de noodzaak voor de aanleg van de verbindingsweg niet is aangetoond. In dit verband voeren [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] aan dat uit het verkeersrapport noch anderszins blijkt dat de verkeersdruk op de Teernstrabrug, de Gaaikemastraat en de Raadhuisbrug te hoog is.

15.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de noodzaak van de verbindingsweg voldoende is aangetoond met het verkeersrapport.

15.2.     Uit het verkeersrapport volgt dat de verbindingsweg bijdraagt aan de bereikbaarheid van het centrum nu de verkeersintensiteit binnen de bebouwde kom afneemt. Buiten de bebouwde kom draagt de verbindingsweg bij aan de oplossing van de problematiek van het sluipverkeer uit het zuiden en oosten van Balk dat over de Lynbaen en de Vinkebuorren een weg zoekt naar de Suderséwei. Volgens het verkeersrapport nemen ten gevolge van de verbindingsweg de verkeersintensiteiten op de Lynbaen en de Vinkebuorren af.

In hetgeen [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op basis van voornoemde conclusies uit het verkeersrapport niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verbindingsweg noodzakelijk is. Het betoog van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] faalt.

Verkeersveiligheid

16.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] vrezen dat het plan onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid met zich brengt. In dit verband voeren zij aan dat de verkeerveiligheid in het gedrang komt op de nieuwe verbindingsweg zelf, bij de aansluiting met de Suderséwei (N359), op de Jachtlustweg, ter hoogte van de school aan de Wikelerdyk, op de Lynbaen en de Vinkebuorren en op de Menno van Coehoornweg.

- Verbindingsweg

17.    [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat de verkeersveiligheid op de verbindingsweg niet is gewaarborgd. Zij voeren aan dat de verbindingsweg uitnodigt tot hoge snelheden nu dit een kaarsrechte weg betreft zonder obstakels.

17.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de verkeerveiligheid op de verbindingsweg voldoende is gewaarborgd.

17.2.    Uit de plantoelichting volgt dat de verbindingsweg in een open landschap is gelegen en dat er geen bomen langs de kant worden geplant.

De verbindingsweg wordt uitgevoerd als een tweebaansweg met dubbele doorgetrokken dwarsstrepen. De maximale toegestane snelheid op de verbindingsweg bedraagt 80 kilometer per uur en agrarisch verkeer en langzaam verkeer zijn niet toegestaan op de verbindingsweg.

Gelet op het vorenstaande hebben [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeersveiligheid op de verbindingsweg voldoende is gewaarborgd.

- Aansluiting N359

18.    [appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat bij de in het plan voorziene aansluiting van de nieuwe verbindingsweg op de Suderséwei (N359) verkeersonveilige situaties zullen ontstaan, vooral omdat die is voorzien op korte afstand van de bestaande kruising van de Suderséwei met de Rûchhústerwei en de Munnikeleane. [appellant sub 1] voert hierbij onder meer aan dat de voorziene inrichting van de aansluiting met een afslagstrook met verbrede rijstrook tot verkeersonveiligheid leidt, nu een fietser en een voetganger op de middenberm moeten wachten voordat de volgende strook kan worden overgestoken en landbouwverkeer in één keer de gehele oversteek moet maken. [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] voeren onder meer aan - samengevat weergegeven - dat de voorziene afrit vanuit de richting Lemmer leidt tot een verbreding van de Suderséwei ter plaatse van de kruising met de Rûchhústerwei en de Munnikeleane, zodat een onoverzichtelijke situatie ontstaat. [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] voeren verder aan dat de voorziene ontsluiting leidt tot een vermindering van de doorstroming op de Suderséwei, hetgeen - zo begrijpt de Afdeling hun betoog - de verkeersveiligheid volgens hen niet ten goede komt. Volgens [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] is wat dat betreft ook onvoldoende rekening gehouden met het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan (hierna: het PVV). Ten slotte vreest [appellant sub 1] dat de aantasting van de verkeersveiligheid tot gevolg heeft dat de Munnikeleane zal worden verlegd en aangesloten wordt op de verbindingsweg wat de verkeersveiligheid niet ten goede komt en ook anderszins een onwenselijke ontwikkeling is.

18.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheid ter plaatse van de aansluiting van de verbindingsweg op de Suderséwei (N359) voldoende kan worden gewaarborgd.

18.2.    Ter zitting heeft de raad inzichtelijk gemaakt op welke wijze en met welke verkeersmaatregelen de aansluiting van de verbindingsweg met de Suderséwei (N359) wordt uitgevoerd.

De aansluiting van de verbindingweg met de Suderséwei (N359) wordt geïntegreerd met de bestaande oversteek van de Munnikeleane naar de Rûchhústerwei die alleen nog gebruikt zal worden voor langzaam verkeer en bestemmingsverkeer. Op de verbindingsweg is geen langzaam verkeer toegestaan. Dit betekent dat ter hoogte van de oversteek van de Munnikeleane naar de Rûchhústerwei één geïntegreerde aansluiting op de Suderséwei (N359) ontstaat met gescheiden verkeerssoorten. De Munnikeleane wordt niet verlegd en niet aangesloten op de verbindingsweg. Om de aansluiting van de verbindingsweg te kunnen realiseren wordt de Suderséwei (N359) ter plaatse van de kruising met de verbindingsweg breder gemaakt. Daarbij krijgt de Suderséwei (N359) vanaf de zuidzijde een afrit en vanaf de noordzijde een afslagstrook op de rijbaan. Ten behoeve van de verkeersveiligheid worden er langs de Suderséwei (N359) waarschuwingsborden geplaatst en wordt de maximaal toegestane snelheid op de Suderséwei (N359) ter plaatse van de de kruising met de verbindingsweg verlaagd van 100 km/uur naar 70 km/uur.

18.3.    Voor zover de voorziene aansluiting van de verbindingweg met de Suderséwei (N359) anders is dan de voorkeursinrichting uit het PVV, maakt dat nog niet dat er verkeersonveilige situaties ontstaan. Uit de door de raad gegeven toelichting volgt dat de aansluiting zo wordt ingericht dat de verkeerssoorten zijn gescheiden en dat de maximaal toegestane snelheid op de Suderséwei (N359) alleen ter plaatse van de aansluiting met de verbindingsweg wordt verlaagd van 100 km/uur naar 70 km/uur. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat er een dermate onoverzichtelijke situatie en belemmering van de doorstroming zal ontstaan dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeersveiligheid door middel van de inrichting van de aansluiting en verkeersmaatregelen kan worden gewaarborgd.

- Jachtlustweg

19.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen en [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat het plan tot gevaarlijke verkeerssituaties op de Jachtlustweg leidt nu ten gevolge van de verbindingsweg de verkeersdruk op deze weg met 12,7% toeneemt. Zij voeren aan dat deze smalle weg onder meer vanwege de grote hoeveelheden verkeer en de aanwezigheid van bomen aan weerszijden van de weg als druk en verkeersonveilig wordt ervaren. [appellant sub 5] en anderen voeren voorts aan dat de aansluiting van de verbindingsweg op de Jachtlustweg een gevaarlijke oversteekplaats is voor de vele fietsers. Volgens [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] is ten onrechte geen onderzoek uitgevoerd naar de verkeersveiligheid met betrekking tot de rotonde op de Jachtlustweg.

Ten slotte voert [appellant sub 1] aan dat de verkeersonveilige situatie op de Jachtlustweg voor de ongewenste situatie zorgt dat het verkeer voor alternatieve routes gaat kiezen.

19.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheid op de Jachtlustweg ten gevolge van het plan niet in gevaar komt. De raad stelt juist vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid te hebben gekozen voor een rotonde op de kruising van de Jachtlustweg en de verbindingsweg.

19.2.    De Afdeling overweegt dat uit het verkeersmodel volgt dat ten gevolge van de verbindingsweg de verkeersintensiteit in 2020 op de Jachtlustweg toeneemt van 3.060 naar 3.450 motorvoertuigen per etmaal. Uit het nader ingediende stuk van de raad van 16 augustus 2012 met bijlagen, komt naar voren dat volgens Goudappel Coffeng de toegenomen verkeersintensiteit voor de Jachtlustweg vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid geen probleem is nu het een relatief smalle weg betreft buiten de bebouwde kom met een vrijliggend fietspad. Voorts is volgens Goudappel Coffeng een rotonde op de kruising met de verbindingsweg vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid vanwege de snelheidsverlagende werking te verkiezen boven een traditioneel kruispunt. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen van Goudappel Coffeng te twijfelen. Gelet op het vorenstaande en gelet op de inrichting van de Jachtlustweg met vrijliggend fietspad ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeersveiligheid op de Jachtlustweg en op de voorziene rotonde op de kruising van de Jachtlustweg en de voorziene verbindingsweg voldoende kan worden geacht.

- School

20.    [appellant sub 5] en anderen betogen dat ten gevolge van het plan een verkeersonveilige situatie bij de basisschool De Bolster aan de Wikelerdyk ontstaat nu het plan leidt tot een toename van het verkeer op de Wikelerdyk. Daarbij voeren zij aan dat parkeergelegenheid bij de school ontbreekt, waardoor voertuigen op de Wikelerdyk blijven staan en dat aan de overzijde van de school een nieuwbouwplan wordt ontwikkeld waardoor veel kinderen de Wikelerdyk zullen oversteken.

20.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheid ter plaatse van de school voldoende is gewaarborgd.

20.2.    Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, volgt uit het verkeersrapport dat de toename van het aantal motorvoertuigen per etmaal ten opzichte van de autonome situatie met 80, die ten gevolge van het plan op de Wikelerdyk plaatsvindt, relatief gezien zeer beperkt is. Daarnaast volgt uit de plantoelichting dat de hoofdingang van de school is verplaatst naar het verkeersluwe W. van der Heideplein en De Foarset teneinde de verkeerssituatie bij de school te verbeteren. Gelet op het vorenstaande hebben [appellant sub 5] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid ter plaatse van de basisschool met zich brengt.

- Lynbaen en Vinkebuorren

21.    [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat het plan tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid op de Lynbaen en de Vinkebuorren leidt. Zij voeren aan dat ten gevolge van het plan het verkeer op deze wegen afneemt wat tot hogere snelheden zal leiden.

21.1.    De afname van het aantal motorvoertuigen per etmaal ten gevolge van het plan bedraagt op de Lynbaen 730 motorvoertuigen en op de Vinkebuorren 840 motorvoertuigen.

Blijkens het verkeersrapport geldt voor de Vinkebuorren een maximaal toegestane snelheid van 80 kilometer per uur. In de plantoelichting is vermeld dat de maximaal toegestane snelheid op de Lynbaen waarop de afname van het aantal motorvoertuigen relatief gezien groot is, wordt teruggebracht naar 60 kilometer per uur. Gelet hierop alsmede op de toelichting ter zitting van de raad dat de Lynbaen en de Vinkebuorren een bochtig verloop hebben en er onoverzichtelijke kruisingen zijn, hetgeen een snelheidsremmende werking heeft, hebben [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afname van het verkeer op de Lynbaen en de Vinkebuorren niet tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid op deze wegen leidt.

- Menno van Coehoornweg

22.    [appellant sub 5] en anderen betogen dat ten gevolge van het plan een sluiproute via de Menno van Coehoornweg richting Sloten ontstaat. Volgens [appellant sub 5] en anderen is deze bochtige weg met bebouwing dicht aan de weg en een moeilijke kruising in het centrum van Wyckel niet berekend op een forse toename van (vracht)verkeer.

22.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de Menno van Coehoornweg voldoende capaciteit heeft om de toename van de verkeersintensiteit met 360 motorvoertuigen/etmaal te verwerken. Hierbij wijst de raad erop dat de Menno van Coehoornweg een brede weg is die gescheiden ligt van het fietspad. Volgens de raad wordt daarnaast het gebruik van de route via de Menno van Coehoornweg ontmoedigd nu deze weg wordt afgewaardeerd tot een 60 kilometer per uur weg.

22.2.    Uit het verkeersrapport komt naar voren dat de verkeersintensiteit op de Menno van Coehoornweg in 2020 ten gevolge van de verbindingsweg toeneemt van 2050 naar 2410 motorvoertuigen per etmaal. Volgens het verkeersrapport is daarbij het vrachtverkeer inbegrepen. Hetgeen [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat hetgeen de raad heeft gesteld omtrent de verkeerscapaciteit en de inrichting van de Menno van Coehoornweg onjuist is. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid op de Menno van Coehoornweg leidt.

Aansluiting Munnikelaene op de Suderséwei

23.    [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat de plantoelichting in strijd is met de verbeelding. Zij voeren aan dat uit de plantoelichting naar voren komt dat de huidige Munnikeleane wordt verbonden met de verbindingsweg en de bestaande kruising van de Suderséwei met de Rûchhústerwei en de Munnikeleane komt te vervallen, terwijl op de verbeelding de bestaande kruising is weergegeven.

23.1.    De raad erkent dat op een kaartje in de toelichting abusievelijk de bestaande kruising van de Suderséwei met de Rûchhústerwei en de Munnikeleane is komen te vervallen. Nu echter uit artikel 3.1.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening volgt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting en deze toelichting geen deel uitmaakt van het plan, kan daaraan geen bindende betekenis worden toegekend. Het betoog over de plantoelichting kan derhalve niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

Ligging verbindingsweg

24.    [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de rechtszekerheid. Zij voeren aan dat het plan onvoldoende duidelijkheid biedt ten aanzien van de ligging van de voorziene rotonde tussen de verbindingsweg en de Jachtlustweg, ten aanzien van de ligging van de aansluiting van de verbindingsweg op de Suderséwei en ten aanzien van de afstand tussen de verbindingsweg en de Munnikelaene. Daarnaast voeren zij aan dat de rotonde tussen de verbindingsweg en de Jachtlustweg ten onrechte niet op de verbeelding is aangegeven. Volgens [appellant sub 3] en anderen heeft de gemeente teveel vrijheid bij de uitvoering van het plan nu geen inzicht wordt gegeven in de exacte afmetingen.

24.1.    In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verbeelding in zoverre onvoldoende duidelijkheid biedt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat op de verbeelding een schaal is opgenomen en dat de verbindingsweg en de aansluitingen op de Suderséwei en de Jachtlustweg zijn weergegeven met daarbij de ruimte waarbinnen de rotonde, voor zover deze binnen het plangebied is gelegen, kan worden gerealiseerd. Voorts is op de verbeelding de ligging van de verbindingsweg ten opzichte van de Munnikeleane zichtbaar. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd is met de rechtszekerheid.

Dwarsprofiel

25.    [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat het plan niet uitvoerbaar is. In dit verband voeren zij aan dat uit de voor de Suderséwei geldende planologische regeling volgt dat het voor dit wegdeel voorgeschreven dwarsprofiel geen mogelijkheid biedt voor de aansluiting van de verbindingsweg op de Suderséwei.

25.1.     De raad stelt zich op het standpunt dat in het voor de Suderséwei geldende bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan buitengebied 2004" voorgeschreven dwarsprofielen niet aan de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan in de weg staan. Het bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan buitengebied 2004" kent een vrijstellingsmogelijkheid waarmee van de voorgeschreven dwarsprofielen kan worden afgeweken, aldus de raad.

25.2.    Ingevolge artikel 33, lid A, onder 1, van de planregels van het voor de Suderséwei geldende bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan buitengebied 2004", zijn de op de kaart voor verkeersdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor wegen.

Ingevolge artikel 50, lid A, is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemmingen.

Ingevolge artikel 33, lid E, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 50 lid A, van de planregels in ieder geval gerekend:

- het aanleggen van wegen en paden of anderszins inrichten van het bestemmingsvlak in afwijking van een op de kaart aangegeven genummerd dwarsprofiel, dan wel, indien op de kaart geen genummerd dwarsprofiel is aangegeven, in afwijking van het standaarddwarsprofiel.

Ingevolge lid F, kunnen Burgemeester en Wethouders, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijvingen in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van:

- het bepaalde in lid E juncto artikel 50 lid A en toestaan dat wordt afgeweken van het voorgeschreven dwarsprofiel, mits:

a. hierdoor geen wezenlijke verandering in de geluidssituatie optreedt;

b. de verkeersveiligheid hierdoor niet onevenredig wordt aangetast;

c. tevens getoetst wordt aan de gevolgen voor de afwikkelingen

van het openbaar vervoer.

25.3.    Wat er verder ook zij van de stelling van [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] dat het voor de Suderséwei voorgeschreven dwarsprofiel geen mogelijkheid biedt voor de aansluiting van de verbindingsweg op de Suderséwei, nu in artikel 33, lid F, van de planregels van het bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan buitengebied 2004" de mogelijkheid is opgenomen om onder de gestelde voorwaarden van de in dat plan voorgeschreven dwarsprofielen af te wijken, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dat plan voorgeschreven dwarsprofielen niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan in de weg staan.

Bedrijfsvoering

26.    [appellant sub 2] betoogt dat onvoldoende rekening wordt gehouden met zijn bedrijfsbelangen nu in de directe nabijheid van zijn perceel [locatie] een rotonde is voorzien. [appellant sub 2] voert aan dat door de rotonde de ontsluiting van zijn perceel ernstig wordt belemmerd nu het voor de vrachtwagens en tractoren die voor de aan- en afvoer van zijn paardenhouderij zijn perceel op en af moeten rijden onmogelijk wordt de draai vanaf de Jachtslustweg naar zijn perceel en andersom te maken.

26.1.     De raad stelt dat binnen het bestemmingsplan "Buitengebied" dat het planologisch kader biedt voor het noordelijk deel van de rotonde op voldoende wijze rekening kan worden gehouden met de bedrijfsbelangen van [appellant sub 2].

26.2.    De raad heeft onderkend dat de voorziene rotonde een belemmering kan vormen voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 2]. Voorts heeft de raad zich bereid verklaard mee te werken aan de realisering van mogelijke oplossingen om de ontsluiting van het perceel van [appellant sub 2] te waarborgen. [appellant sub 2] heeft niet bestreden dat dergelijke oplossingen voorhanden zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de bedrijfsbelangen van [appellant sub 2].

Geluidhinder

27.    [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het plan tot onaanvaardbare geluidhinder leidt. [appellant sub 5] en anderen betwisten dat de geluidsbelasting die ten gevolge van het plan ontstaat binnen de geldende normen uit de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) is toegestaan. [appellant sub 2] voert aan dat de reeds aanwezige geluidsbelasting op het perceel [locatie] als zeer belastend wordt ervaren. Nu de geluidsbelasting op het perceel [locatie] ten gevolge van de aanleg van de rotonde met bijna 2 dB toeneemt, leidt dit volgens hem met name in de periode tussen 21.00 uur en 7.00 uur tot een onevenredige toename van de geluidsbelasting mede vanwege optrekkend en afremmend verkeer ter hoogte van de te realiseren rotonde. [appellant sub 2] voert verder aan dat er ten onrechte van is uitgegaan dat de voorziene rotonde een aanpassing van de Jachtlustweg impliceert. Volgens hem behoort de rotonde tot de verbindingsweg.

27.1.    De raad stelt dat uit het akoestisch onderzoek naar voren komt dat door de aanleg van de verbindingsweg en de rotonde geen geluidsnormen worden overschreden. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder.

27.2.    Het akoestisch onderzoek van 18 januari 2010 is uitgevoerd met behulp van de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en Meetvoorschrift 2006. Er is onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de voorziene verbindingsweg ter plaatse van woningen in de geluidzone van deze weg. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar de gevolgen die de realisering van de verbindingsweg heeft voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeer van woningen die zijn gelegen in de omgeving van de voorziene aansluitingen van de verbindingsweg op de Jachtlustweg en de Suderséwei. Daartoe is met behulp van gegevens uit het verkeersrapport de geluidsbelasting in het basisjaar 2009 vergeleken met het jaar 2020. Deze onderzoeksopzet komt de Afdeling niet onjuist voor. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat - anders dan [appellant sub 2] kennelijk veronderstelt - de aansluiting van de voorziene verbindingsweg op de Jachtlustweg door middel van een rotonde aanpassing van die weg met zich brengt.

27.1.    Uit het akoestisch onderzoek komt naar voren dat de aanleg van de verbindingsweg op geen enkele woning in de zone van de verbindingsweg zorgt voor een overschrijding van de voorkeurgrenswaarde van de Wet geluidhinder van 48 dB. Daarnaast volgt uit het akoestisch onderzoek dat de toename van de geluidsbelasting op de woningen ten gevolge van de aanleg van de rotonde tussen de verbindingsweg en de Jachtlustweg overal minder is dan 2 dB. Gelet hierop is met betrekking tot de aanleg van de rotonde geen sprake van een reconstructie als bedoeld in de Wet geluidhinder en is in zoverre geen nader akoestisch onderzoek vereist.

Uit het akoestisch onderzoek komt met betrekking tot de woning van [appellant sub 2] naar voren dat de geluidsbelasting vanwege het verkeer op de voorziene rotonde op de gevel van deze woning, anders dan hij blijkbaar veronderstelt, in het jaar 2020 is afgenomen en minder dan 50 dB bedraagt. Met betrekking tot de woningen van [appellant sub 5] en anderen komt naar voren dat de geluidsbelasting in het jaar 2020 op de gevel van deze woningen maximaal 56,41 dB bedraagt en dat er een lagere toename van de geluidsbelasting is dan 2 dB. [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 5] en anderen hebben de juistheid van deze onderzoeksresultaten niet betwist.

Gelet op het vorenstaande hebben [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 5] niet aannemelijk gemaakt dat de in het plan voorziene ontwikkelingen een zodanige hinder met zich brengen dat de raad hieraan in redelijkheid een zwaarder gewicht had moeten toekennen dan aan het belang dat met de realisering van het plan is gediend.

Lichthinder

28.     [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 5] en anderen vrezen ten gevolge van de voorziene verbindingsweg en de rotonde lichthinder van inschijnende koplampen te ondervinden.

28.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat ten gevolge van het plan geen onevenredige lichthinder op de woningen zal worden ondervonden.

28.2.    Gelet op de afstand van ten minste 30 meter tussen de woningen en de voorziene verbindingsweg en de rotonde, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onevenredige lichthinder. Overigens heeft de raad ter zitting verklaard dat bij de aanleg van de verbindingsweg en de rotonde maatregelen zullen worden getroffen om de lichthinder te beperken.

Luchtkwaliteit

28.1.    [appellant sub 5] en anderen vrezen voor een aantasting van het verblijfsklimaat ter plaatse van de basisschool De Bolster die aan de Wikelerdyk ligt. Volgens [appellant sub 5] en anderen zijn jonge kinderen extra gevoelig voor de luchtverontreiniging ten gevolge van de toename van dieselverkeer nabij de school.

28.2.    Uit het luchtkwaliteitsonderzoek komt naar voren dat de aanleg van de verbindingsweg geen overschrijding van de geldende grenswaarden veroorzaakt. [appellant sub 5] en anderen hebben dit onderzoeksresultaat niet bestreden. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 5] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat als gevolg van het plan ter plaatse van de basisschool De Bolster sprake zal zijn van een onaanvaardbaar verblijfsklimaat.

Bomen

29.    [appellant sub 5] en anderen betogen dat moet worden betwijfeld of de kap van de bomen die ten behoeve van de rotonde tussen de verbindingsweg en de Jachtlustweg nodig is op grond van de kapverordening is toegestaan. Zij voeren aan dat de kapverordening het behoud van bomen voorop stelt.

29.1.    Voor zover [appellant sub 5] en anderen bedoelen dat gelet op de kapverordening geen omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen voor de aanleg van de rotonde kan worden verleend, overweegt de Afdeling dat de vraag of een omgevingsvergunning kan worden verleend in beginsel pas aan de orde komt in de procedure omtrent de omgevingsvergunning. Dat doet er evenwel niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de gemeentelijke verordening aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

GeIet op de toelichting van de raad ter zitting zijn er geen aanwijzingen die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de gemeentelijke verordening aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Flora- en Faunawet

30.    [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 5] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat de Flora- en Faunawet (hierna: de Ffw) aan de aanleg van de verbindingsweg in de weg staat.

Volgens [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] wordt door de aanleg van de verbindingsweg het foerageergebied van de dassen aangetast. [appellant sub 5] en anderen wijzen op de aanwezigheid van dassenburchten in de omgeving van de voorziene verbindingsweg. Gaasterlân Natuerlân voert daarnaast aan dat het leefgebied van de dassen door de aanleg van de verbindingsweg versnipperd raakt. Volgens Gaasterlân Natuerlân wordt voorts de migratieroute van de dassen richting Sint Nicolaasga bemoeilijkt.

Gaasterlân Natuerlân voert voorts aan dat door de aanleg van de rotonde tussen de verbindingsweg en de Jachtlustweg de vliegroute van vleermuizen wordt aangetast. Volgens Gaasterlân Natuerlân moeten de oude eiken, die door vleermuizen worden gebruikt als vliegroute, voor de aanleg van de rotonde wijken. [appellant sub 3] en anderen achten de uitgangspunten van het rapport onder meer op dat punt onjuist.

30.1.    De vragen of een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zo ver hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid in de weg staat.

30.2.    Ten behoeve van het plan is door Altenburg en Wymenga een onderzoek uitgevoerd naar de flora en fauna in het plangebied. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Ecologische beoordeling herinrichtingsplan Zuidoostzijde Balk" van 21 oktober 2010 (hierna: het ecologisch rapport) en in het rapport "Beoordeling effecten op vleermuizen i.v.m. aanleg kruising Jachtlustweg/ beoogde weg te Balk" van 23 november 2011 (hierna: het aanvullend ecologisch rapport).

In het ecologisch rapport is vermeld dat in het plangebied geen dassenburchten aanwezig zijn. Door de aanleg van de beoogde weg ontstaat een verlies van een deel van het potentiële foerageergebied van dassen die in de omgeving van de verbindingsweg burchten bezetten. De oppervlakte van het habitatverlies door de aanleg van de verbindingsweg is slechts een (zeer) klein deel van het potentiële foerageergebied. Bovendien betreft dit habitatverlies een deel van het gebied waarin geen aanwijzingen zijn gevonden dat dassen daarvan gebruik maken. Rond het plangebied zijn in ruime mate geschikte potentiële foerageergebieden nabij de huidige burchten aanwezig. Om deze redenen kan er volgens het ecologisch rapport van worden uitgegaan dat het habitatverlies door de aanleg van de beoogde weg geen belangrijke aantasting veroorzaakt van de functionele leefomgeving rond naburige dassenburchten. Binnen en nabij het plangebied zijn geen migratieroutes van dassen aangetroffen, waardoor de aanleg van de beoogde weg geen blokkade veroorzaakt van bestaande routes. Het is volgens het ecologisch rapport evenmin te verwachten dat voor eventueel aanwezige dassen de doorgang wordt belet vanuit het Balksterbos naar het plangebied. Er zal echter een tweedeling optreden door de aanleg van de nieuwe weg. Dassen kunnen nog wel van het ene deel van het gebied in het andere komen indien faunapassages worden gerealiseerd, gecombineerd met geleidingsschermen. De beoogde verbindingsweg veroorzaakt een toename van de verstoring door de aanwezigheid van mensen en het gebruik van voertuigen. Het plangebied neemt echter geen belangrijke plaats in de functionele leefomgeving rond de huidige dassenburchten en bovendien zijn dassen nachtdieren en dus actief wanneer de menselijke activiteiten beperkt zijn. Om deze redenen kan volgens het ecologisch rapport worden aangenomen dat de verstoring tijdens de aanlegfase en daarna geen noemenswaardige aantasting veroorzaakt van de functionele leefomgeving van de dassen in de omgeving. In het ecologisch rapport wordt geconcludeerd dat het plan ten aanzien van de dassen geen conflict met de Ffw veroorzaakt.

Over vleermuizen is in het aanvullend ecologisch rapport vermeld dat tijdens een veldbezoek is gebleken dat in de mogelijk te kappen bomen voor de aanleg van de rotonde en in de ruimere omgeving daarvan geen mogelijkheden zijn gevonden voor verblijfplaatsen in bomen. Ook verder zijn er in de directe omgeving geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. De bomenrij aan de Jachtlustweg vormt mogelijk een vliegroute voor vleermuizen. Door de kap van de bomen ontstaat een onderbreking van deze bomenrij. Deze onderbreking is volgens het aanvullend ecologisch rapport relatief klein en voor het behoud van de mogelijke aanwezige vliegroute niet van groot belang. Hierdoor blijft de mogelijke vliegroute langs de Jachtlustweg in stand ondanks de kap van bomen om ruimte te maken voor de rotonde. Het is dan volgens het aanvullend ecologisch rapport echter van belang dat de resterende bomen en de opening in de bomenrij die door de beoogde kap ontstaat, niet extra worden verlicht, omdat een toename van kunstlicht ongunstig is voor vleermuizen. Om te voorkomen dat lichtverstoring van de mogelijke aanwezige vliegroute ontstaat, kan worden afgezien van extra straatverlichting. Ook is het mogelijk om de eventuele extra straatverlichting vleermuisvriendelijk uit te voeren. In het aanvullend ecologisch rapport wordt geconcludeerd dat de kap van de bomen langs de Jachtlustweg geen conflict met de Ffw ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen veroorzaakt.

30.3.    Zoals hierboven is weergegeven volgt uit het ecologisch rapport en het aanvullend ecologisch rapport dat onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van dassen en vleermuizen in het plangebied. Voor het oordeel dat het onderzoek op deze punten onvolledig of onjuist is, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 5] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd geen aanleiding.

Gelet op de bevindingen in het ecologisch rapport over de dassen en het aanvullend ecologisch rapport over de vleermuizen bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Landschap

31.    [appellant sub 1] betoogt dat door de aanleg van de verbindingsweg het landschappelijk waardevol gebied tussen de nieuwbouw van Balk en de Munnikeleane wordt aangetast. Volgens Gaasterlân Natuerlân gaan door de aanleg van de verbindingsweg de bestaande zichtlijnen verloren waardoor een uniek uitzicht op het Slotermeer wordt aangetast. [appellant sub 5] en anderen betogen dat ten onrechte langs de voorziene verbindingsweg geen beplanting wordt aangebracht.

[appellant sub 2], Gaasterlân Natuerlân, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat het plan in strijd met de voor nationaal landschap geldende beleidskaders is vastgesteld. Volgens [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] kan niet gesteld worden dat de bijzondere kwaliteiten van het thans nog open kleinschalig landschap, behouden of versterkt worden terwijl bovendien de noodzaak voor de aanleg van de verbindingsweg geheel ontbreekt. Gaasterlân Natuerlân voert aan dat het open landschap wordt verstoord. Volgens [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] komt, nu de beoogde woningbouw feitelijk niet doorgaat, de verbindingsweg geheel solitair in het landelijk gebied te liggen waardoor in nog sterkere mate afbreuk wordt gedaan aan het open landschap. Volgens Gaasterlân Natuerlân is de aanleg van de verbindingsweg in strijd met de doelstelling van het nationaal landschap om de verschillende delen van het gebied tot één gebied te smeden, nu de aanleg van de verbindingsweg verrommelend en scheidend werkt.

31.1.    De raad stelt dat openheid het meest onderscheidende kenmerk voor het landschap direct ten zuidoosten van Balk is. Volgens de raad wordt de openheid niet aangetast nu naast de verbindingsweg geen bebouwing of beplanting wordt gerealiseerd en alleen de kruispunten worden verlicht. De raad stelt dat weliswaar de beleving van het landschap verandert maar dat gelet op de grote schaal van het landschap en de afstand die wordt aangehouden tussen de verbindingsweg en de bewoner of bezoeker van het landschap er geen sprake is van een significante aantasting van het landschap.

31.2.     In de Nota Ruimte 2006, vastgesteld op 17 januari 2006 (hierna: de Nota Ruimte) is Zuidwest-Friesland aangewezen als Nationaal landschap. De gemeente Gaasterlân-Sleat maakt hiervan deel uit. In de Nota Ruimte staat onder meer dat in algemene zin geldt dat binnen nationale landschappen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of worden versterkt (`ja, mits-regime’).

Vervolgens staan in de Nota Ruimte als kernkwaliteiten van Zuidwest-Friesland aangegeven schaalcontrast van zeer open naar gesloten; middeleeuwse verkaveling, waterlopen en meren en stuwwallen en terpen. De grote schaalverschillen van het hoger liggende besloten stuwwallandschap van Gaasterland met de vlakke openheid van het veenweidelandschap geven Zuidwest-Friesland een bijzonder karakter. Het lage, zeer open landschap wordt gekenmerkt door meren en verspreide bebouwing, waarvan een deel op terpen. De verkaveling en waterlopen in het veengebied zijn ontstaan in de middeleeuwen en zijn internationaal zeldzaam.

31.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een wezenlijke aantasting van de zichtlijnen en de openheid van het landschap. Hierbij betrekt de Afdeling dat op grond van het plan binnen het plangebied geen gebouwen mogen worden gerealiseerd. Voorts volgt uit de plantoelichting en het verweerschrift dat bij de landschappelijke inpassing van de verbindingsweg rekening wordt gehouden met de openheid van het landschap door geen bomen te planten langs de verbindingsweg en alleen de kruispunten te verlichten. Gezien de ligging van de verbindingsweg in de directe nabijheid van en parallel aan de Munnikelaene volgt de Afdeling [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] niet in hun betoog dat de verbindingsweg solitair in het landelijk gebied ligt en ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de verbindingsweg op zichzelf beschouwd verrommelend en scheidend is.

Gelet op het vorenstaande hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], Gaasterlân Natuerlân, [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat het plan inbreuk maakt op de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Zuidwest-Friesland. Derhalve bestaat in hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen afbreuk wordt gedaan aan het Nationaal landschap Zuidwest-Friesland.

Financiële uitvoerbaarheid

32.    [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betwisten de financiële uitvoerbaarheid van het plan. [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 2], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat een onderbouwing met betrekking tot de te maken kosten en financiering ontbreekt. [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] betogen voorts dat de kosten voor de aankoop van de benodigde gronden, de aanleg en de aansluiting van de verbindingsweg op de Suderséwei en de Jachtlustweg veel hoger zijn dan de door de raad gestelde € 1.550.000,00. Zij voeren aan dat vanwege veranderde omstandigheden met betrekking tot de financiering en de eigendomssituatie de kosten niet even hoog kunnen zijn als ten tijde van het ontwerpplan in 2009. Ten slotte betoogt Gaasterlân Natuerlân dat ten onrechte faunageleiding en faunapassages bij de berekening van de totale kosten niet zijn meegenomen.

32.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de economische uitvoerbaarheid van het plan verzekerd is door bedrag van € 1.550.000,00 te reserveren. De raad stelt dat de kosten voor de faunavoorzieningen zijn meegenomen in de kostenberekening en dat deze zijn geraamd op € 50.000,00.

32.2.    Ter zitting heeft de raad toegelicht dat aan het gereserveerde bedrag van € 1.550.000,00 basisgevens met betrekking tot de aanlegkosten en grondprijzen ten grondslag liggen. Uit de door de raad ter zitting gegeven toelichting kan voorts worden afgeleid dat ondanks de veranderde omstandigheden de kosten voor de realisering van het plan ten opzichte van 2009 niet zijn toegenomen, ondermeer vanwege de huidige aanbestedingspraktijk. De Afdeling komt dit niet onaannemelijk voor. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd onvoldoende concrete aanwijzingen voor het oordeel dat het plan niet kan worden uitgevoerd voor het door de raad gereserveerde bedrag van € 1.550.000,00. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op voorhand niet hoeft te worden getwijfeld aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

Alternatieven

33.    [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân en [appellant sub 5] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieven voor de verbindingsweg. Volgens [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân en [appellant sub 5] en anderen zijn er alternatieven voor de verbindingsweg die de raad onvoldoende heeft onderkend zoals, samengevat weergegeven, de Munnikelaene, alternatieven dichterbij de bebouwing van Balk en aan de noordkant van Balk. Volgens [appellant sub 3] en anderen had het plan, nu de raad niet op het door hen in de zienswijze naar vorengebrachte alternatief dichterbij de bebouwing van Balk is ingegaan, moeten voorzien in dit alternatief.

33.1.    De raad dient bij de keuze van de bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

33.2.     Ter zitting heeft de raad toegelicht de Munnikelaene als alternatieve locatie voor de realisering van de verbindingsweg vanuit landschappelijk oogpunt en vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid niet wenselijk te achten. Een keuze voor de Munnikelaene heeft het voor de verkeersveiligheid ongewenste gevolg dat verkeerssoorten niet van elkaar kunnen worden gescheiden, aldus de raad. Uit de plantoelichting en de nota zienswijzen volgt dat de raad heeft afgezien van alternatieve locaties dichterbij de bebouwing van Balk vanwege te verwachten geluidhinder ter plaatse van woningen en vanwege het feit dat de woonwijken zijn ingericht als 30 kilometerzone en niet zijn berekend op de aantallen verkeersbewegingen die dan zouden optreden. Voorts volgt uit de nota zienswijzen dat de aanleg van een noordelijke verbindingsweg, anders dan de in het plan voorziene locatie van de verbindingsweg, niet leidt tot andere routekeuzes en daarom geen oplossing biedt voor bestaande verkeersknelpunten.

De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van de door [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân en [appellant sub 5] en anderen voorgestane alternatieven.

Zienswijzen

34.    Met betrekking tot de beroepsgronden die [appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6], Gaasterlân Natuerlân en [appellant sub 7] niet expliciet in het beroepschrift hebben vermeld, maar door middel van een verwijzing naar de zienswijzen in het beroepschrift heeft ingelast, overweegt de Afdeling dat in de nota zienswijzen is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6], Gaasterlân Natuerlân en [appellant sub 7] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen onjuist zou zijn.

Conclusie

35.     In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, Gaasterlân Natuerlân, [appellant sub 5] en anderen, [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

36.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten    w.g. Timmerman

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

431-678.